Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
3. Onderscheid vennootschapsbelasting en overige middelen
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende betaalde voorafgaand aan de formalisering van de belastingschuld de verschuldigde vennootschapsbelasting 2013. Desondanks legde de Belastingdienst belastingrente op over een periode na deze betaling. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de renteperiode zou moeten eindigen bij betaling. Het hof oordeelde dat de wetgeving niet voorziet in het beëindigen van de renteperiode door een vrijwillige betaling voorafgaand aan de aanslag.
Daarnaast stelde belanghebbende dat het hogere rentepercentage voor vennootschapsbelastingplichtigen ten opzichte van niet-vennootschapsbelastingplichtigen een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling vormt. Het hof verwierp dit en vond dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het onderscheid objectief en redelijk gerechtvaardigd is.
Het hof wees ook het verzoek om vergoeding van renteschade af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend en het griffierecht werd niet vergoed.
De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 20 januari 2017, waarbij het hoger beroep van belanghebbende ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat belastingrente terecht is berekend ondanks vooruitbetaling en dat het hogere rentepercentage geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling vormt.