ECLI:NL:GHSHE:2013:3031

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
12 juli 2013
Zaaknummer
12-00685
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake belastingaanslag en heffingsrente voor grensarbeider

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda. De belanghebbende, die in 2005 in België werkte en in Nederland woonde, had recht op een bijzondere compensatieregeling op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België. De Rechtbank had de aanslag in de inkomstenbelasting en de beschikking heffingsrente verlaagd, maar de inspecteur was het hier niet mee eens en stelde dat de berekening van de bijzondere compensatie correct was. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank een kennelijke misslag had gemaakt in de berekening van de heffingskorting en dat de inspecteur de aanslag correct had vastgesteld. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de aanslag verlaagde en stelde deze vast op het bedrag dat de inspecteur had berekend. Ook werd de veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van de belanghebbende ongedaan gemaakt. Het Hof concludeerde dat de belanghebbende geen recht had op vergoeding van de proceskosten, omdat de inspecteur tijdig had gereageerd op de bezwaren van de belanghebbende. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd en de aanslag werd gehandhaafd zoals deze na ambtshalve vermindering was vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 12/00685
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst
hierna: de Inspecteur
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 17 september 2012, nummer AWB 12/39 in het geding tussen
[belanghebbende],wonende te [woonplaats],
hierna: belanghebbende,
en
de Inspecteur,
inzake de hierna te noemen aanslag en de beschikking heffingsrente.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een in één geschrift vervatte aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.695 (hierna: de aanslag), alsmede een beschikking heffingsrente, welke aanslag en beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een te betalen bedrag van € 2.828, de beschikking heffingsrente verminderd tot een te betalen bedrag van € 265, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ten bedrage van € 437 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.
1.3.
Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Onder toepassing van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende nadere stukken ingediend, welke stukken in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.
1.5.
De zitting heeft plaatsgehad op 23 mei 2013 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heer [A] en de heer [B]. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.6.
Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.
2.1.
Belanghebbende woonde het gehele onderhavige jaar in Nederland en was in dienstbetrekking werkzaam in België. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Belastingheffing over het inkomen uit de Belgische dienstbetrekking is op grond van artikel 15 van het Belastingverdrag tussen Nederland en België van 5 juni 2001 (hierna: het Verdrag) aan België toegewezen. Belanghebbende is in België sociaal verzekerd. Belanghebbende is grensarbeider in de zin van artikel 27 van het Verdrag.
2.2.
Met dagtekening 15 januari 2008 heeft belanghebbende een voorlopige teruggaaf IB/PVV voor het jaar 2008 ontvangen van € 7.665. In deze voorlopige teruggaaf is rekening gehouden met de vermoedelijke aanspraak van belanghebbende op de compensatieregeling voor grensarbeiders van artikel 27 van het Verdrag.
2.3.
In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2008 heeft belanghebbende een belastbaar loon uit de Belgische dienstbetrekking aangegeven van € 35.057 en een negatief inkomen uit eigen woning van € 2.990. In de aangifte heeft belanghebbende aangegeven recht te hebben op de algemene compensatieregeling voor grensarbeiders ingevolge artikel 27 van het Verdrag. Belanghebbende heeft in dit kader een bedrag van € 8.231 aan ingehouden Belgische personenbelasting met opcentiemen opgegeven.
2.4.
De Inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft een belastbaar (Belgisch) loon in aanmerking genomen van € 40.047. Voor de berekening van de algemene compensatieregeling heeft de Inspecteur rekening gehouden met een bedrag aan Belgische personenbelasting met opcentiemen van € 6.523. De Inspecteur heeft de teruggaaf op grond van de algemene compensatieregeling vervolgens berekend op nihil. Dit had tot gevolg dat bij de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 de gehele eerder ontvangen voorlopige teruggaaf van € 7.665 moest worden terugbetaald. De daarbij bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente bedroeg € 568. Belanghebbende heeft op 24 oktober 2011 bezwaar ingediend tegen de aanslag. Bij schrijven van 9 november 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voorlopig oordeel betreffende het bezwaar met het verzoek aan belanghebbende te reageren indien hij het met dit voornemen niet eens is. Aangezien belanghebbende niet meer heeft gereageerd binnen de door de Inspecteur gestelde termijn heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2011 dit standpunt gehandhaafd. Belanghebbende heeft bij brief gedagtekend 28 november 2011 gereageerd op het voormelde voorlopige oordeel van de Inspecteur. Op 29 november 2011 heeft de Inspecteur bij brief kenbaar gemaakt aan belanghebbende dat hij de aanslag zal herbeoordelen.
