Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,
[appellant 3],
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 246626/HA ZA 12-421)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord met producties;
- de bij brief van 28 augustus 2015 door de advocaat van [appellanten] toegezonden producties 14 tot en met 17;
- het pleidooi op 17 september 2015, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en waarbij de hiervoor genoemde producties 14 tot en met 17 in het geding zijn gebracht;
- het proces-verbaal van comparitie van partijen op 16 november 2015, waarin tevens is opgenomen hetgeen [appellanten] bij wijze van dupliek na pleidooi naar voren heeft gebracht en waarbij de op schrift gestelde repliek na pleidooi van de Gemeente is overgelegd.
3.De beoordeling
Kavel [industrieterrein]
Geachte heer [voormalig wethouder 1](hof: toen wethouder VROM bij de Gemeente),
(…) Het college acht het niet zinvol om nu met familie [appellanten] verder over de vaststellingsovereenkomst te praten. (…)”
Op basis van de door u aangeleverde bescheiden en gegevens dient een vrijstellingsprocedure gevolgd te worden. Wij hebben voor de begeleiding en toetsing van deze vrijstellingsprocedure opdracht gegeven aan de Milieudienst Regio Eindhoven. Hierover is al met u contact geweest.
dat er zaken zijn aangetoond, die niet mogen gebeuren”. Daarmee gaat de Gemeente volgens het verslag aan de slag en aan [appellanten] wordt gevraagd om daarin vertrouwen te hebben. Over [industrieterrein] is opgenomen: “
Is afgehandeld. Er kan een akoestisch rapport worden opgemaakt door [appellant 1] en [appellant 2]” (hof: [appellant 1] en [appellant 2] ).
Wij vinden het jammer dat de beoordeling zo lang op zich heeft laten wachten. Dit heeft te maken met het feit dat het rapport onvoldoende informatie bevatte over de gewenste bedrijfsvoering. Uw adviseur zegde meermalen toe aanvullende gegevens aan te leveren om een goede beoordeling mogelijk te maken. In de beoordeling is aangegeven om welke gegevens het gaat.
Zoals bekend worden aan de bouwplannen in het bestemmingsplan door ons hoge eisen gesteld. Hiervoor is een aparte welstandsparagraaf in het bestemmingsplan opgenomen. Om deze reden hebben wij besloten om de reservering dan wel verkoop van een perceel te koppelen aan de kwaliteitsbeoordeling van de Welstandscommissie. Eerst nadat de Welstandsbeoordeling met een gunstige afloop heeft plaatsgevonden, zal tot verkoop kunnen worden overgegaan onder de in de concept Verkoopovereenkomst opgenomen voorwaarden.”
Daarnaast handelt de Gemeente onrechtmatig omdat van een overheidsinstantie mag worden verwacht dat zij actief bijdraagt aan het oplossen van langlopende kwesties met burgers. De Gemeente maakt bovendien inbreuk op het recht van [appellanten] om gelijk behandeld te worden, dan wel schendt de Gemeente haar wettelijke plicht zonder willekeur kwesties te behandelen, door andere voorwaarden te stellen aan [appellanten] dan aan andere ondernemingen.
De geleden en te lijden schade is de hogere grondprijs voor de kavels en de hogere bouwkosten in vergelijking met die kosten in 1997, aldus [appellanten]
IV veroordeling van de Gemeente in de werkelijke kosten van dit geding, dan wel in de proceskosten;
in reconventie:
afwijzing van de vorderingen van de Gemeente met (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.
een kavel”, maar pal daarvóór staat vermeld “
De gemeente zal de benodigde procedures opstarten om te kunnen komen tot verkaveling en uitgifte. Dit zal omstreeks oktober/november 2007 rond zijn, zodat dan kavels beschikbaar zullen komen.” Dit, gecombineerd met de daarop volgende vermelding van de achtergrond van die afspraak (“
..is dat de familie [appellanten] ondanks haar inschrijving sinds ’97 door toedoen van de gemeente ten onrechte niet in aanmerking is gekomen voor een kavel. Ter compensatie…zal de familie [appellanten] , buiten een eventuele verdelingsprocedure om, in aanmerking komen voor een kavel….”) betekent dat de Gemeente redelijkerwijs niet kon verwachten dat zij met het aanbieden van één kavel geheel van haar verplichting zou zijn gekweten en bovendien dat [appellanten] c.s er redelijkerwijs geen rekening mee behoefden te houden, dat zij bij weigering van de [straatnaam 5] kavel geen rechten meer aan dit onderdeel van de vaststellingsovereenkomst zouden kunnen ontlenen. Dat geldt te meer nu er aanwijzingen zijn dat die weigering berustte op gerechtvaardigde gronden. Tussen partijen staat vast dat het een laatste, nog niet verkocht perceel betrof, laatste van een rij, in een hoek, waarbij de voorzijde nauwelijks grensde aan de weg ( [straatnaam 5] ) en waarbij de breedte aan de achterzijde ongeveer de helft was van de breedte aan de voorzijde (prod. 4 bij cva/cve, bijlage). De architect [architect] heeft als getuige bevestigd dat de bouwschets uit 2007 niet op deze kavel paste, dat er in elk geval onvoldoende redelijke ruimte zou zijn voor de woning als de hal er eenmaal zou staan, dat de hal, gelet op de vorm van het perceel niet op de meest efficiënte manier gebouwd zou kunnen worden, dat er toegangsproblemen waren en dat, om te voldoen aan de wettelijke parkeereisen, de hal kleiner zou moeten of naar achteren geplaatst zou moeten worden wat weer tot problemen voor de woning zou leiden (proces-verbaal getuigenverhoor d.d. 1 juli 2014).
