Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3666272 \ CV EXPL 14-12771)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven d.d. 15 december 2015 met drie producties aangeduid als Bijlage G, H en I, waarbij [appellant] zijn eis heeft gewijzigd;
- de memorie van antwoord d.d. 23 februari 2016 met één productie genummerd 15;
- de akte uitlating productie zijdens [appellant] d.d. 5 april 2016 met twee producties aangeduid als Bijlage J en K;
- de antwoordakte zijdens [Informatiemanagement] d.d. 3 mei 2016.
3.De beoordeling
- primair: € 60.429,75 bruto wegens inkomensschade en € 94.261,= netto, althans € 73.622,01 bruto wegens pensioenschade, alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2014, althans
- subsidiair: € 100.000,= bruto althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2014, en
- proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente ingaande 14 dagen na dagtekening arrest.
ECLI:NL:HR:2011:BP4804 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2011:BP4804)en HR 8 april 2016,
ECLI:NL:HR:2016:604 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:604)).
ECLI:NL:HR:2010:BK4472 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2010:BK4472)inz. Rutten/Breed) overwogen dat voor het aannemen van de kennelijke onredelijkheid van een dergelijke opzegging sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen. Dat geldt dan evenzeer (en wellicht des te meer) voor het geval, zoals het onderhavige, waarin bij de opzegging wel een vergoeding aan de werknemer is meegegeven.