Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:887

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
22-003715-20
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 303 SrArt. 310 SrArt. 6:2 lid 2 BWArt. 6:83 BWArt. 6:119 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zware mishandeling met voorbedachte raad en diefstal met toewijzing schadevergoedingen

Op 2 juli 2019 mishandelde de verdachte het slachtoffer ernstig door hem met kracht in het gezicht te slaan, wat leidde tot een hersenbloeding en blijvend zwaar lichamelijk letsel. De verdachte roofde tevens twee horloges van het slachtoffer. Na een langdurige procedure werd de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf wegens zware mishandeling met voorbedachte raad en diefstal.

Het hof oordeelde dat het letsel met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van de verdachte was veroorzaakt, waarbij het hof het bewijs van voorbedachte raad en opzet op zwaar lichamelijk letsel aannam. De verdediging werd verworpen, ook inzake het betwiste causaal verband en de vermeende grootspraak in appjes.

Daarnaast werden uitgebreide schadevergoedingen toegekend aan het slachtoffer en diens naasten, waaronder immateriële schade wegens schok- en affectieschade en materiële schade. De vorderingen werden deels toegewezen, deels afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing of onevenredige belasting van het strafproces. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf het moment van schade.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam en sprak de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde poging tot doodslag, maar veroordeelde hem voor de subsidiaire zware mishandeling en diefstal. De straf werd verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan de Staat ten behoeve van de benadeelden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf voor zware mishandeling met voorbedachte raad en diefstal, met toewijzing van aanzienlijke schadevergoedingen aan slachtoffer en nabestaanden.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003715-20
Parketnummer: 10-730130-19
Datum uitspraak: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 02 juli 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) (met een voorwerp) op het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, althans enig geweld heeft toegepast, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 02 juli 2019 te Rotterdam aan een persoon (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (een hersenbloeding), heeft toegebracht, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg (meermalen) (met een voorwerp) op het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen, althans enig geweld toe te passen;
1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 02 juli 2019 te Rotterdam, met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door (meermalen) (met een voorwerp) op het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen, althans enig geweld toe te passen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 02 juli 2019 te Rotterdam twee horloges, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof komt onder meer tot een andere bewezenverklaring dan de eerste rechter en beslist het hof anders ten aanzien van de strafoplegging.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan (zonder nadere motivering) zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.subsidiair
hij op
of omstreeks02 juli 2019 te Rotterdam aan een persoon (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (een hersenbloeding), heeft toegebracht, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg (meermalen)
(met een voorwerp) op het hoofd en/ofin het gezicht van die [slachtoffer] te slaan
en/of te stompen, althans enig geweld toe te passen;
2.
hij op
of omstreeks02 juli 2019 te Rotterdam twee horloges,
in elk geval enig goed,
diegeheel of ten dele aan een andertoebehoorde
n, te wetenaan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen feit 1 subsidiair

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – zoals toegelicht in de door haar overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte van feit 1 integraal dient te worden vrijgesproken, nu het letsel van het slachtoffer niet door het handelen van de verdachte is veroorzaakt.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Vastgestelde feiten en omstandigheden
Verdachte is op 2 juli 2019 omstreeks 00:38 uur bij de woning van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) geweest, maar het slachtoffer was op dat moment niet thuis. Verdachte verliet hierop het pand.
Uit onderzoek van de telefoon van de verdachte blijkt dat hij omstreeks 01:14 uur via een WhatsAppgesprek contact heeft opgenomen met [persoon 1] , een vriend van hem. Kort daarop stuurde [persoon 1] de contactgegevens van het slachtoffer aan de verdachte. Omstreeks 01:45 heeft de verdachte het slachtoffer gebeld, maar die oproep werd niet beantwoord.
