Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 767570/CV/13-1528)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi op 28 mei 2015, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
Op zich is het maaibeleid, zoals het waterschap voert, gebruikelijk binnen de waterschapswereld. Dit brengt onvermijdelijk periodes met zich mee dat er bepaalde perioden veel begroeiing in de sloot staat. Als gevolg daarvan is de dimensionering en doorstroomcapaciteit van dergelijke vol gegroeide sloten in meer of mindere mate beperkt. En dus is het ontegenzeggelijk dat de afvoercapaciteit in die perioden niet maximaal kan worden benut. (…)”
“groot onderhoud lange tijd achterwege was gebleven”.[appellant] heeft dit echter niet geconcretiseerd noch nader onderbouwd en evenmin betwist dat, zoals het Waterschap heeft gesteld, voor groot onderhoud een onderhoudscyclus van één maal in de zeven jaar wordt gehanteerd, dat dat voldoende is en dat in dat kader de [waterweg] in 2008 nog is uitgebaggerd. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te stellen dat het Waterschap in strijd met haar zorgverplichting onvoldoende groot onderhoud had gepleegd, is die stelling naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd.
dat het Waterschap niet heeft gemaaid”.
“De [waterweg] was niet gemaaid”), althans hebben zij niet verklaard dat het Waterschap in juni 2010 niet heeft gemaaid.
meer in zich had dan normaal in augustus”(hof: kennelijk wordt bedoeld meer water), maar dat het waterpeil in de [waterweg] normaal was. Ook [appellant] heeft op die zitting verklaard dat het waterpeil in de [waterweg] niet ongewoon hoog was. In hoger beroep heeft [appellant] benadrukt dat hij het waterpeil in de [waterweg] toen niet gemeten heeft en niet weet of het peil toen conform het streefpeil was, maar kennelijk heeft [appellant] voorafgaand aan de hevige neerslag van 26 en 27 augustus 2010 een niet ongewone waterstand in de [waterweg] waargenomen. Verder kan het hof op de door [appellant] overgelegde foto’s van de meetlat van de stuw bij de [straatnaam 2] niet waarnemen dat dat streefpeil langdurig of regelmatig zou zijn overschreden. Het Waterschap heeft in dit verband nog gewezen op het rapport van de deskundige [deskundige] van 17 mei 2013, p. 6, waarin [deskundige] schrijft dat zowel zijn inspectie ter plaatse alsmede de laatste, door [appellant] als productie 2 overgelegde foto, juist aantoont dat de hoogste waterstand achter de stuw veelal op 7,40 meter + NAP (met een afwijking van circa 6 cm) wordt gehandhaafd. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] , in het licht van de gemotiveerde betwisting door het Waterschap, onvoldoende onderbouwd dat voorafgaande aan voormelde neerslag sprake was van een ongebruikelijk hoog peil in de [waterweg] , zodat het hof daar niet van uit gaat.