2.5.
In laatst vermelde brief van 29 november 2011 concludeerde de Inspecteur dat belanghebbende weliswaar geen recht had op de algemene compensatieregeling, maar wel recht had op de bijzondere compensatieregeling van artikel 27 van het Verdrag. De Inspecteur heeft de teruggaaf op grond van de bijzondere compensatieregeling berekend op € 4.087. Op 14 december 2011 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 ambtshalve verminderd. Het bedrag van € 4.087 is als voorheffing in aanmerking genomen. Het resterende terug te betalen bedrag bedraagt daardoor € 3.578 (€ 7.665 -/- € 4.087) vermeerderd met een bedrag van € 265 aan heffingsrente.
2.6.
Belanghebbende heeft op 4 januari 2012 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.
2.7.
In zijn brief van 10 juli 2012 aan de Rechtbank heeft de Inspecteur ten aanzien van de heffingskorting in relatie tot de bijzondere compensatieregeling opgemerkt:

Heffingskorting bijzondere compensatie
In de bijzondere compensatie wordt een vergelijking gemaakt met de situatie zoals deze bestond onder het Verdrag tussen Nederland en België van 19 oktober 1970. (Onder dit verdrag was de belastingheffing aan Nederland toegewezen en was de belanghebbende in België sociaal verzekerd). Ook in die situatie was de partner die geen beroepswerkzaamheden verrichtte niet verzekerd voor de AWBZ. Dat was – ten overvloede – opgenomen in bijlage VI onderdeel Q eerste lid onderdeel d bij de Verordening (EEG) 14708/71. In de berekening van de bijzondere compensatie wordt de in Nederland verschuldigde belasting minus de gecombineerde heffingskorting (IB-deel) verminderd met de in België verschuldigde belasting. Gezien het feit dat de partner niet verzekerd is voor de AWBZ blijft “de voetoverheveling” van artikel 45a van de UR 2001 beperkt tot het deel van de gecombineerde heffingskorting dat ziet op het deel van de inkomstenbelasting (€ 151), de Algemene ouderdomswet (€ 1.105) en de Algemene nabestaandenwet (€ 68). Het AWBZ-deel van de heffingskorting van € 750 wordt buiten beschouwing gelaten. Dat laat zich verklaren door het feit dat de partner van de grensarbeider op grond van de hiervoor genoemde bepaling uit de bijlage en art. 21 BUB 1999 niet behoort tot de kring der verzekerden voor de AWBZ. Zij is daardoor niet premieplichtig voor de AWBZ en heeft geen recht op de AWBZ component van de heffingskorting.”.
2.8.
De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen:
“2.6. Belanghebbende heeft op 4 januari 2012 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. De rechtbank begrijpt dit beroepschrift aldus dat volgens belanghebbende recht bestaat op zowel de algemene als de bijzondere compensatieregeling van artikel 27 van het Verdrag België 2001. Tevens begrijpt de rechtbank uit de bijlagen bij het beroepschrift dat belanghebbende van mening is dat de heffingsrente verkeerd is berekend.
2.7.
De algemene compensatieregeling is bij het Verdrag België 2001 ingevoerd, waarbij de grensarbeidersregeling van het oude Verdrag België 1970 is komen te vervallen. De algemene compensatieregeling van artikel 27, paragraaf 1 van het Verdrag België 2001 beoogt te bewerkstelligen dat Nederlandse inwoners die in België werken per saldo evenveel inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen als Nederlandse inwoners die dezelfde beloningen vanuit Nederland zouden krijgen. De compensatie bedraagt het verschil tussen de feitelijk verschuldigde Nederlandse en Belgische inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en de Nederlandse inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen die verschuldigd zouden zijn, indien de beloningen uit Nederland afkomstig zouden zijn en Nederland daarover inkomstenbelasting en premies zou mogen heffen.