Kort daarna, vanaf 01:47 uur, stuurt de verdachte verschillende berichten naar [persoon 1] , waaronder ‘Flikkertje neemt nie op’, ‘Ga hem zen kkr smoel slaan’ en ‘Sla ze allebei lensss’. [persoon 1] vraagt waarom en zegt dat hij toch niet gaat zitten voor zo’n sukkeltje. Daarop stuurt verdachte: ‘I don’t care’ en ‘Kijk voor me waar hij is’. Nadat tussen de verdachte en [persoon 1] wordt gesproken over waar het slachtoffer kan zijn, stuurt de verdachte ‘Breng me, kwil vandaag herrri man’ en ‘Me hoofd is sluiting’. Om 2:14 stuurt de verdachte naar [persoon 1] ‘Ga hem total slaaan’.
Omstreeks 3:30 uur heeft de verdachte opnieuw tevergeefs gebeld naar het telefoonnummer van het slachtoffer, waarna hij hem omstreeks 03:31 uur een SMS-bericht stuurt met de tekst: ‘Ik ga je dood maken vriend weet waar je mee bezig bent’ en om 01:34:47 uur een SMS-bericht met als inhoud ‘Jouw spel is uit gespeelt kijk je rug’.
Rond vier uur is de verdachte weer naar de woning van het slachtoffer gegaan, die nu thuis was en de deur voor de verdachte opende. De verdachte is in de woning geweest en heeft met het slachtoffer gesproken. Op enig moment heeft hij het slachtoffer op zijn linkerwang geslagen.
Om 4:23 uur heeft de verdachte een videobelgesprek met [persoon 1] . In de telefoon van de verdachte is een videobestand gevonden van die nacht om 4:26:17 uur. Het lijkt een weergave van een deel van een videobelgesprek via Whatsapp, waarop beelden te zien zijn van een persoon die een snelle buikademhaling heeft en bewegingen met de armen maakt, maar verder roerloos op een bank ligt. Deze beelden zijn gemaakt in de woning van het slachtoffer.
Om 04:29 uur heeft de verdachte met de telefoon van het slachtoffer gedurende bijna drie minuten gebeld naar een vriend van het slachtoffer, [persoon 2] .
Na dit telefoongesprek heeft de verdachte om 4:36:41 via Whatsapp weer met [persoon 1] gebeld.
Om 04:40:11 heeft de verdachte het alarmnummer gebeld en doorgegeven dat een vriend van hem een aanval had gekregen, nadat hij (die vriend) ruzie had gehad. Verdachte heeft daarbij twee keer een verkeerd adres genoemd. Bij het doorvragen van de medewerker van de meldkamer heeft de verdachte de verbinding verbroken.
Rond kwart over tien ’s ochtends is het slachtoffer door zijn vader op zijn bed in comateuze toestand aangetroffen, waarna hulpdiensten ter plaatse zijn gekomen. In het ziekenhuis blijkt dat bij het slachtoffer (onder meer) een hersenbloeding (subduraal hematoom) is ontstaan, waardoor hij in een diepe coma is geraakt. Om de door de bloeding opgetreden zwelling van de hersenen een uitweg te geven is een dakje van de schedel gelicht. Het slachtoffer is kunstmatig in slaap gehouden.
Uit de FARR-verklaring van 3 juni 2020 blijkt dat er sprake is van blijvend hersenletsel met als gevolg een halfzijdige verlamming aan de rechterzijde van het lichaam, stoornissen in de kennende functies van de hersenen en vermindering van de alertheid. Het slachtoffer wordt door het hersenletsel ernstig beperkt in de zelfstandige uitvoer van zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen, mobiliteit en communicatie. Er is geen uitzicht op herstel.
Verklaring verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer in de nacht van 2 juli 2019 wilde spreken, omdat het slachtoffer negatief over hem zou hebben gepraat. Na een onenigheid heeft de verdachte het slachtoffer één of twee klappen gegeven tegen de linkerwang. Net na die mep, zoals de verdachte het heeft verwoord, spuugde het slachtoffer bloed. Op enig moment daarna kreeg het slachtoffer stuiptrekkingen. Het slachtoffer zat toen op de bank en is daar op enig moment van afgegleden of gevallen, terwijl de verdachte in de keuken was. Omdat de verdachte er niet zeker van was dat het slachtoffer daadwerkelijk wat mankeerde en hem niet voor de gek zat te houden, heeft de verdachte nog ge(video)beld met [persoon 1] . Verdachte heeft het slachtoffer geprobeerd te helpen door - onder andere - water in zijn gezicht te gooien en hem naar de badkamer te slepen. Daarna heeft hij het slachtoffer op diens bed gelegd, waarop hij al bellend naar de alarmdiensten ten einde hulp in te schakelen, de woning heeft verlaten. Zijn uitlatingen aan [persoon 1] , onder meer inhoudend dat hij van plan was het slachtoffer ‘total’ en ‘lens’ te slaan, moeten volgens de verdachte als grootspraak worden gezien en waren slechts bedoeld om bij het slachtoffer een reactie uit te lokken.
