ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7445
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Savelbergh
- Van Walderveen
- Rosier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bedrijfswaarde vordering binnen fiscale eenheid en toepassing dertiende standaardvoorwaarde
Belanghebbende, moedermaatschappij van [A], vormde sinds oprichting een fiscale eenheid met deze dochter. In 1998 verkocht belanghebbende de aandelen en vordering op [A] voor ƒ 450.000, waarbij de fiscale eenheid per 1 januari 1998 werd verbroken. Belanghebbende stelde dat de bedrijfswaarde van de vordering op die datum ƒ 1.190.582 bedroeg, terwijl de Inspecteur de waarde op ƒ 450.000 stelde.
Het geschil betrof de juiste waardering van de vordering en de vraag of de dertiende standaardvoorwaarde, die verliesverrekening na verbreking van de fiscale eenheid beperkt, van toepassing is. Het hof stelde vast dat de waarde van de vordering op 1 januari 1998 niet hoger was dan ƒ 450.000, mede gelet op het voortzetten van de onderneming door de koper (going-concernbasis).
Verder oordeelde het hof dat de dertiende standaardvoorwaarde niet buiten het wettelijke kader van artikel 15 van Pro de Wet treedt en dient ter verzekering van de heffing en invordering van vennootschapsbelasting. De beperking van verliesverrekening volgt rechtstreeks uit de wet en is niet onverenigbaar met de fiscale eenheid. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de waarde van de vordering vastgesteld op ƒ 450.000.