De bijzondere compensatieregeling geeft vervolgens een extra compensatie voor personen, die op grond van de grensarbeidersregeling minder belasting en premies zouden betalen dan op grond van de (nieuwe) algemene compensatieregeling van het Verdrag België 2001.
2.8.
De inspecteur heeft bij het verweerschrift uiteengezet hoe hij het fiscaal loon van € 40.047 heeft berekend. De stukken waarop de inspecteur zijn berekening heeft gebaseerd, heeft hij bij het verweerschrift gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij deze berekening van de juiste bedragen uitgegaan. Belanghebbende heeft niets gesteld waaruit anders blijkt. De rechtbank kan de inspecteur in deze berekening volgen. Verminderd met de negatieve inkomsten en de aftrekposten zoals door belanghebbende in zijn aangifte is opgenomen, resteert een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.695. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is naar het oordeel van de rechtbank in de aanslag juist vastgesteld.
2.9.
Voor de berekening van de algemene compensatie is de inspecteur uitgegaan van een bedrag aan Belgische personenbelasting met opcentiemen van € 6.523. Dit bedrag volgt uit het “Aanslagbiljet Belasting der Niet-Rijksinwoners en opcentiemen” over het inkomstenjaar 2008, dat behoort tot de stukken van het geding. De inspecteur heeft dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank juist berekend.
2.10.
De berekening van de algemene compensatie heeft de inspecteur als bijlage bij het verweerschrift opgenomen. Deze berekening bestaat kort samengevat uit het volgende:
Berekende inkomstenbelasting (IB) 2008: €  4.073
Premies volksverzekeringen (PVV) 2008:
€  9.839
Totaal IB/PVV 2008: €  13.912
Gecombineerde heffingskorting: €  4.275 -/-
Overgehevelde heffingskorting partner:
€  2.074 -/-
Totaal: €  7.563
Belgische belasting en opcentiemen:
€  6.523
Algemene compensatie: 0
Uit deze berekening blijkt dat het bedrag aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2008 dat belanghebbende verschuldigd zou zijn indien hij de looninkomsten in Nederland zou hebben genoten (€ 7.563), hoger is dan de feitelijk verschuldigde Nederlandse en Belgische belasting en premies volksverzekeringen (€ 6.523). Gelet hierop resteert naar het oordeel van de rechtbank een tegemoetkoming op grond van de algemene compensatieregeling van nihil. De rechtbank acht de door de inspecteur gehanteerde uitgangspunten juist. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur.
2.11.
Over de bijzondere compensatieregeling overweegt de rechtbank het volgende. De inspecteur heeft na de uitspraak op bezwaar alsnog een tegemoetkoming aan belanghebbende verleend op grond van de bijzondere compensatieregeling van € 4.087 en de aanslag ambtshalve verminderd. Reeds hierom dient het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond te worden verklaard. De inspecteur heeft de berekening van de bijzondere compensatieregeling als bijlage bij zijn verweerschrift opgenomen. Deze berekening is als volgt opgebouwd:
Berekende inkomstenbelasting 2008: € 4.073
Inkomstenbelastingdeel gecombineerde heffingskorting: €  313 -/-
Overgehevelde heffingskorting partner:
€ 1.324 -/-
Totaal: € 2.436
Feitelijk verschuldigde Belgische belasting en opcentiemen: € 6.523 -/-
Algemene compensatie:
€  0 -/-
Bijzondere compensatie: -/- € 4.087.
2.12.
Belanghebbende heeft tot slot gesteld dat de heffingsrente onjuist is berekend. Belanghebbende heeft de stelling niet nader onderbouwd. De inspecteur heeft bij ambtshalve vermindering overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 (nr. 07/13362) de berekening van de heffingsrente beperkt tot een periode van drie maanden na indiening van de aangifte. Niet gesteld of gebleken is dat dit bedrag aan heffingsrente onjuist is berekend. De rechtbank zal overeenkomstig deze ambtshalve vermindering beslissen.”.
2.9.
