ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7732
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over afwaardering geldleningen in inkomstenbelasting 2004
Belanghebbende, een landbouwondernemer, had in 2002 geldleningen verstrekt aan een transportbedrijf waarin hij werkzaamheden verrichtte en overlaadmaterieel ter beschikking stelde. De Inspecteur had de afwaardering van deze geldleningen niet ten laste van het inkomen uit werk en woning geaccepteerd, wat leidde tot een geschil over de fiscale kwalificatie van deze leningen.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd, maar de Inspecteur stelde hiertegen hoger beroep in. Het hof onderzocht of het beroep op het vertrouwensbeginsel door belanghebbende terecht was, mede gelet op een brief van 2 december 2004 waarin belanghebbende expliciet verzocht om de leningen in box 1 te verwerken.
Het hof oordeelde dat de Inspecteur door het volgen van deze gedragslijn in eerdere jaren een in rechte te beschermen vertrouwen had gewekt. De Inspecteur had geen nadere informatie opgevraagd ondanks de mogelijkheid daartoe. Daarom werd het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en de aanslag verminderd tot nihil belastbaar inkomen uit werk en woning met een vastgesteld verlies van € 49.065.
De proceskosten werden toegerekend aan de Inspecteur. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de aanslag verminderd tot nihil belastbaar inkomen uit werk en woning met een vastgesteld verlies van € 49.065.