3.2.1In dit hoger beroep kan – voor zover relevant - worden uitgegaan van de volgende feiten.
[appellant] heeft een systeem ontwikkeld waarmee de verlichting en de temperatuur in winkelruimtes kan worden aangestuurd. Dit gebouwbeheersysteem (verder te noemen “GBS”) kan bijdragen aan een besparing van energie en kan automatisch meldingen geven van storingen en onderhoud. [appellant] heeft dit systeem verkocht aan de winkelketen Lidl, die opdracht heeft gegeven tot plaatsing van deze systemen in haar filialen in Nederland. Voor de feitelijke installatiewerkzaamheden heeft [appellant] MBE benaderd. Nadat MBE bij e-mail van 11 november 2010 een offerte had uitgebracht, zijn partijen op 10 of 15 februari 2011 een overeenkomst aangegaan waarbij [appellant] MBE opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van GBS systemen in 341 filialen tegen een aanneemsom van € 286.200,= exclusief BTW.
Blijkens de tussen partijen in de opdrachtbevestiging van 15 februari 2011 neergelegde overeenkomst hebben zij afgesproken dat MBE voor [appellant] werkzaamheden zou gaan uitvoeren als omschreven in die opdrachtbevestiging en de daarbij gevoegde bijlage onder het hoofd “Projectbeschrijving GebouwBeheersSysteem (GBS / GLT) (CvA, prod. 1). Omtrent de uitvoering, oplevering en afrekening van de werkzaamheden vermeldt de opdrachtbevestiging de navolgende regels:
“De montage werkzaamheden houden het volgende in,
Voor het bekabelen en bedrijfsklaar opleveren van een KX installatie, (…)
Voor het bekabelen en bedrijfsklaar opleveren van een FD installatie, (…)
De montage zal geheel volgens,
NEN 1010; Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties (ontwerp);
NEN 3140; Veiligheidseisen voor laagspanningsinstallaties (gebruik);
ARBO; Arbeidsomstandighedenbesluit/AL-bladen.
De standaard materialen zullen door EBA worden aangeleverd, op boven genoemde adres. (extra materialen zullen apart worden aangegeven)
De totale aanneemsom is 204 x FD en 137 x KX (zie bijlage) € 286.200 excl. Btw.
Facturen zal wekelijks gebeuren met opleverbonnen van de gefactureerde winkels.
Betalingstermijn is 30 dagen.
De laatste 10% zal betaalt worden na dat de gehele installatie getest is via het netwerk.
De test zal binnen de betalingstermijn gebeuren.
Bij gebreke of niet correct uitvoeren van boven genoemde installatie zal een hersteltermijn van 7 dagen worden aangehouden.
Tevens zal de planning aangehouden moeten worden, zonder getekende bonnen van winkels met redenen van vertraging zal er niet van de eind datum mogen afgeweken worden. (zie bijlage)
Wordt hier niet aan gehouden zal deze door derde worden opgelost/ uitgevoerd en de koste is voor aannemer boven genoemd.”
MBE heeft vervolgens in de periode van 15 februari 2011 tot juni 2011 in een groot aantal filialen van Lidl installatiewerkzaamheden uitgevoerd, waarvoor [appellant] bij wijze van voorschotten in totaal € 255.000,= heeft betaald. Bij factuur van 28 juni 2011 heeft MBE een bedrag van € 299.950,= in rekening gebracht bij de besloten vennootschap EBA B.V., te verminderen met hetgeen bij wijze van voorschotten reeds was voldaan. Het oordeel van de rechtbank dat [appellant] in persoon als opdrachtgever heeft te gelden (r.o. 3.1 tot en met 3.4 van het vonnis van 24 juli 2013) wordt in hoger beroep niet bestreden, zodat aangenomen moet worden dat [appellant] als wederpartij van MBE gehouden was tot betaling van de overeengekomen aanneemsom.
In juni 2011 is tussen partijen een geschil gerezen omtrent de aanlevering van benodigde materialen. Vervolgens is tevens discussie ontstaan over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden, over de wijze waarop de werkzaamheden waren opgeleverd en over de betaling.
Bij brief van 9 september 2011 (prod. 16 bij inleidende dagvaarding) sommeert [appellant] MBE om in overleg met [appellant] binnen 7 dagen over te gaan tot herstel van “de geconstateerde gebreken”. MBE reageert daarop bij brief, waarna [appellant] nogmaals sommeert tot het uitvoeren van herstelwerk bij brief van 21 september 2011 (prod. 18 bij inleidende dagvaarding). Bij brief van mr. Kloots d.d. 5 oktober 2011 neemt MBE het standpunt in dat zij tot medio juli 2011 alle klachten van de zijde van [appellant] heeft verholpen, dat zij de verlangde herstelwerkzaamheden, voor zover reëel, wel wil beoordelen en uitvoeren, maar dat [appellant] dan betalingen dient te verrichten. Daarop reageert [appellant] bij brief van zijn raadsman d.d. 25 oktober 2011 (inleidende dagvaarding prod. 20), waarin deze MBE sommeert om binnen veertien dagen de geplaatste systemen op te leveren, bij gebreke waarvan [appellant] aankondigt de tussen partijen gesloten overeenkomst te zullen ontbinden. MBE doet vervolgens bij brief van 5 november 2011 (inleidende dagvaarding prod 21) onder meer een voorstel ter zake de oplevering aan [appellant]. Voorts biedt MBE aan de nog niet voltooide installaties af te maken na levering van de daartoe benodigde materialen en sommeert MBE [appellant] om bestaande storingen en hun oorzaak binnen één week aan haar te melden. [appellant] verwerpt vervolgens in een brief van zijn raadsman d.d. 14 november 2011 (inleidende dagvaarding, prod. 22) de door MBE voorgestelde opleveringsprocedures en ontbindt daarbij tevens de tussen partijen bestaande overeenkomst.