Door de verdediging wordt gesteld dat het letsel van het slachtoffer wellicht het gevolg is van een val die het slachtoffer maakte, en daarmee niet veroorzaakt is door de klap die de verdachte het slachtoffer heeft toebracht.
Zwaar lichamelijk letsel
Om tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde te komen, dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat het slachtoffer
zwaar lichamelijk letselis toegebracht. Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld omtrent de aard en de (blijvende) gevolgen van het letsel van het slachtoffer - zie onder meer de FARR verklaring van 3 juni 2020 -, is het hof van oordeel dat dit letsel moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Dat is op zichzelf ook niet betwist door de verdediging en ook overigens geen onderwerp van debat geweest.
Causaal verband tussen de geweldshandeling(en) van de verdachte en het letsel
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of er
causaal verbandbestaat tussen het slaan door de verdachte en het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Dat is door de verdediging betwist.
Het hof stelt aan de hand van de maatstaf van de ‘redelijke toerekening’ vast of al dan niet sprake is van causaliteit. Voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan een gedraging gelden volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad tenminste de volgende eisen:
  • dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid;
  • dat aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Vaststaat dat de verdachte het slachtoffer met kracht één of twee slagen in het gezicht heeft gegeven en dat het slachtoffer volgens de verklaring van de verdachte kort na die klappen bloed spuugde en vervolgens (eveneens kort daarna) het bewustzijn heeft verloren (door de verdachte omschreven als het ‘in shock raken’).
Bij radiologisch onderzoek van de hersenen (CT-schedel) zoals beschreven in de medische informatie van de FARR van 5 juli 2019 worden een uitgebreide bloeding buiten de vliezen rondom de hersenen en verschillende bloedingen in de hersenen aan de rechtervoorzijde gezien. Dit beeld wordt bevestigd in het forensisch radiologisch onderzoek van 25 september 2019. Op de CT-scan van de schedel van 2 juli 2019 is volgens dit rapport een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies rond de rechterhersenhelft aanwezig, zich uitbreidend langs het vliezig schot tussen beide hersenhelften met verplaatsing van de rechterhersenhelft naar links. Daarnaast zijn er zes bloedingen in het rechterfrontaal- en -
pariëtaalkwab waargenomen. Ook is er een zwelling van de onderhuidse wekedelen van de rechterslaap en naast het rechteroog zichtbaar.
In de medische informatie van 5 juli 2019 wordt bij het rechter bovenste ooglid een streepvormig, scherp begrensde, paars blauwe huidafwijking van circa 2 x 0,5cm beschreven. Het betreft een bloeduitstorting (een blauw oog). Op de linkerwang worden drie horizontaal verlopende, streepvormige, matig scherp begrensde rode huidafwijkingen waargenomen. Dit betreffen eveneens bloeduitstortingen. De aangezichtsschedel is verder intact evenals de tanden.
Volgens het forensisch geneeskundig onderzoek van 8 oktober 2019 kunnen de letsels aan de rechterzijde van het hoofd en aan de linkerwang worden verklaard door de inwerking van botsende mechanische geweldsinwerkingen op het hoofd. Volgens de forensisch arts is het aantreffen van het letsel aan de linkerwang veel waarschijnlijk onder een hypothese van slaan dan onder een hypothese van vallen. Het aantreffen van de letsels aan de rechterzijde van het hoofd is ongeveer even waarschijnlijk onder een hypothese van een accidentele oorzaak (zoals vallen) als onder een hypothese van toegebracht letsel (zoals slaan). Voort concludeert de forensisch arts dat er geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat er mogelijke sprake was van een insult, epileptische activiteit of een ‘aanval’ anderszins.
