ECLI:NL:GHLEE:2012:BW3988
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- W.M. van Schuijlenburg
- H.J. Deuring
- P.J.M. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake strafbaar verblijf als ongewenst vreemdeling volgens artikel 197 Sr
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld voor het feit dat hij op 11 oktober 2011 als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Het hof heeft onderzocht of de ongewenstverklaring in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG en oordeelde dat deze richtlijn uitputtend regelt dat een ongewenstverklaring als inreisverbod moet worden beschouwd.
Het hof stelde vast dat de beschikking tot ongewenstverklaring dateert uit 1992 en in 1994 aan verdachte is uitgereikt. De termijn van het inreisverbod vangt aan bij het verlaten van het grondgebied, waardoor de verdediging niet slaagde in haar betoog dat de termijn van vijf jaar reeds was verstreken. Tevens is vastgesteld dat verdachte tweemaal in vreemdelingenbewaring is gesteld zonder dat hij kon worden uitgezet.
Op grond van deze feiten en de jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake de Terugkeerrichtlijn, acht het hof de strafbaarheid van het verblijf als ongewenst vreemdeling gerechtvaardigd. De straf is vastgesteld op drie maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarbij rekening is gehouden met eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. Het hof vernietigt het vonnis voor zover het aan hoger beroep onderworpen is en spreekt verdachte vrij van andere tenlasteleggingen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens verblijf als ongewenst vreemdeling.