[voormalig wethouder 1] heeft als getuige verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat er, nadat [appellanten] de [straatnaam 5] kavel hadden geweigerd, door de Gemeente nog vervolgstappen zijn genomen om de vaststellingsovereenkomst uit te voeren. [voormalig wethouder 1] kan zich niet herinneren dat er vervolgens iets met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst is gebeurd totdat de Gemeente in 2009 een nieuwe burgemeester kreeg. [voormalig wethouder 1] weet nog dat de burgemeester over de communicatie tussen [appellanten] en de Gemeente zou praten met [appellanten] en dat hij, [voormalig wethouder 1] , zich zou bemoeien met de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. [voormalig wethouder 1] verklaart verder: “
Ik heb die opdracht doorgegeven maar heb daar verder geen inhoudelijke betrokkenheid meer bij gehad.”
…mochten er onduidelijkheden en/of onvolledigheden zijn, dan zal door de gemeente contact opgenomen worden met de familie [appellanten] voor aanvullende informatie.”)zich rechtstreeks tot [appellanten] had moeten wenden.
Nadat in mei 2012 de akoestische rapportage door de Gemeente was goedgekeurd, stelde de Gemeente de onder het toen geldende bestemminsplan niet meer aan de orde zijnde welstandseis (rov. 3.1.20 en 3.4.2). De architect [architect] verklaarde als getuige (proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 juli 2014) omtrent deze gang van zaken rond de akoestische rapportage en de welstandseis het volgende:
Tritium is aan de slag gegaan en heeft een rapport ingediend bij de gemeente. Vier maanden later kwam de gemeente met een waslijst aan nadere opmerkingen bij het rapport. Tritium heeft die opmerkingen verwerkt en kwam vervolgens met een tweede rapport (…) Ook nu duurde het weer een maand of vier voordat de gemeente met een inhoudelijke reactie kwam (…). Toen gingen er bij mij bellen rinkelen dat er kennelijk iets niet goed zat. Ik vond namelijk dat de reactietijd van de gemeente veel langer was dan ik was gewend en twee keer zo’n grote hoeveelheid opmerkingen was voor mij ook bijzonder. Ik vond dus dat wij maar eens met z’n allen over aan tafel moesten gaan zitten om zodanige werkafspraken te maken dat alles in elk geval binnen behoorlijke tijd zou worden afgewerkt. Ik merk hierbij op dat we normaal gesproken wat dit betreft te maken hebben met een periode van tussen de acht en twaalf weken (…) Er is toen een gesprek geweest met [appellant 1] , zijn broer (…), [beleidsambtenaar 1] van de gemeente en iemand (…) van de SRE en ikzelf. In dat gesprek hebben wij werkafspraken gemaakt (…). Iedereen heeft zich daaraan gehouden. Vervolgens verzocht de gemeente een schetsontwerp. Dat is het ontwerp waarop ook zaken als gevels en dergelijke worden getekend en is het ontwerp dat wordt getoetst aan het bestemmingsplan en eventueel geldende welstandseisen. (…) Volgens mij gold echter voor het bedrijventerrein waar de grond lag geen welstandseisen (…) Ik heb daarover contact opgenomen met de gemeente nadat ik zelf een en ander nog had gecontroleerd en de gemeente deelde mij inderdaad mee dat het schetsontwerp niet hoefde te voldoen aan welstandseisen of beeldkwaliteitseisen.”