In het aanvullend forensisch geneeskundig onderzoek van 1 mei 2020 heeft de forensisch arts op basis van een herbeoordeling van de casus, bestaande uit revisie door een extern deskundige van het fotomateriaal van het uitwendige letsel, het operatieverslag en de CT-scans van de hersenen, geconcludeerd dat het aantreffen van de inwendige letsels rechts in de hersenen, veel waarschijnlijker is onder een hypothese van hevig botsend geweld op het hoofd zoals door slaan, dan onder een hypothese van een val van geringe hoogte. De combinatie van de inwendige letsels rechts in de hersenen en het uitwendige letsel op de linkerwang, kan goed passen bij coup-contrecoup letsel, waarbij het letsel aan de linkerwang is opgelopen door direct hevig botsend geweld ter plaatse, zoals hard slaan op de wang (de ‘coup’), en het inwendige letsel rechts in de hersenen is ontstaan door een ‘contrecoup’-mechanisme. De door de verdachte beschreven symptomen, welke passen bij een epileptisch insult, gevolgd door bewustzijnsverlies en ook een val, passen hier goed bij, aldus het aanvullend rapport van 1 mei 2020. De ter terechtzitting als deskundige gehoorde dr. Peul acht een primaire epileptische aanval, zonder dat daar een trauma aan vooraf is gegaan, onwaarschijnlijk, in welk verband hij heeft verklaard dat het slachtoffer (voorafgaand aan de hersenbloeding) gezonde hersenen had.
Ook prof. dr. W.P. Vandertop, neurochirurg, die in het kader van een contra-expertise in januari 2022 een rapport uitgebracht, heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep daarbij aangesloten. Vandertop verklaarde ter terechtzitting in hoger beroep dat het zeer denkbaar is dat een klap heeft geleid tot een acuut subduraal hematoom en voorts dat hij zich kan vinden in de conclusie dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de vastgestelde letsels zijn gekomen door een geringe val van een jonge patiënt die geen bloedverdunners gebruikt.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte (het met kracht in het gezicht slaan) naar hun aard geschikt zijn om een acuut subduraal hematoom (een hersenbloeding) te veroorzaken, dat uiteindelijk heeft geleid tot blijvend hersenletsel. Het handelen van de verdachte kan aldus een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die hebben geleid tot de letsels.
De vraag is vervolgens of ook aannemelijk is dat het ontstane zwaar lichamelijk letsel met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt.
Het slachtoffer had gezonde hersenen op het moment van het slaan. Duidelijk is voorts dat het slachtoffer kort na het uitgeoefende geweld buiten bewustzijn is geraakt.
Gelet op de aard en het verloop van de klachten, de korte tijdspanne tussen het geweld en de bewusteloze en vervolgens comateuze toestand van het slachtoffer, is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat het in de bewezenverklaring genoemde letsel met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van de verdachte zijn veroorzaakt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het naar zijn oordeel hoogst onwaarschijnlijk is dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedragingen van de verdachte tot de genoemde gevolgen heeft geleid. De suggestie van de verdediging - dat het hersenletsel aan de rechterzijde is ontstaan door een val van het slachtoffer - is niet aannemelijk geworden. Voor een dergelijk scenario ziet het hof onvoldoende aanwijzingen in de verklaringen van de verdachte en in ieder geval ook geen enkele steun in het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen de schriftelijke en mondeling toegelichte verklaringen van de in deze zaak geraadpleegde deskundigen. Dat deskundigen, in het bijzonder deskundige Vandertop, een val van geringe hoogte als oorzaak van het letsel (de hersenbloeding) niet geheel (kunnen) uitsluiten, doet daar niet aan af, nu dat niet alleen vanuit hun rol als deskundige en gelet op de hen ter beschikking staande informatie alleszins te begrijpen is, maar ook omdat dat niet is vereist om uit te kunnen gaan van een causaal verband. Daartoe is – zoals hiervoor al is overwogen - slechts vereist dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedragingen van de verdachte tot het hersenletsel heeft geleid hoogstwaarschijnlijk is en dat is hier het geval.
