Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
[appellante] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
9.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenarrest van 26 augustus 2014 en de daarin genoemde stukken. In dit arrest heeft het hof de incidentele vordering van appellanten ex artikel 843a Rv afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten van het incident;
- de memorie van antwoord met producties A t/m H;
- de akte van appellanten;
- de antwoordakte van geïntimeerde;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de door appellanten bij het pleidooi bij akte overgelegde producties 18 t/m 20.
10.De gronden van het hoger beroep
11.De beoordeling
- De lening van de ouders aan de zoon is achtergesteld bij de lening van Reaal aan de zoon. Daarbij is bepaald dat de akte van achterstelling die door de ouders en de zoon is ondertekend op 26 december 2008 en door Reaal
- Aflossingen op de lening van de ouders moeten voldoen aan de voorwaarden van de akte van achterstelling. Voorts gelden voor aflossingen, voor zover hier van belang, de volgende voorwaarden:
- uiterlijk vanaf 1 januari 2012 is de zoon verplicht om maandelijks 1/84 deel van het dan resterende deel van de hoofdsom van de lening af te lossen;
- optioneel kan worden afgelost door middel van schenkingen van de ouders aan de zoon die niet contant worden gedaan, maar als (gedeeltelijke) kwijtschelding in mindering worden gebracht op (restant)hoofdsom van de lening (artikel 5).
- De lening van de ouders moet in principe uiterlijk op 1 januari 2019 worden afgelost. Zolang de achterstelling van de lening van de ouders nog van kracht is en voortduurt, is de (restant)hoofdsom van de lening van de ouders echter niet opeisbaar (artikel 6).
- Over de (restant)hoofdsom van de lening van de ouders is de zoon een rente van 6% per jaar verschuldigd, te voldoen in maandelijkse termijnen (artikel 4).
de vorderingen (met rente) pas opeisbaar zullen zijn en de voldoening van de vorderingen, waaronder begrepen de eventuele periodieke rente- en aflossingsverplichtingen, behoudens schriftelijke toestemming van REAAL eerst zal mogen plaats hebben wanneer [de zoon] al hetgeen hij aan REAAL, uit welken hoofde ook, al of niet in rekening-courant en al of niet in het gewone bankverkeer, schuldig mocht zijn, zal hebben voldaan. Ten aanzien van de aflossing stelt REAAL zich bereid daar jaarlijks vooraf, in overleg met [de zoon] een besluit over te willen nemen;
- de zoon niet mag aflossen op de lening van de ouders, en;
- de vordering van de ouders strekkende tot betaling van de in de geldleningsovereenkomst(en) overeengekomen aflossingstermijnen niet opeisbaar is.
‘op ….januari 2009’. In het licht hiervan hebben de ouders onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat partijen de bedoeling hadden om te verwijzen naar de tussen hen gesloten achterstellingsakte ook als Reaal niet met de inhoud van die akte kon instemmen.
daarnaniet hebben geverifieerd of deze mededeling van Reaal afkomstig was (zo blijkt uit de verklaring van de vader tijdens het pleidooi) terwijl dat gelet op de hele gang van zaken wel van hen had mogen worden verwacht. Dit wordt niet anders doordat mevrouw [vertegenwoordiger Reaal 1] eerder, op 12 januari 2009, tegen de vader zou hebben gezegd, zoals hij tijdens het pleidooi heeft verklaard, dat
‘als alles zou lopen zoals partijen hoopten er toestemming zou kunnen worden gegeven, maar wanneer er een kink in de kabel zou komen dan zouden de regels in de akte staan. Reaal wilde die mogelijkheid behouden.’Deze beweerdelijke mededeling van mevrouw [vertegenwoordiger Reaal 1] past immers bij de bepaling in de achterstellingsakte van 29 januari 2009 dat Reaal bereid is om over aflossingen jaarlijks vooraf een besluit te willen nemen.
‘Rente is 6%’en waarbij als bijlage een concept van de koopovereenkomst is gevoegd waarin de rente van 6% per jaar staat vermeld (prod. 15 zijdens de ouders in eerste aanleg).
‘in de richting van Reaal is gehanteerd’. Deze verklaring van de ouders biedt, in samenhang bezien met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, steun aan de stelling van de zoon dat partijen geprobeerd hebben om Reaal te misleiden en om het aflosverbod te omzeilen. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat als onbetwist vaststaat dat partijen Reaal niet in kennis hebben gesteld van de geldleningsovereenkomst waarin de rente van 8% staat vermeld.