3.2.2.In de onderhavige procedure vordert MBE voor zover nog van belang in conventie van [appellant], zakelijk weergegeven, betaling van het onbetaald gebleven deel van de aanneemsom en gedeeltelijke betaling van meerwerkfacturen, alles vermeerderd met rente, buitengerechtelijke en proceskosten en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Voor een nadere omschrijving van de vorderingen en hetgeen MBE daaraan ten grondslag legt zij verwezen naar de rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.6 van het vonnis van 23 juli 2013.
3.2.5.[appellant] heeft in hoger beroep geen grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis. Dat brengt met zich mee dat hij niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, voor zover dit blijkens de dagvaarding in appel ook is gericht tegen dit tussenvonnis.
[appellant] heeft tegen het eindvonnis van 24 juli 2013 vijftien grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen, tot afwijzing van de vorderingen in conventie en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, zoals vermeerderd of gewijzigd bij memorie van grieven.
3.3.1.Het hof zal eerst de grieven in het appel zijdens [appellant] behandelen. De grieven I tot en met VI beogen, zo begrijpt het hof, het oordeel van de rechtbank aan te vechten dat geen gronden hebben bestaan om de tussen partijen gesloten overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Het hof zal deze grieven – gelet op hun onderlinge samenhang – tezamen behandelen.
3.3.2.Als onweersproken staat vast dat MBE uitvoering is gaan geven aan de opdracht. Voorts staat vast dat daarbij niet de planning in acht is genomen zoals was voorzien in de opdrachtbevestiging. MBE heeft in elk geval vanaf medio februari 2011 niet wekelijks gefactureerd en evenmin is in rechte komen vast te staan dat MBE de werkzaamheden volgens de bij de overeenkomst gevoegde planning (filiaallijst, bijlage bij de opdracht-bevestiging en onderdeel van prod. 1 bij CvA) heeft uitgevoerd en wekelijks heeft opgeleverd. Evenmin is echter in rechte komen vast te staan dat [appellant] tegen de feitelijke gang van zaken bezwaar heeft gemaakt of MBE in de periode van uitvoering van de werkzaamheden ooit heeft gemaand om de afgesproken planning aan te houden. Blijkens de stukken in eerste aanleg, meer in het bijzonder productie 10 bij dagvaarding, is [appellant] pas eind juli 2011 bezwaar gaan maken over de wijze van opleveren en factureren, nadat MBE eind juni 2011 had gefactureerd (28 juni 2011, productie 4 CvA) en een tweetal ordners met bonnen betreffende de uitgevoerde werkzaamheden aan [appellant] had doen toekomen.
3.3.3.Een eerste ingebrekestelling van MBE vindt vervolgens plaats bij brief van de accountant van [appellant] d.d. 9 september 2011 (dv1, prod. 16). In deze brief betwist [appellant] het beroep van MBE op opschorting van haar werkzaamheden in afwachting van de betaling van (een) meerwerknota(‘s) en sommeert [appellant] MBE om binnen zeven dagen over te gaan tot herstel van “de geconstateerde gebreken”, overigens zonder nader te omschrijven welke werkzaamheden op welke locatie of locaties het betreft.
3.3.4.Bij brief van zijn accountant d.d. 21 september 2011 (inleidende dagvaarding productie 18) herhaalt [appellant] de ingebrekestelling, waarbij dit keer wel concrete werkzaamheden worden genoemd:
“het herstellen van alle winkels waarvan de foto’s nu al enige weken oud zijn en die niet volgens de NEN-normen gemaakt zijn,
Kabels door roosters / luchtkanalen;
Losse bekabeling op plafond;
Losse bekabeling in kast;
Losse bekabeling aan voelers;
Losse bekabeling aan GBS kast;
Soepele bekabeling in MK zonder adereindhulzen;
Open kabeldozen;
Lassen in MK enz. enz.”
Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden geeft [appellant] MBE in deze brief een termijn van veertien dagen. Noch deze ingebrekestelling, noch de bij brief van 9 september 2011 gedane sommatie leiden tot een ontbindingsverklaring. Vervolgens vindt dan de verdere briefwisseling plaats zoals hiervoor omschreven onder 3.2.1.