In het oog springt onder meer dat de verantwoordelijke wethouder, geheel op de hoogte van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, op geen enkele wijze een vinger aan de pols heeft gehouden, zelfs niet nadat de burgemeester met hem in 2009 afsprak dat hij, [voormalig wethouder 1] , de feitelijke uitvoering van de vaststellingsovereenkomst zou afwikkelen. [voormalig wethouder 1] heeft dat echter aan zijn ambtenaren over gelaten, zonder te verifiëren of zij daadwerkelijk tot feitelijke uitvoering van de vaststellingsovereenkomst over gingen en zonder de voortgang te bewaken. In de periode van de akoestische rapportage heeft de gemeente er evenmin blijk van gegeven de voortgang van het proces te bewaken en heeft zij zich in strijd met de vaststellingsovereenkomst niet tot [appellanten] gewend. Enkel op initiatief van de architect [architect] heeft op enig moment een werkoverleg plaatsgevonden waarbij de gang van zaken rond de akoestische rapportage vlot is getrokken. Vervolgens heeft de Gemeente een eis gesteld (de welstandseis) die zij niet (meer) diende te stellen is heeft zij die eis pas na initiatief wederom van de architect laten vallen. De Gemeente stelt dat indien zij zich rechtstreeks tot [appellanten] had gemeld, het proces niet sneller zou zijn verlopen. Die veronderstelling ligt niet voor de hand, omdat [appellanten] dan in ieder geval hadden geweten welke informatie de Gemeente nog meer verlangde en zij daarop hadden kunnen handelen. De Gemeente heeft ook aangevoerd dat [appellanten] zelf niet naar de voortgang hebben geïnformeerd. De Gemeente lijkt hier uit het oog te verliezen dat primair op haar de verplichting rustte om contact op te nemen met [appellanten] in het geval er onduidelijkheden of onvolledigheden zouden zijn (zie de in rov. 3.1.5 en 3.4.9 aangehaalde tekst van de vaststellingsovereenkomst) en dat van de zijde van [appellanten] wel degelijk aan de bel is getrokken (door hun architect) toen het allemaal zo lang duurde.
Partijen hebben na het mediationtraject in de in 2007 gesloten vaststellingsovereenkomst opgenomen dat is geconstateerd dat de opslag op [terrein] onder het overgangsrecht valt. Een belangrijke civielrechtelijke consequentie van die afspraak is dat daarmee tussen de Gemeente en [appellanten] vast stond dat laatstgenoemden niet illegaal hun opslagbedrijf op [terrein] uitoefenden. Voorts staat vast dat, nadat partijen hadden gestreden omtrent het aantal vierkante meters dat voor de opslag beschikbaar zou mogen zijn, de Gemeente een opslag van 750 m2 voor bouwmaterialen en 1000 m2 voor grond toestond. Dat de Gemeente een andere locatie voor het opslagbedrijf
wenselijkvond en dat [appellanten] daarvoor oog hadden, maakt het uitgangspunt – de opslag valt onder het overgangsrecht dus uitganspunt is dat [appellanten] hun bedrijf daar mochten uitoefenen – niet anders.
bestuursrechtelijkgezien niet onder het overgangsrecht zou vallen, was de Gemeente na het aangaan van de vaststellingsovereenkomst civielrechtelijk verplicht om jegens [appellanten] uit te gaan van die status (opslag [terrein] valt onder overgangsrecht). De afspraak in de vaststellingsovereenkomst betekent immers (ook) dat de Gemeente niet langer betwist dat de opslag op [terrein] onder het overgangsrecht valt. Artikel 7:900 BW Pro houdt immers onder meer in dat partijen zich bij een vaststellingsovereenkomst binden ter beëindiging of voorkoming van een geschil omtrent wat tussen hen rechtens geldt. Daarom mocht de Gemeente bij de Raad van State niet de stelling innemen dat de opslag op [terrein]
nietonder het overgangsrecht viel, hetgeen zij echter wel heeft gedaan (Afdeling Bestuursrechtspraak RvS 18 april 2012. 2.13.8; prod. 4 mva). Dat was in strijd met de vaststellingsovereenkomst. Anders gezegd: of de opslag op [terrein] onder het overgangsrecht viel is een feitelijke kwestie, waarover partijen nu juist in een vaststellingsovereenkomst hadden afgesproken dát die opslag onder het overgangsrecht viel. Dat de Gemeente zich daarvan onvoldoende rekenschap gaf wordt ook geïllustreerd met de getuigenverklaring (proces-verbaal van getuigengehoor van 1 juli 2014) van [beleidsambtenaar 1] , beleidsambtenaar bij de Gemeente:
. Daar dacht echter binnen de gemeente niet iedereen hetzelfde over omdat niet iedereen van mening was dat die opslag daar bij de geldende regelgeving mocht blijven.”
zoveel mogelijk gekeken zal worden naar de toelatingsvoorwaarden die golden in 1997” ook inhoudt dat de kavel tegen het prijspeil van 1997 moest worden aangeboden, hetgeen de Gemeente gemotiveerd heeft betwist, bestaan naar het oordeel van het hof te weinig aanknopingspunten. Niettemin is naar het oordeel van het hof de mogelijkheid van schade ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van de Gemeente aannemelijk. Omdat de schadeomvang niet reeds in dit stadium kan worden vastgelegd zal het hof de Gemeente veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat.
advocaten jarenlang werkzaamheden hebben uitgevoerd om de gemeente tot actie te dwingen”. Naar het oordeel van het hof is dit, hoewel zeer summier, in dit geval als voldoende onderbouwing te kwalificeren nu uit de gedingstukken voldoende blijkt van verschillende buitengerechtelijke werkzaamheden door de advocaten van [appellanten] (zoals ook bij de feitenvaststelling is opgenomen) en zijn deze kosten als onvoldoende gemotiveerd door de Gemeente betwist toewijsbaar. Conform rapport Voorwerk II begroot het hof die kosten op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg op € 4.000,--.