De Rechtbank heeft ten aanzien van het door de Inspecteur in de onder 2.7 vermelde brief weergegeven standpunt geconcludeerd dat de Inspecteur het bedrag van de bijzondere compensatie juist heeft berekend. De Inspecteur heeft de bijzondere compensatie in de ambthalve vermindering van 14 december 2011 betrokken door deze als voorheffing in aanmerking te nemen, hetgeen resulteert in een te betalen bedrag van € 3.578 (€ 7.665 -/- € 4.087). De Rechtbank heeft de aanslag verminderd tot een te betalen bedrag van € 2.828. Het verschil tussen € 3.578 en € 2.828 is € 750.

3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking heffingsrente bij de ambtshalve vermindering vastgesteld op de juiste bedragen?
Is de Inspecteur terecht veroordeeld in de proceskosten van de zijde van belanghebbende gemaakt?
Is de Inspecteur terecht veroordeeld in de vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41?
De Inspecteur is van mening dat de eerste vraag bevestigend en de tweede en derde vraag ontkennend moeten worden beantwoord. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.2.
Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek heeft de Inspecteur zijn standpunt – zakelijk weergegeven - nader toegelicht als volgt:
De Inspecteur
Ik vind het onbegrijpelijk dat de Rechtbank concludeert tot een terug te betalen bedrag van € 750. De Rechtbank volgt immers geheel het standpunt van de Inspecteur zoals weergegeven in zijn brief van 29 november 2011 aan belanghebbende, in zijn verweerschrift en nader in zijn brief van 10 juli 2012 aan de Rechtbank. Hier moet sprake zijn van een “slip of the pen” van de zijde van de Rechtbank.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vaststelling van de aanslag naar een te betalen bedrag van € 3.578 conform de ambtshalve vermindering van de aanslag van 14 december 2011. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Vooraf
4.1.
De Inspecteur stelt in zijn verweerschrift dat hij belanghebbende per brief van 29 november 2011 heeft medegedeeld dat hij recht had op de bijzondere compensatieregeling, dat belanghebbende op of rond 14 december 2011 de ambtshalve vermindering heeft ontvangen, en dat belanghebbende noch op de mededeling noch op de ambtshalve vermindering heeft gereageerd. De Inspecteur stelt dat het door belanghebbende drie weken na ontvangst van de ambtshalve vermindering ingediende beroep bij de Rechtbank derhalve onnodig was, omdat hij immers had gekregen wat hij wilde. Andere geschilpunten heeft belanghebbende namelijk niet aangevoerd, aldus de Inspecteur.
4.2.
In deze stellingname ligt besloten de stelling dat de Rechtbank het beroep bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het Hof is van oordeel, dat de Rechtbank het beroep terecht aldus heeft opgevat, dat belanghebbende meende recht te hebben op zowel de algemene als de bijzondere heffingskorting. Hij claimde dus bij de Rechtbank meer dan hij van de Inspecteur ambtshalve had gekregen. De Rechtbank heeft belanghebbende dan ook terecht ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
Het inhoudelijke geschil
4.3.
Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur het bedrag aan bijzondere compensatie juist heeft berekend. Het verschil van € 750 tussen het door de Inspecteur berekende bedrag van € 3.578 en het door de Rechtbank vastgestelde bedrag van € 2.828 ziet op het AWBZ-deel van de heffingskorting. Belanghebbende valt voor de heffing van volksverzekeringen exclusief onder het Belgische sociale zekerheidsstelsel. Belanghebbende is in Nederland derhalve geen premies volksverzekeringen verschuldigd en hij heeft ook geen recht op heffingskorting voor de volksverzekeringen. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof met juistheid gesteld dat het AWBZ-deel van de heffingskorting van de echtgenote niet overdraagbaar is aan belanghebbende en derhalve buiten aanmerking blijft bij de berekening van de bijzondere compensatie.
4.4.
Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de Rechtbank bij de vaststelling van het door belanghebbende te betalen bedrag een kenbare misslag heeft gemaakt. Belanghebbende heeft in zijn verweer in hoger beroep geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het door de Inspecteur in dezen verdedigde standpunt. Evenmin heeft belanghebbende enig argument ingebracht tegen de bij de ambtshalve vermindering in aanmerking genomen heffingsrente. Het is het Hof niet gebleken dat de Inspecteur bij het bij deze vermindering nader vastgestelde bedrag aan heffingsrente een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd. Het Hof concludeert dat het gelijk ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag aan de Inspecteur is.