Het voorgaande betekent dat het bewezen verklaarde letsel redelijkerwijs van het handelen aan de verdachte kan worden toegerekend.
De verdediging heeft nog betoogd dat de politie nalatig is geweest en dat als er wel op juiste wijze was gehandeld, de gevolgen voor het slachtoffer minder ernstig waren geweest
Het hof overweegt dat, los van iedere beoordeling van het handelen van de politie, het handelen of nalaten van derden nadat het tenlastegelegde feit heeft plaatsgevonden, niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de verdachte voor de gevolgen van dat handelen, nu dit handelen naar haar aard reeds geschikt was om het uiteindelijke resultaat teweeg te brengen.
Op basis van het voorgaande, in onderling verband en in samenhang gezien, concludeert het hof dat de verdachte het slachtoffer ten minste éénmaal (kennelijk gericht) op de linkerzijde van zijn gezicht heeft geslagen. Hierbij heeft de verdachte zoveel kracht gebruikt dat als gevolg van deze klap onder meer ernstig (inwendig) hersenletsel is opgetreden aan de rechterzijde van de hersenen door een zogenoemd contrecoup-mechanisme. De kracht waarmee is geslagen kan ook blijken uit de streepvormige letsels die zijn aangetroffen op de linkerwang van het slachtoffer.
Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte
opzetheeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Ook dat is door de verdediging betwist.
Het hof overweegt dat het gelet op de appjes van de verdachte waarin hij onder meer aankondigt het slachtoffer ‘total’ (het hof begrijpt dat als een afkorting voor ‘total loss’) en ‘lens’ te zullen slaan en dat het hem niet uitmaakt als hij daarvoor moet gaan zitten (hetgeen telkens duidt op het gebruik van fors geweld), waarna hij daadwerkelijk het slachtoffer dusdanig hard in het gezicht heeft geslagen dat hij bloed spuugde, de klap kennelijk een streepvormige bloeduitstorting heeft veroorzaakt en het slachtoffer door de klap(pen) zwaar lichamelijk letsel in de vorm van een bloeding in de hersenen heeft bekomen, het opzet van de verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Anders gezegd: de verdachte was van plan het slachtoffer om hem moverende redenen ernstig toe te takelen en hij heeft de daad bij het woord gevoegd. Dat de verdachte daarbij niet zonder meer voor ogen zal hebben gestaan dat het slachtoffer daardoor voor de rest van zijn leven zwaar gehandicapt zou blijven doet aan het opzet overigens niet af, nu zich dat niet behoeft uit te strekken tot de exacte aard en omvang van het toegebrachte letsel.
Voorbedachte raad
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
De verdachte is op 2 juli 2019 om 00:38 uur voor het eerst in het wooncomplex van het slachtoffer geweest. In het uur hier opvolgend heeft de verdachte moeite gedaan om het telefoonnummer van het slachtoffer te achterhalen, hetgeen ook is gelukt. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer rond half twee ’s nachts gebeld. Iets voor twee uur ’s nachts stuurt de verdachte verschillende berichten naar [persoon 1] , waaruit onder andere blijkt dat het slachtoffer zijn telefoon niet opneemt en dat de verdachte er meermalen blijk van geeft het slachtoffer fors (‘total’ of ‘lens’) te willen slaan, ongeacht of hij hiervoor moet ‘zitten’. Ook blijkt uit die berichten dat de verdachte via [persoon 1] op zoek is naar het slachtoffer. Rond half vier ’s nachts probeert de verdachte weer in contact te komen met het slachtoffer door hem te bellen, maar het slachtoffer neemt de telefoon niet op.
De verdachte heeft daarna twee bedreigende sms-berichten gestuurd aan het slachtoffer. In één van die berichten dreigt hij hem dood te maken.
Rond vier uur ’s nachts is de verdachte voor de tweede keer naar de woning van het slachtoffer gegaan. Ditmaal is het slachtoffer thuis en komt de verdachte in de woning van het slachtoffer, waarbij de verdachte, zoals hij zelf heeft erkend, het slachtoffer na een woordenwisseling één of twee klappen in het gezicht heeft gegeven.
