Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 460292 CV EXPL 12-268)
2.Het geding in hoger beroep
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 18 september 2014 door mr. Pfeil toegezonden productie (genummerd 6), die mr. Pfeil bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
eerste grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.7 van het bestreden vonnis. De kantonrechter komt daarin tot de slotsom dat de wachtgeldaanspraak van [appellant] , gelet op het arrest van dit hof van 31 oktober 2006, beoordeeld dient te worden op grond van de WUP en niet op grond van de OUR. Volgens [appellant] is dit oordeel niet juist en dient zijn wachtgeldaanspraak te worden beoordeeld op basis van de OUR.
tweede grief in het principaal appelis gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de aanspraak van [appellant] op wachtgeld wordt beheerst door het Rijkswachtgeldbesluit 1959, versie 1 januari 1996. Volgens [appellant] moet de versie worden toegepast die in 1995 gold. In artikel 6a, lid 4 van die versie werd hetzelfde bepaald als in de OUR. In de per 1 januari 1996 geldende versie is dat niet meer het geval, aldus [appellant] .
derde grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.5.1 tot en met 3.5.3 van het bestreden vonnis. Daarin is de kantonrechter tot de slotsom gekomen dat er een verschil is tussen het moment vanaf wanneer het recht op wachtgeld op grond van artikel 4 WUP Pro ingaat en het moment vanaf wanneer [appellant] recht heeft op uitbetaling van het WUP-wachtgeld. De kantonrechter oordeelde dat het recht van [appellant] op wachtgeld op grond van artikel 4 WUP Pro ingaat met ingang van 1 januari 1996, zijnde de datum van het privatiseringsontslag. Voorts oordeelde de kantonrechter dat, nu [appellant] tussen 1 januari 1996 en 1 juni 2000 inkomsten uit dienstbetrekking heeft ontvangen, die op grond van artikel 8 van Pro het RWB 1959 op zijn wachtgeld in mindering strekken, hij met ingang van 1 juni 2000 recht heeft op uitbetaling van wachtgeld.
vierde grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.6.1 tot en met 3.6.10 van het bestreden vonnis. Daarin oordeelt de kantonrechter dat [appellant] met ingang van 1 januari 1996 gedurende 9 jaar, 8 maanden en 27 dagen recht heeft op wachtgeld en dat Vesteda aan hem wachtgeld dient te betalen over de periode 1 juni 2000 tot en met 27 september 2005.
vijfde grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.7.1 en 3.7.2 van het bestreden vonnis. Daarin verwerpt de kantonrechter het standpunt van [appellant] dat hij op grond van artikel 7a OUR aanspraak kan maken op een verlengde uitkering tot de leeftijd van 65 jaar. Ingevolge artikel 3a WUP wordt het wachtgeld, zo oordeelt de kantonrechter, uitsluitend vastgesteld met toepassing van artikel 6a RWB 1959. Geoordeeld wordt dat 27 september 2005 de laatste dag is waarop door [appellant] aanspraak kan worden gemaakt op wachtgeld.
zesde grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.8.1 en 3.8.2 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter oordeelt dat, aangezien Vesteda alleen over de periode 1 juni 2000 tot en met 27 september 2005 wachtgeld moet betalen, het wachtgeld inmiddels 70% van de bezoldiging bedraagt.
zevende grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.9.1 tot en met 3.9.9 van het bestreden vonnis. Daarin oordeelt de kantonrechter dat de door [appellant] ontvangen uitkeringen op grond van de WW en wegens de ontbinding van de arbeidsovereenkomst moeten worden verrekend met het wachtgeld.
bovenopwachtgeld heeft willen toekennen, omdat anders het door deze in de ontbindingsbeschikking (zie r.o. 3.1.6) aangebrachte verschil tussen een vergoeding met en zonder wachtgeld onbegrijpelijk is.
in het incidenteel appel opgeworpen griefis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.10.1 tot en met 3.10.6 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de kantonrechter (onder meer) geoordeeld dat voor (gehele of gedeeltelijke) afwijzing van de vordering tot betaling van wettelijke rente of tot matiging daarvan op grond van artikel 6:109 BW Pro vanwege de door Vesteda aangevoerde reden, geen aanleiding is.
achtste grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.12.1 tot en met 3.12.4 van het bestreden vonnis. Daarin oordeelt de kantonrechter dat de vordering van [appellant] ter zake fiscale schade uit twee onderdelen bestaat:
negende grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.13.1 tot en met 3.13.3 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de kantonrechter de schadepost, die betrekking heeft op de kosten die [appellant] stelt te hebben gemaakt in het kader van alle procedures die hij heeft gevoerd om zijn wachtgeldaanspraak erkend te krijgen, afgewezen. Het gaat hier om tien civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures tegen Vesteda/USZO/Stichting Pensioenfonds ABP (zie bijlage 12 bij de schadestaat).
alleprocedures waarbij hij was betrokken (zie voornoemde bijlage 12 bij de schadestaat), blijkt niet. Het is inderdaad in de gegeven omstandigheden, zoals de kantonrechter overweegt, discutabel of een directe betaling van WUP-wachtgeld door Vesteda tot gevolg zou hebben gehad dat alle overige procedures niet zouden zijn gevoerd. Wat betreft de procedures tegen Vesteda geldt bovendien dat de vordering ter zake deze schadepost in strijd is met artikel 6:96 BW Pro juncto artikel 241 Rv Pro. Het arrest van dit hof van 31 oktober 2006, waarin Vesteda werd veroordeeld de door [appellant] geleden schade als gevolg van de niet-betaling door Vesteda van het WUP-wachtgeld, te vergoeden, maakt dat niet anders. Ten slotte overweegt het hof dat [appellant] , in het licht van het verweer van Vesteda, ook in hoger beroep de schadepost niet toereikend heeft onderbouwd.
tiende grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.14.1 tot en met 3.14.3 van het bestreden vonnis. Daarin oordeelt de kantonrechter dat de vordering van [appellant] die betrekking heeft op de schade die hij stelt te hebben geleden door de afkoop van lijfrentes, niet toewijsbaar is.
elfde grief in het principaal appelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.15.1 tot en met 3.15.4. Daarin oordeelt de kantonrechter omtrent de vorderingen van [appellant] die betrekking hebben op de rechtsbijstandkosten die hij stelt te hebben moeten maken door het voeren van procedures omdat Vesteda heeft nagelaten wachtgeld te betalen.
twaalfde grief in het principaal appelis gericht tegen rechtsoverweging 3.17 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] noch bij dagvaarding noch bij conclusie van repliek een toelichting heeft gegeven op de negende schadepost, zodat dit deel van de vordering bij gebrek aan onderbouwing wordt afgewezen.