Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
hof: kan) worden gesteld.”
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting van €1.114 over een verkrijging van €5.728 na overlijden. Hij stelde dat hij gelijk behandeld moest worden als ondernemers die gebruik kunnen maken van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit en voerde aan dat hij, net als de Koning, vrijstelling van erfbelasting zou moeten krijgen.
De Inspecteur kwalificeerde het bezwaar als massaal bezwaar op grond van een besluit van de Staatssecretaris van Financiën, omdat het bezwaar dezelfde rechtsvraag betrof als in een collectieve procedure. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende had aangegeven dat zijn bezwaar niet onder de massaal bezwaarregeling viel.
Verder stelde het Hof vast dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing was op de situatie van belanghebbende en dat de vraag of hij gelijkgesteld kon worden aan de Koning voor vrijstelling van erfbelasting niet in beroep of hoger beroep aan de orde kon komen. Ten slotte oordeelde het Hof dat de Belastingdienst niet in gebreke was gebleven bij het tijdig beslissen op het bezwaar, zodat geen recht bestond op de gevraagde dwangsom.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.