In een tijdsbestek van ongeveer drieënhalf uur heeft de verdachte aldus [persoon 1] gebeld om het telefoonnummer en de locatie van het slachtoffer te krijgen, heeft hij aan onder andere [persoon 1] laten weten dat hij het slachtoffer fors wil slaan, heeft hij geprobeerd contact te zoeken met het slachtoffer door meermalen te bellen en bedreigende berichten te sturen en is hij tweemaal naar de woning van het slachtoffer gegaan.
Hieruit leidt het hof – alles in onderling verband en samenhang bezien - af dat de verdachte het vooropgezette plan heeft gehad op het zwaar mishandelen van het slachtoffer. De verdachte heeft vóór de uitvoering van zijn daad, op verschillende momenten gedurende de nacht van 2 juli 2019 gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap gegeven. Dit blijkt onder andere uit het feit dat hij antwoordt - op een waarschuwing van zijn vriend - dat het hem niet kan schelen als hij zou moeten zitten voor het “hem zen kkr smoel slaan” van het slachtoffer. De verdachte was gedurende een langere periode in die nacht overduidelijk van plan het slachtoffer flink te grazen te nemen, zodat geen sprake is van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld. In dat verband wijst het hof nog op het tijdsverloop tussen de berichten waarin hij zijn voornemen verkondigt en de uitvoering daarvan in de vorm van het slaan van het slachtoffer. Niet is gebleken van contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De door de verdachte verstuurde (dreigende) berichten beschouwt het hof – anders dan de verdediging – mede gelet op het navolgende niet als zodanig.
Het verweer van de verdachte dat de SMS-berichten aan het slachtoffer en de met
[persoon 1] uitgewisselde WhatsApp-berichten grootspraak waren om bij het slachtoffer een reactie uit te lokken, kan niet slagen nu de verdachte na het verzenden van deze berichten nogmaals naar de woning van het slachtoffer is gegaan en hij zijn in die berichten verwoorde voornemen daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Bovendien duidt ook de vastberadenheid waarmee de verdachte probeerde in contact te komen met het slachtoffer, niet op grootspraak maar op een vooropgezet plan om dat voornemen daadwerkelijk ten uitvoer te brengen.
Het verweer van de verdediging dat in de omstandigheid dat de verdachte het alarmnummer heeft gebeld om hulp in te schakelen moet worden gezien als een contra-indicatie slaagt evenmin. Allereerst gaat dit om handelen ná de eerder door hem voorgenomen daad. Daarnaast heeft de verdachte meermalen een verkeerd adres doorgegeven, is hij niet bij het slachtoffer gebleven en heeft hij bij het doorvragen van de 112-meldkamermedewerker de verbinding verbroken. Dit handelen is dus eerder illustratief voor de onverschilligheid over de gevolgen van zijn handelen, welke hij in zijn contact met [persoon 1] ook al toonde.
Het hof is dan ook – net als de advocaat-generaal en de rechtbank - van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling met voorbedachte raad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft het slachtoffer midden in de nacht opgezocht om verhaal te halen. De verdachte is naar de woning van het slachtoffer gegaan om het slachtoffer in elkaar te slaan en heeft hem vervolgens hard geslagen, zo hard dat dit heeft geleid tot blijvende hersenschade. Het slachtoffer zal nooit meer een normaal leven kunnen leiden. Hij is de rest van zijn leven verlamd aan de rechterzijde van zijn lichaam. Daarnaast is hij blind geworden aan een oog. Hij is levenslang afhankelijk van intensieve verzorging en begeleiding.
Nadat de verdachte het slachtoffer had geslagen, heeft hij met de telefoon van het slachtoffer een vriend van het slachtoffer gebeld en hem bedreigd. De verdachte heeft de meldkamer gebeld, maar hij heeft vervolgens tot tweemaal toe een verkeerd adres doorgegeven. Hij heeft het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. Bovendien heeft de verdachte bij zijn vertrek uit het appartement en kort nadat hij het slachtoffer bewusteloos had geslagen en in die toestand achterliet twee horloges van het slachtoffer meegenomen voordat hij de woning verliet.
