ECLI:NL:GHLEE:2009:BK8646
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake waardering vordering bij inkomstenbelasting 2004 na frauduleuze praktijken
Belanghebbende en zijn echtgenote hadden geldleningen verstrekt aan A, die hoge rendementen garandeerde. Vanaf 2003 bleek A echter een beleggingspiramide te exploiteren waarbij ingelegde gelden niet werden belegd maar gebruikt voor uitbetaling aan andere beleggers. Dit kwam pas in 2005 aan het licht, waarna A failliet werd verklaard en strafrechtelijk veroordeeld.
De Inspecteur had voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag opgelegd waarbij de vordering op 31 december 2004 werd gewaardeerd op €272.500. De Rechtbank had deze aanslag vernietigd en de waarde van de vordering vastgesteld op maximaal €24.000. Het Gerechtshof oordeelt dat bij waardering per 31 december 2004 ook rekening moet worden gehouden met de later gebleken werkelijke toestand, namelijk de frauduleuze praktijken die reeds in 2003 waren begonnen.
Daarom moet de vordering op nihil worden gewaardeerd, wat betekent dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Het hof verklaart het principale hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond. Tevens wordt de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het hof verklaart het hogere beroep van de Inspecteur ongegrond en stelt de waarde van de vordering per 31 december 2004 op nihil, met veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.