ECLI:NL:GHLEE:2009:BH7523
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep kort geding
- Mollema
- Kuiper
- De Hek
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurwoning na overlijden huurster en waarschuwingsplicht verhuurder
In deze zaak stond de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de huurster centraal. De appellant, die de woning bewoonde na het overlijden van de huurster, stelde dat hij als samenwoner recht had op voortzetting van de huurovereenkomst. Hij voerde aan dat zijn psychische toestand hem verhinderde tijdig een vordering in te stellen en dat de verhuurder hem had moeten waarschuwen.
Het hof oordeelde dat de huurovereenkomst van rechtswege eindigt uiterlijk aan het einde van de tweede maand na het overlijden van de huurster, conform art. 7:268 lid 6 BW Pro. Het feit dat de appellant de woning tot een latere datum mocht blijven gebruiken, deed hieraan niet af. De stelling van de appellant dat de verhuurder een waarschuwingsplicht had, werd verworpen op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Verder oordeelde het hof dat de psychische toestand van de appellant onvoldoende grond bood om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. De verhuurder had bovendien de appellant schriftelijk geïnformeerd over het einde van de huurovereenkomst. De grieven van de appellant faalden en het kortgedingvonnis werd bekrachtigd. De appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het kortgedingvonnis en wijst het hoger beroep van de appellant af.