Persoon van de verdachte
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 maart
2020. Dit rapport houdt het volgende in.
De reclassering constateert bij de verdachte een gebrek aan zelfinzicht, empathisch vermogen en probleemoplossend vermogen. Op basis van de beschikbare informatie is onduidelijk of problematisch middelengebruik bij de verdachte een rol heeft gespeeld.
Omdat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan psychiatrisch en psychologisch onderzoek, is hij ter observatie overgebracht naar het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC). Psychiater M. Fluit en psycholoog M.K. Sikkens, beiden verbonden aan het PBC, hebben gezamenlijk een rapport opgemaakt op 1 oktober 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Door de categorische weigering van de verdachte om mee te werken, is het niet mogelijk gebleken om zodanige psychiatrische en gedragskundige onderzoeken te verrichten dat daaruit eigenstandige diagnostische conclusies getrokken kunnen worden.
De observaties en beperkte onderzoekscontacten leveren geen aanwijzingen op voor evidente symptomen van paranoïde, een psychotische of waanstoornis, schizofrenie, angststoornis of stemmingsstoornis.
Gelet hierop zijn de rapporteurs niet in staat een uitspraak te doen over een eventuele doorwerking van mogelijke psychopathologie in het tenlastegelegde of de mate van toerekenbaarheid te beoordelen. Daarnaast is het voor de rapporteurs niet mogelijk gebleken de vragen betreffende het recidiverisico betrouwbaar te beantwoorden.
Het hof stelt vast dat de verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Hij erkent zijn aandeel in de toestand van het slachtoffer niet. Die proceshouding past bij de stuitende onverschilligheid die de verdachte in de aanloop naar, maar zeker ook kort na, de zware mishandeling van het slachtoffer aan de dag heeft gelegd, maar spreekt zeker niet in zijn voordeel.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten.
Het hof is - alles afwegende en in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde geweldsdelict en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel, omdat een lagere straf onvoldoende recht zou doen aan de hiervoor genoemde factoren.
Het hof stelt evenwel – met de advocaat-generaal en de verdediging - vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in hoger beroep met een periode van meer dan 3 jaar en 3 maanden is overschreden. De verdachte heeft immers tijdens de appelfase minder dan zestien maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, zodat als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak met een einduitspraak moest zijn afgerond binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep. Dat is een zeer aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Ook in eerste aanleg is overigens sprake geweest van een overschrijding, zij het in geringe mate. Alles bij elkaar duurt deze strafzaak al bijna 7 jaar, zodat ook in zoverre sprake is van een schending van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn.
Het hof zal de geconstateerde overschrijding(en) verdisconteren in de strafmaat en in plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaar, een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar aan de verdachte opleggen.

Benadeelde partijen

Algemene overwegingen
[benadeelde partij 1] (de vader van het slachtoffer), [benadeelde partij 2] (de moeder van het slachtoffer), [benadeelde partij 3] (de broer van het slachtoffer) en het slachtoffer zelf, [slachtoffer] , hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd. Alle benadeelde partijen vorderen een vergoeding voor door hen geleden immateriële schade; het slachtoffer en zijn broer vorderen bovendien vergoeding van door hen geleden materiële schade.
De gevorderde immateriële schadevergoeding van de vader, de moeder en de broer van het slachtoffer bestaat telkens uit vergoeding wegens schokschade en vergoeding wegens affectieschade.
Schokschade
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie daarvoor ECLI:NL:HR:2022:958)
Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Affectieschade
Naast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW Pro (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 42.500,00. Deze in eerste aanleg geheel toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde vordering bestaat uit € 25.000,00 aan schokschade en € 17.500,00 aan affectieschade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair is de verdediging van oordeel dat de schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd, wegens onvoldoende onderbouwing.
Schokschade
Zowel uit hetgeen door en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht, volgt dat het aantreffen van zijn zoon in comateuze toestand bij de vader van het slachtoffer een zeer hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht.
