Belanghebbende parkeerde haar auto op 11 juni 2014 in Maastricht en betaalde parkeerbelasting tot 14:46 uur. Door acute fysieke klachten als gevolg van haar zwangerschap was zij niet in staat tijdig terug te keren om opnieuw parkeergeld te betalen. De parkeercontroleur constateerde om 15:00 uur het ontbreken van een geldig parkeerticket en legde een naheffingsaanslag op.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de naheffingsaanslag. De Heffingsambtenaar stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof hechtte geloof aan de verklaringen van belanghebbende over haar fysieke klachten, waaronder bekkeninstabiliteit en vochtophoping, en oordeelde dat sprake was van overmacht.
Het Hof vond geen aanleiding voor nadere bewijsvoering en verwierp het verweer van de Heffingsambtenaar dat belanghebbende bij het aanvankelijke betalen van parkeerbelasting rekening had moeten houden met mogelijke klachten. Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, en de Heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.