ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6180
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van toepassing artikel 18 Wet IB 1964 bij overdracht onderneming aan dochter en echtgenoot
Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden een restaurant via een vennootschap onder firma (V.O.F. D) en waren eigenaar van het bedrijfspand en de inventaris. In 1999 werd een nieuwe V.O.F. opgericht met de dochter en haar echtgenoot als vennoten, waarna de oorspronkelijke V.O.F. in 2001 werd ontbonden en de exploitatie werd voortgezet door de dochter en haar echtgenoot.
De Inspecteur weigerde toepassing van de faciliteit van artikel 18 Wet Pro IB 1964, omdat de inbreng van de onderneming onderdeel was van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht aan de dochter en haar echtgenoot. Het Hof vond op basis van onder meer een notitie van de belastingadviseur, verklaringen in een krant, verhuizing en exploitatie door de dochter en haar echtgenoot, en een taxatierapport, dat deze overdracht reeds vooraf was afgesproken.
Belanghebbende voerde aan dat de ontbinding van de V.O.F. slechts het gevolg was van meningsverschillen, maar het Hof hechtte hieraan geen geloof. Het Hof oordeelde dat de inbreng van de onderneming niet los kan worden gezien van de overdracht aan de dochter en haar echtgenoot, waardoor de faciliteit van artikel 18 Wet Pro IB 1964 niet van toepassing is.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bleef in stand. Het Hof veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van toepassing van artikel 18 Wet IB 1964 wordt bevestigd.