Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[de man] en [de vrouw],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 237610 HAZA 11-1546)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
VMBS weerspreekt daarnaast nadrukkelijk dat zij op het moment van betaling een privé faillissement van [de voormalig echtgenoten] of een tekort daarin voorzag of kon voorzien of dat VMBS en [de voormalig echtgenoten] zouden hebben samengespannen. VMBS achtte de kans groot dat het verstekvonnis in verzet ongedaan gemaakt kon worden. Daarbij had [curator 2] op basis van het verstekvonnis (slechts) een vordering van € 90.690,58 op [de voormalig echtgenoten], waarvoor ook andere partijen hoofdelijk aansprakelijk waren. De bank had toegezegd [de voormalig echtgenoten] niet te zullen aanspreken voor een restschuld nadat het onroerend goed zou zijn verkocht. Andere mogelijke schuldeisers waren VMBS niet bekend. Dat [de voormalig echtgenoten] in privé de declaraties van VMBS niet konden voldoen werd veroorzaakt door de door [curator 2] gelegde beslagen. Zodra de beslagen nietig verklaard werden konden [de voormalig echtgenoten] weer over hun tegoeden beschikken en zij konden VMBS voldoen onder meer om VMBS in de gelegenheid te stellen verzet in te stellen tegen het verstekvonnis, aldus (nog steeds) VMBS.