Belanghebbende, woonachtig in Nederland, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag BPM en een boetebeschikking vanwege het gebruik van een personenauto met Duits kenteken op de Nederlandse openbare weg. De Inspecteur stelde vast dat belanghebbende de auto op meerdere momenten in 2013 gebruikte, terwijl de verschuldigde BPM niet was voldaan.
Belanghebbende voerde tegenstrijdige verklaringen aan over het gebruik van de auto en stelde onder meer dat de auto niet van hem was en slechts kort werd gebruikt. Het Hof oordeelde dat belanghebbende de auto feitelijk ter beschikking had en dat deze bestemd was om duurzaam in Nederland te worden gebruikt. De ambtsedige verklaringen van de Belastingdienst ondersteunden dit, hoewel niet alle waarnemingen even zwaar wogen.
Het Hof verwierp de klachten over schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast concludeerde het Hof dat belanghebbende opzettelijk de belasting niet had voldaan en bevestigde het een boete van 50%. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.