ECLI:NL:GHSHE:2013:3790

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 juni 2013
Publicatiedatum
19 augustus 2013
Zaaknummer
20-004110-11
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 225 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel oplichting en valsheid in geschrift

De veroordeelde werd bij arrest van het hof op 29 mei 2009 veroordeeld voor grootschalige oplichting en valsheid in geschrift, waarbij hij time-share-eigenaren benadeelde en valse documenten gebruikte voor hypothecaire geldleningen. De rechtbank Roermond stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €452.683 en legde de verplichting tot betaling aan de Staat op. De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.

In hoger beroep onderzocht het hof de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof nam het proces-verbaal van bevindingen van de politie als uitgangspunt, waaruit bleek dat gedurende de onderzoeksperiode ruim €548.000 op zeven bankrekeningen van de veroordeelde was gestort, afkomstig van drie groepen benadeelden, waaronder personen die geen aangifte hadden gedaan. Het hof oordeelde dat ook deze derde groep bij de voordeelschatting betrokken moet worden, omdat de stortingen direct contant werden opgenomen en geen legale inkomstenbron aanwezig was.

Na aftrek van aannemelijk gemaakte kosten van ruim €23.000 en een in rechte toegekende vordering van €72.086 van een benadeelde derde, stelde het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €452.683. De betalingsverplichting werd aan de veroordeelde opgelegd, ondanks betwisting van draagkracht, omdat geen bewijs van onvermogen was geleverd. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht met deze vaststelling en verplichting.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €452.683 en legt de betalingsverplichting aan de veroordeelde op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-004110-11 OWV
Uitspraak : 7 juni 2013
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 26 oktober 2011 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 04/610117-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1966,
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij uitspraak waarvan beroep heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op EUR 452.683,00 en heeft aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de uitspraak van de rechtbank zal bevestigen.
Uitspraak waarvan beroep
De uitspraak zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Veroordeling wegens een strafbaar feit
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 29 mei 2009 onder parketnummer 20-003315-08 veroordeeld tot straf ter zake van:
  • de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 primair telkens: “oplichting, meermalen gepleegd”; en
  • feit 6: “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”; en
  • feit 7: “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”; en
  • feit 8: gewoontewitwassen.
Feitomschrijving
Veroordeelde heeft zich gedurende een lange periode op grote schaal bezig gehouden met het oplichten van time-share-eigenaren. Hierbij werden schriftelijke bescheiden valselijk opgemaakt en gebruikt en werden sommen geld verkregen en witgewassen.
Naast de hiervoor genoemde oplichtingen werden door veroordeelde valse documenten opgemaakt zoals salarisstroken, werkgeversverklaringen en arbeidsovereenkomsten. Deze valse bescheiden werden vervolgens door veroordeelde gebruikt bij de verkrijging van hypothecaire geldleningen bij een hypotheekverstrekker.
Standpunten openbaar ministerie en verdediging
Met betrekking tot de benadeelden van veroordeelde zijn er in het dossier – kort gezegd – drie groepen te onderscheiden.
De eerste groep betreft de benadeelden die aangifte hebben gedaan en waarvoor veroordeelde is vervolgd en veroordeeld.
De tweede groep betreft benadeelden die wel aangifte hebben gedaan maar waarvoor de veroordeelde niet is vervolgd en veroordeeld.
De derde groep bestaat uit betrokkenen waarvan geen aangifte in het dossier is opgenomen.
Tussen de verdediging en het openbaar ministerie is geen twistpunt dat veroordeelde door de benadelingen van de eerste twee groepen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e eerste lid Wetboek van Strafrecht (groep 1) respectievelijk artikel 36e tweede lid Wetboek van Strafrecht (groep 2).
De advocaat-generaal en de verdediging verschillen van inzicht over de vraag of de derde groep voor veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft opgeleverd voor veroordeelde.
De advocaat-generaal heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard en zich op het standpunt gesteld dat ook deze groep wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde heeft opgeleverd en op de voet van artikel 36e tweede lid Wetboek van Strafrecht bij de voordeelschatting dient te worden betrokken.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze derde groep niet bij de voordeelsberekening kan worden betrokken.
Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat niet is vastgesteld dat de personen uit deze groep daadwerkelijk zijn benadeeld nu sommigen hebben aangegeven zich niet benadeeld te hebben gevoeld en anderen hebben geweigerd aangifte tegen veroordeelde te doen.
Oordeel van het hof [1] .
Het hof neemt voor de beoordeling van de vraag of de in geschil zijnde derde groep in de voordeelsberekening dient te worden betrokken tot uitgangspunt hetgeen omtrent de voordeelsberekening is gerelateerd in het proces-verbaal bevindingen zoals dat op 24 juni 2009 door verbalisanten[naam] en [naam] van de regiopolitie Limburg-Noord, bureau financiële ondersteuning is opgemaakt.
Uit dat proces-verbaal van bevindingen blijkt ondermeer van het navolgende.
Veroordeelde heeft in de onderzoeksperiode 23 augustus 2002 tot en met 20 november 2007, 7 verschillende bankrekeningen op zijn naam gehad en op die rekeningen is in de genoemde periode een totaalbedrag van EUR 548.088,29 gestort. [2] Deze stortingen zijn gedaan door benadeelden uit de hiervoor genoemde groepen 1 en 2 maar ook door personen uit groep 3.
