ECLI:NL:GHSHE:2010:BM1480
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- H. Harmsen
- J.H.M. Westenbroek
- H.P. Vonhögen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ontnemingsvordering wegens gewoontewitwassen en medeplegen Opiumwet
In deze zaak staat de ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht centraal, voortvloeiend uit een veroordeling voor gewoontewitwassen en medeplegen van overtreding van de Opiumwet. Het hof oordeelt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in haar vordering, ondanks een betoog van de verdediging over termijnoverschrijding.
Het hof baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op uitgebreide bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van getuigen die geldwisseltransacties van Britse en Schotse ponden op een postagentschap verrichtten. Deze transacties zijn toegerekend aan de veroordeelde. Voor het jaar 2001 kon geen voordeel worden vastgesteld, maar voor 2002 en 2003 is het bedrag vastgesteld op ruim drie miljoen euro aan gewisselde ponden.
De veroordeelde stelde dat de gewisselde bedragen omzet waren en niet winst, en het hof achtte dit aannemelijk, corrigeerde de kosten en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €743.177,33. Tevens concludeerde het hof dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, wat leidde tot een vermindering van het ontnemingsbedrag met €3.177,33.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht, legde de betalingsverplichting van €740.000 op aan de veroordeelde en achtte aannemelijk dat hij in staat is deze te voldoen binnen de geldende verjaringstermijn en met mogelijke betalingsregelingen.
Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €743.177,33 en legt een betalingsverplichting van €740.000 op aan de veroordeelde.