ECLI:NL:GHSGR:2012:BV8723

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.094.907/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 1019h RvArt. 237 RvArt. 31 RvArt. 3:13 lid 2 BW
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis wegens juridische misslag proceskostenveroordeling

Prae Artiestenverloning B.V. is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter waarin zij werd veroordeeld tot betaling van proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, terwijl deze vordering niet was ingesteld door Artiestenverloningen B.V. Het hof constateert dat deze proceskostenveroordeling een klaarblijkelijke juridische misslag betreft, omdat de voorzieningenrechter een vordering heeft toegewezen die niet was gevorderd.

Prae heeft vervolgens een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis ingesteld op grond van artikel 351 Rv Pro. Het hof overweegt dat schorsing slechts kan worden toegewezen indien sprake is van misbruik van executiebevoegdheid of een duidelijke juridische of feitelijke misslag die leidt tot een noodtoestand bij onmiddellijke tenuitvoerlegging.

Hoewel de proceskostenveroordeling onterecht is, heeft Prae de kosten reeds voldaan, waardoor zij geen belang meer heeft bij schorsing. Verder heeft Prae onvoldoende feiten gesteld die een noodtoestand aantonen. Het hof wijst daarom de incidentele vordering af en verwijst de hoofdzaak naar een latere rolzitting.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
zaaknummer : 200.094.907/01
zaak-/rolnummer rechtbank : 93979 / KG ZA 11-146
Arrest van 13 maart 2012
inzake:
Prae Artiestenverloning B.V.,
gevestigd te Zwijndrecht,
appellante,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: Prae,
advocaat: mr. R.M. van Rompaey te Breda,
tegen
Artiestenverloningen B.V.,
gevestigd te Wijk bij Duurstede,
geïntimeerde,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Artiestenverloningen,
advocaat: mr. C. Beijer te Utrecht.
Het verloop van het geding
1. Bij exploot van 23 september 2011 is Prae in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Dordrecht, sector civiel recht, van 15 september 2011 (LJN BT1520). In dit exploot heeft Prae twaalf grieven tegen genoemd vonnis aangevoerd. Vervolgens heeft Prae een ‘incidentele vordering tot schorsing uitvoerbaar bij voorraad verklaring vonnis in eerste aanleg’ (met producties) genomen en gevorderd kort gezegd dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wordt geschorst voor de duur van het hoger beroep ex artikel 351 Rv Pro. Artiestenverloningen heeft in een ‘memorie van antwoord in incident’ (met producties) geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in het incident. Ten slotte hebben partijen arrest in het incident gevraagd.
Beoordeling van het incident
2. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen, in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. De desbetreffende partij mag die bevoegdheid om tot executie over te gaan, echter niet misbruiken. Van een dergelijk misbruik kan ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW Pro sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan volgens het genoemde artikellid van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.
3. Dienovereenkomstig is in vaste rechtspraak aanvaard dat de rechter slechts dan de tenuitvoerlegging van een vonnis kan schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan dan wel misbruik maakt van de bevoegdheid tot executie. Hiervan kan met name sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie HR 22 april 1983, NJ 1984, 145; HR 24 februari 1989, NJ 1989, 551; HR 30 oktober 1992, NJ 1993, 4). Indien dergelijke omstandigheden zich niet voordoen, is de rechter in een incident als het onderhavige gebonden aan de beslissingen die door de rechter in het te executeren vonnis zijn gewezen. Dit uitgangspunt brengt bovendien mee dat de enkele mogelijkheid dat een hoger beroep kans van slagen heeft of het enkele feit dat aan de zijde van de geëxecuteerde een noodsituatie zal ontstaan bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van een vonnis, geen omstandigheden zijn op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van een vonnis.
4. Prae voert in de eerste plaats aan dat het bestreden vonnis op een klaarblijkelijke juridische misslag berust. Prae is namelijk, als gedaagde in conventie, veroordeeld in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv ter hoogte van € 5.636,31 waarbij de salariskosten advocaat ambtshalve zijn begroot op € 5.000,- aan de hand van de zogeheten indicatietarieven, terwijl een dergelijke proceskostenveroordeling niet was gevorderd door Artiestenverloningen, en zij ook geen specificatie had overgelegd.
5. In confesso is, zo stelt het hof voorop, dat Prae de voorzieningenrechter bij brief van 15 september 2011 om herstel op de voet van artikel 31 Rv Pro heeft verzocht, maar dat de voorzieningenrechter dit verzoek bij vonnis van 6 oktober 2011 heeft afgewezen. Voorts staat vast dat Prae de proceskosten vervolgens heeft betaald aan Artiestenverloningen.
6. Het hof overweegt als volgt. Blijkens rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis berust de veroordeling van Prae in de proceskostenkosten in conventie op artikel 1019h Rv en niet op artikel 237 Rv Pro. Een vergoeding van de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv dient te worden gevorderd, en de gevorderde kosten dienen zo tijdig opgegeven en gespecificeerd te worden dat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren, zie HR 30 mei 2008, LJN BC2153, NJ 2008, 556 (‘de Endstra-tapes’), rechtsoverweging 5.4.1.
In het onderhavige geval heeft Artiestenverloningen in eerste aanleg in conventie niet een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd, noch heeft zij daarvan een gespecificeerde opgave gedaan. Zij heeft ‘gewoon’ veroordeling van Prae in kosten van de kort geding procedure gevorderd. Dat betekent dat de voorzieningenrechter Prae niet had mogen veroordelen tot vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Daarbij is niet van belang dat Prae harerzijds in conventie wel aanspraak heeft gemaakt op een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv.
Uit het voorgaande blijkt dat de voorzieningenrechter een vordering heeft toegewezen die niet was ingesteld. Naar het oordeel van het hof berust het bestreden vonnis in dat opzicht klaarblijkelijk op een juridische misslag. Aangezien echter Prae de proceskosten ondertussen heeft betaald aan Artiestenverloningen, heeft zij in dit verband bij toewijzing van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging geen belang meer.
7. Volgens Prae berust het bestreden vonnis ook op een reeks andere klaarblijkelijke feitelijke en juridische misslagen. Daargelaten dat Prae in haar incidentele memorie een en ander niet heeft onderbouwd en heeft volstaan met verwijzing naar de toelichting op haar grieven in de appeldagvaarding, zijn dergelijke misslagen, die een schorsing van de tenuitvoerlegging zouden kunnen rechtvaardigen, niet gebleken.
8. Voor zover Prae zich erop beroept dat zij door de tenuitvoerlegging van het vonnis in een noodtoestand komt te verkeren, overweegt het hof dat Prae dit onvoldoende heeft onderbouwd. Prae heeft geen feiten gesteld, noch zijn deze gebleken, die ná het vonnis zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen, en die meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor Prae waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
9. Ten slotte merkt het hof op dat overigens niet is gebleken dat het vonnis, meer specifiek het verbod in dictum 5.1, onduidelijk en daarom niet uitvoerbaar is.
10. Het hof zal de incidentele vordering van Prae dus afwijzen. De beslissing omtrent de proceskosten in het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
Beslissing
Het hof:
in het incident:
- wijst de incidentele vordering af;
in de hoofdzaak:
- verwijst de zaak naar de rol van 10 april 2012 voor het nemen van een memorie van antwoord door Artiestenverloningen.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y. Bonneur, J.E.H.M. Pinckaers en S.J. Schaafsma, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2012 in aanwezigheid van de griffier.