Voormeld totaalbedrag is exclusief de gestorte bedragen waaraan een legale status kon worden toegekend zoals salaris uit de tijd dat veroordeelde in Tenerife werkte en gelden die afkomstig waren uit de verkoop van een auto. [3]
Als een geldbedrag door een benadeelde werd gestort, werd dit na bijschrijving onmiddellijk door veroordeelde contant van de betreffende bankrekeningen opgenomen. Dit gebeurde meestal nog dezelfde dag als welke het betreffende geldbedrag op de bankrekening was bijgeschreven. [4]
In de onderzoeksperiode waarin veroordeelde de bedragen op zijn bankrekeningen bijgeschreven heeft gekregen, had hij in het geheel geen legaal inkomen waardoor dit geen bron voor de bijgeschreven gelden kan zijn geweest. [5]
Over de herkomst van de gestorte bedragen heeft veroordeelde verklaard dat hij alle personen die uit het dossier naar voren komen en verklaren dat zij op een valse manier door hem om de tuin zijn geleid, inderdaad heeft opgelicht (hof: proces-verbaal ter terechtzitting in strafzaak in hoger beroep op 15 mei 2009).
Uit vorenstaande omstandigheden volgt dat er in de onderzoeksperiode op verschillende buitenlandse rekeningen op naam van veroordeelde een groot geldbedrag is bijgeschreven. Verdachte’s handelen kende ten aanzien van elke storting eenzelfde patroon doordat hij de bedragen na bijstorting direct contant opnam. Een legale herkomst van de gestorte gelden was evenmin aan te wijzen.
Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof het met de bevindingen in opgemeld proces-verbaal en met de advocaat-generaal eens dat het totale in de onderzoeksperiode gestorte geldbedrag als door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel dient te worden aangemerkt.
Daarbij is niet relevant uit welke van de drie groepen van benadeelden de afzonderlijke geldstortingen werden gedaan nu veroordeelde bij de opnamen daarin ook geen onderscheid heeft gemaakt en evenmin in zijn hiervoor weergegeven verklaring dit onderscheid heeft aangebracht.
Anders dan de raadsman is het hof derhalve van oordeel dat ook de stortingen door de derde groep personen als soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, in de voordeelsberekening dienen te worden betrokken.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Geschat voordeel
Opbrengsten
Gelet op het vorenstaande ontleent het hof aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten en soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan een voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e derde lid Wetboek van Strafrecht.
Voor de vaststelling van het geschatte voordeel neemt het hof met de rechtbank over hetgeen daaromtrent is neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen. [6]
Dit leidt tot de navolgende voordeelschatting:
Stortingen:
Bank en rekeningnummer
BBVA [rekeningnummer] EUR 160.252,44
Fortis [rekeningnummer] EUR 108.418,06
Kreissparkasse Heinsberg[rekeningnummer] EUR 64.474,64
KBC [rekeningnummer] EUR 52.196,02
Postbank [rekeningnummer] EUR 149.714,96
Fortis [rekeningnummer] EUR 12.732,17
ING (Belgie) [rekeningnummer] EUR 300,--
TOTAAL EUR 548.088,29
Kosten
Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door de veroordeelde naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten.
Voor de vaststelling van de kosten die in mindering dienen te strekken op voormeld voordeel neemt het hof met de rechtbank over hetgeen daaromtrent is neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen. [7]
Dit leidt tot het navolgende kostenoverzicht:
  • zakelijke telefoonkosten EUR 8.000,-
  • opname- en bankkosten EUR 2.518,95
  • porto- en administratiekosten EUR 12.800,-
_____________ +
Totaal: EUR 23.318,95
Met de advocaat-generaal en de rechtbank stelt het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vast op (EUR 548.088,29 – EUR 23.318,95=) EUR 524.769,34.
Vordering benadeelde derde [naam].
Op voormeld vastgesteld wederrechtelijk verkregen voordeel strekt op de voet van artikel 36e, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht in mindering een in rechte toegekende vordering van de benadeelde derde Van Vliet ten bedrage van EUR 72.086,-.
Vaststelling hoogte wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het vorengaande volgt dat het hof als wederrechtelijk verkregen vermogen vaststelt een bedrag van (EUR 524.769,34 – EUR 72.086,- =) EUR 452.683,34 welk bedrag door het hof wordt afgerond op EUR 452.683,-.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft betoogd dat de betalingsverplichting op nihil dient te worden vastgesteld vanwege het ontbreken van draagkracht aan de zijde van veroordeelde. De raadsman heeft ter onderbouwing daarvan belastingaanslagen overgelegd die veroordeelde ter zake de onderhavige kwestie heeft ontvangen.
Anders dan de raadsman heeft betoogd is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting op voorhand niet aannemelijk geworden dat veroordeelde thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Het hof betrekt daarbij dat niet is gebleken dat de overgelegde belastingaanslagen onherroepelijk zijn en dat veroordeelde daarop enige betaling heeft verricht.
Ook voor het overige is het hof niet gebleken van omstandigheden die tot matiging van de op te leggen betalingsverplichting aanleiding geven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
EUR 452.683,00 (vierhonderdtweeënvijftigduizend zeshonderddrieëntachtig euro).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
EUR 452.683,00 (vierhonderdtweeënvijftigduizend zeshonderddrieëntachtig euro).
Aldus gewezen door
mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 7 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Algemeen: de hierna opgenomen verwijzingen zijn allemaal afkomstig uit het proces-verbaal van bevindingen SFO van het Bureau Financiële Ondersteuning op 24 juni 2009 op ambtseed opgemaakt door [naam], inspecteur-rechercheur van politie, doorgenummerde dossierpagina’s, doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 81
2.doorgenummerde dossierpagina 40.
3.doorgenummerde dossierpagina 22.
4.doorgenummerde dossierpagina 22.
5.doorgenummerde dossierpagina’s 29/30.
6.Doorgenummerde dossierpagina 40.
7.Doorgenummerde dossierpagina 40.