4.5.
Indien een belanghebbende in een belastingzaak een rechtsmiddel aanwendt en dit ertoe leidt dat hij geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, geldt als hoofdregel dat het bestuursorgaan in de kosten van het geding wordt veroordeeld (vgl. HR 20 december 1995, nr. 30 728, LJN AA3148, BNB 1996/74). In het onderhavige geval lijdt deze regel uitzondering. Het Hof overweegt daartoe het volgende.
4.6.
De Inspecteur heeft direct nadat hij de op 28 november 2011 gedagtekende brief van belanghebbende heeft ontvangen, gereageerd bij brief van 29 november 2011. In laatstvermeld schrijven heeft de Inspecteur aangegeven dat hij, na herbeoordeling van zijn besluit, tot de conclusie was gekomen dat belanghebbende voor de bijzondere compensatie in aanmerking kwam. Hij heeft tevens in een bijlage bij laatstvermelde brief een nadere berekening gegeven van de bijzondere compensatieregeling. Bij ambtshalve vermindering van de aanslag van 14 december 2011 heeft de Inspecteur de bijzondere compensatie verwerkt. De vermindering van de bij beschikking vastgestelde heffingsrente is eveneens in deze vermindering vervat. Belanghebbende heeft op 4 januari 2012 beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. Het Hof verstaat dit beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag mede als een beroep tegen de daarvoor intussen in de plaats getreden ambtshalve vermindering van die aanslag. Het Hof stelt vast dat belanghebbende in zijn beroepschrift voor de Rechtbank, behoudens de mededeling dat door de Inspecteur “geen rekening is gehouden met compensatieregelingen” alsmede dat de heffingsrente “niet correct” is, geen inhoudelijke grieven heeft geformuleerd. Hetzelfde geldt ten aanzien van het verweer in hoger beroep bij het Hof. Naar het oordeel van de Rechtbank en het Hof heeft de Inspecteur de uit de toepassing van de bijzondere compensatie voortvloeiende vermindering van de aanslag juist berekend. De vermindering heffingsrente is eveneens juist berekend. Het is, gelet op deze omstandigheden, niet in overeenstemming met de strekking van de bepaling van artikel 8.75 van de Algemene wet bestuursrecht dat de vergoeding haar enige grond vindt in de omstandigheid dat de Inspecteur de aanslag ambtshalve heeft verminderd nadat hij uitspraak heeft gedaan op bezwaar. Dit klemt te meer nu belanghebbende niet tijdig heeft gereageerd op de schriftelijke toelichting van de Inspecteur inzake de afdoening van het bezwaar. Het Hof concludeert dat in dezen geen termen aanwezig zijn de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van de zijde van belanghebbende gemaakt. Het gelijk ten aanzien van het tweede geschilpunt is eveneens aan de Inspecteur.
4.7.
De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem moet vergoeden. Op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht vergoedt door het bestuursorgaan. Aangezien het beroep van belanghebbende is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 24 november 2011 en deze uitspraak niet juist is, heeft de Rechtbank terecht het beroep gegrond verklaard. Dit brengt mee dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht dient te vergoeden. In zoverre is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.
Slotsom
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen voor zover het betreft de vermindering van de aanslag tot een betalen bedrag van € 2.828 en deze vaststellen conform het bij ambtshalve vermindering vastgestelde bedrag van € 3.578 en voor zover het betreft de veroordeling van belanghebbende in de proceskosten van de zijde van belanghebbende gemaakt.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Staat inzake het hoger beroep geen plaats.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het Hof
  • verklaarthet hoger beroep gegrond
  • vernietigtde uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de vermindering tot een te betalen bedrag van € 2.828 en voor zover het betreft de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende gemaakt
  • handhaaftde aanslag zoals deze luidt na de ambtshalve vermindering van de Inspecteur van 14 december 2011
Aldus gedaan op 12 juli 2013 door J.W.J. Huige, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
een dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.