Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/201940/HA RK 15-25)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven van 2 februari 2016 met producties;
- de memorie van antwoord van 12 april 2016;
- het pleidooi op 16 juni 2016, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd; aan de pleitnota van mr. Simons zijn zes bijlagen (a tot en met f) gehecht. Mr. Oostveen heeft laten weten daartegen geen bezwaar te hebben.
3.De beoordeling
De toename van de in 2008 ontstane klachten en beperkingen kunnen niet op mijn vakgebied worden verklaard. Op grond hiervan neem ik derhalve aan dat deze toename ook in de hypothetische situatie zonder ongeval in dezelfde mate en dezelfde termijn met zeer grote waarschijnlijkheid zou zijn opgetreden, maar niet door neurologische of ongevalgerelateerde factoren zou worden veroorzaakt.”
mede(en niet uitsluitend) op de rapportages van [deskundige] en [neuroloog 3] beroept.
klaagt sedert de contusio over stamelen, oorsuizen, hoofdpijn, soms agressief, concentratieverlies.”
Status na commotio cerebri, bij een precieze, rigide man. (…) Bij zijn huidige klachtenpatroon speelt de psyche een belangrijke rol (duizeligheid, moeite met concentratie, slecht tegen verandering kunnen, stotteren), en kunnen dan ook niet worden gezien als een ongevalsgevolg. (…)
(…) kom ik tot de conclusie dat er weliswaar geen duidelijke aanwijzingen voor cerebrale organiciteit gevonden werden, doch dat er wel degelijk geheugen- en concentratie-problematiek aanwezig is, welke m.i. niet geheel en al verklaard kan worden door de eveneens geconstateerde lichte neurotisering.”
(…) over het algemeen zowel psychisch als lichamelijk redelijk gezonde jongeman met een voor het schedeltrauma reeds bestaande psychastene persoonlijkheidsstructuur, die thans als restverschijnselen van zijn schedeltrauma waarbij hij een duidelijke contusio cerebri heeft opgelopen en een fractuur van het os temporale nu nog klachten heeft die hij aan dit schedeltrauma toeschrijft. De voornaamste klachten bestaan uit hoofdpijn re. temporaal, duizeligheid (…), concentratiestoornissen, verhoogde prikkelbaarheid. Op grond van de objectieve bevindingen meen ik dat, vooral op grond van het EEG en het psychologisch onderzoek rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat de concentratiestoornissen voor een deel samenhangen met het ongeval. Gezien de tijd die verlopen is moeten deze restverschijnselen als irreversibel aangemerkt worden.”
Er zijn problemen bij het vasthouden van de aandacht, impulsiviteit en karakterverandering. Naast neurotische problematiek (…) is het feit dat patiënt eerder ernstige hersenbeschadiging opliep van belang. Het is mogelijk dat in combinatie met veroudering nu patiënt meer hinder ervaart door verminderde aanpassingsmogelijkheden. (…) In verband met impulsiviteit werd Citalopram in opklimmende dosering (…) voorgeschreven.”
Uit het onderzoek van de MRI van de schedel bleek aan de linkervoorzijde van de hersenen een posttraumatische afwijking te bestaan. Dit wijst op locale hersenschade als gevolg van het ongeval (…) Uw huidige klachten van concentratieproblemen, vergeetachtigheid en geen twee dingen tegelijk kunnen moeten beschouwd worden als een direct gevolg van deze beschadiging. Van primair neurotische problematiek of een primaire persoonlijkheidsstoornis is o.i. geen sprake.”
(…) al jarenlang bekend met problemen ten aanzien van stresshantering (…), agressieregulatie (…) en cognitieve beperkingen (geheugen, aandacht, planning). Hiervoor (…) vele jaren in behandeling (…) geweest (…), waarbij de aanname was dat zijn persoonlijkheidsstructuur hierbij bepalend was. Naar ons oordeel is voornoemde gedragsproblematiek echter te beschouwen als direct en indirect gevolg van een zware contusio cerebri (…). Deze conclusie is gebaseerd op eigen onderzoek (o.a. MRI schedel waarbij posttraumatische afwijkingen zichtbaar waren) en onderzoek van de Viersprong (specialistisch centrum voor persoonlijkheidsproblematiek; april 2009 - geen persoonlijkheidsstoornis, wel ontwijkende en passief-agressieve trekken).
Is het aannemelijk dat aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een contusio cerebri?)luidt:
(Bestaat er consistentie in de door u verkregen resultaten? Bestaat er concordantie tussen de neuropsychologische bevindingen? Zijn er aanwijzingen voor onderpresteren?):
Kunnen de door u gevonden stoornissen worden verklaard door medicijngebruik, tijdelijk of chronische stoornissen in het lichamelijk functioneren, preoccupaties van emotionele aard of de wens tot het verkrijgen van erkenning van de klachten?):
Zijn er wellicht andere oorzaken dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?):
nee”.
Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?):
Op basis van de reeds tweemaal verrichte neuropsychologische onderzoeken waarbij in 1980 geheugenstoornissen en concentratiestoornissen zijn vastgesteld en in 2009 lichte stoornissen in de aandachtsconcentratie kom ik tot de conclusie dat alleen de laatst beschreven stoornissen in aanmerking komen om te worden geduid als mogelijk ongevalsgevolg. Daarnaast kan ook de bij herhaling beschreven impulsiviteit een uiting zijn van de cerebrale restschade als ongevalgevolg. Ook bij het neuropsychologisch onderzoek dat d.d. 27.06.2012 werd verricht in het kader van deze procedure komt naar voren dat er problemen zijn met de aandachtconcentratie en verminderde impulscontrole. De overige bevindingen zijn hiervan deels een gevolg of hangen hiermee samen. Het gebruik van medicatie Citalopram kan volgens bekende gegevens leiden tot aandachtconcentratiestoornissen. In dit geval dien ik het antwoord van de neuropsycholoog [neuropsycholoog 2] op vraag 5 te weerspreken.(p. 49)
(…)
(…) Concluderend is er sprake van status na een aangetoonde contusio cerebri links frontaal d.d. 16.03.1975 met resterende cognitieve klachten, gedragsproblemen en stemmingsproblemen die ik bij neurologisch onderzoek niet kan objectiveren, anders dat betrokkene hiervoor jaren hulp heeft gezocht en activiteiten in het maatschappelijk verkeer vanaf 2008 achterwege heeft gelaten.
(…)
(…)
(…)
Op uw(hof: van advocaat/medisch adviseur van [appellant] )
verzoek heb ik het dossier van uw cliënt bekeken. (…)
Op uw verzoek(hof: van advocaat/medisch adviseur van [appellant] )
heb ik me verdiept in het dossier van bovengenoemde patiënt en hem zelf gesproken en onderzocht op 17-07-2014. (…)
de bekende medische causaliteit tussen emotionele en gedragsstoornissen en een frontale contusio cerebri” (p. 68). Niettemin concludeert hij dat de toename van de in 2008 ontstane klachten niet op zijn vakgebied kan worden verklaard. En op grond daarvan neemt [neuroloog 2] aan dat de toename van de klachten ook zonder ongeval zou zijn opgetreden, maar niet door neurologische of ongevalsgerelateerde factoren zou worden veroorzaakt (p. 67). Deze redenering en motivering is volgens [appellant] innerlijk tegenstrijdig. Verder is het rapport tegenstrijdig en niet logisch, waar [neuroloog 2] ten aanzien van een
onderkenningin psychologische en neuropsychologische rapportages van een relatie tussen de klachten/stoornissen en het hersenletsel stelt dat hij als neuroloog daar geen oordeel over kan geven, en ten aanzien van een
ontkenningvan die relatie kennelijk meent dat hij daar als neuroloog wel een oordeel over kan geven alsmede over de bevindingen en conclusies van [neuropsycholoog 2] . De motivering van [neuroloog 2] is ondeugdelijk en inconsistent en suggereert een gebrek aan onafhankelijkheid dan wel een zekere vooringenomenheid die een deskundige diskwalificeert, aldus [appellant] .
“Een deskundige op drift en een rechtbank die volgt”) en naar literatuur op het gebied van chronische problemen door traumatisch hersenletsel. Ten slotte heeft In [appellant] met een beroep op jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468) betoogd dat de rechtbank de rapporten van [deskundige] en [neuroloog 3] had moeten bespreken en in haar oordeelsvorming had moeten betrekken.
De overige bevindingen zijn hiervan deels een gevolg of hangen hiermee samen.” Hoe verhoudt zich dat met uw conclusie dat andere stoornissen dan genoemde aandachtsconcentratie en verminderde impulscontrole niet geduid kunnen worden als ongevalsgevolg?
2. Is het aannemelijk dat aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een contusio cerebri?
De afwijkingen in emoties en gedrag kunnen zowel verklaard worden door de (oude) contusio cerebri, maar ook door andere psychogene pre-existente factoren.”Hoe verhoudt dit zich tot uw conclusie (p. 66 onder c) dat u de toename van klachten, afwijkingen en beperkingen 35 jaar na het ongeval niet op neurologische gronden kunt verklaren? En met uw constatering (p. 62) dat de concentratiestoornissen en impulsiviteit niet worden beschreven in de pre-existente periode?
Chronische problemen door traumatisch hersenletsel” in het Nederlands Tijdschrift Geneeskunde 2016;160:A8949 (prod. G2 mvg )?
4.De uitspraak
bij brief aan de griffier van dit hofmet afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;