Gelet op de hiervoor genoemde criteria voor toekenning van een immateriële schadevergoeding en de hiervoor genoemde gezichtspunten en de toepassing daarvan op het onderhavige geval is zonneklaar dat de omstandigheden waaronder de onrechtmatige daad en de confrontatie met de gevolgen daarvan hebben plaatsgevonden maken dat de verdachte door het bewezen verklaarde handelen ook jegens de vader van het slachtoffer, die zijn zoon in de woning op bed onder het bloed en in comateuze toestand aantrof en samen met een buurman eerst hulp heeft verleend totdat medisch personeel was gearriveerd (nadat de verdachte de zoon van de benadeelde partij zwaar had mishandeld), onrechtmatig heeft gehandeld.
De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd met onder meer een brief van de psycholoog waarin wordt aangegeven dat sprake is van een PTTS. De benadeelde partij is klachten gaan ontwikkelen, zoals onvrijwillige, terugkerende beelden en herinneringen van het zien van zijn zoon, flashbacks, nachtmerries, somberheid, slaapproblemen, energieverlies, toegenomen prikkelbaarheid en spierspanning, alertheid en toegenomen bezorgdheid. De benadeelde partij durfde niet meer het huis van zijn zoon te betreden sinds dat hij daar zijn zoon heeft gevonden.
Het hof stelt vast dat op grond van het voorgaande in voldoende mate is komen vast te staan dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht doordat hij zijn zoon in comateuze toestand heeft aangetroffen. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade in de zin van schokschade.
Affectieschade
Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en voor nabestaanden van overleden slachtoffers. Het ernstig letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Het hof benadrukt dat deze vergoeding uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten, waaronder in beginsel begrepen de ouders van het slachtoffer.
Het hof is van oordeel dat gelet op het ter zake van schokschade gevorderde bedrag in samenhang bezien met de wijze waarop de benadeelde partij zijn zoon heeft aangetroffen en de gevolgen die die confrontatie voor de benadeelde partij heeft gehad, hoewel sprake is van samenloop van schok- en affectieschade, die samenloop in casu niet dient te leiden tot matiging van het gevorderde.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 42.500,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft het hof gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals hiervoor benoemd, en in het bijzonder ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 32.500,00. Deze in eerste aanleg deels toegewezen en in hoger beroep voor het geheel gehandhaafde vordering bestaat uit € 15.000,00 aan schokschade en € 17.500,00 aan affectieschade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair is de verdediging van oordeel dat de schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd, wegens onvoldoende onderbouwing.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de schokschade is door de verdediging betwist.
Schokschade
Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat ook bij de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, sprake is van een hevige emotionele schok die is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het onder 1 bewezenverklaarde. Uit die emotionele schok is vervolgens geestelijk letsel voortgevloeid. De benadeelde partij is direct nadat zij van haar man hoorde dat het slachtoffer naar het ziekenhuis moest naar het ziekenhuis gegaan. Zij heeft haar zoon aldaar, in comateuze toestand en met verwondingen, gezien op de spoedeisende hulp.
Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat sprake is geweest van een directe confrontatie met (de gevolgen van) het feit. Deze omstandigheden hebben een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeggebracht, zoals blijkt uit de toelichting op de vordering.
Namens de benadeelde partij is een verklaring van het Daan Theeuwes Centrum in het geding gebracht ter onderbouwing van de gestelde geestelijke schade.
Volgens dat stuk, ondertekend door J. Grit, een gezondheidszorgpsycholoog, is bij mevrouw [benadeelde partij 2] PTSS vastgesteld. Daarin wordt voorts gesteld dat deze het gevolg is van de confrontatie met wat haar zoon is aangedaan, hetgeen nader wordt beschreven als wat de benadeelde partij heeft gezien op de spoedeisende hulp, waar artsen haar zoon probeerden te redden en haar daarbij vertelden dat de kans dat haar zoon het zou overleven zeer klein was en dat zij zich moest voorbereiden op het ergste.
Het hof stelt vast dat op grond van het voorgaande, in voldoende mate is komen vast te staan dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht doordat zij haar zoon onder de beschreven omstandigheden heeft gezien in het ziekenhuis na de ernstige mishandeling door de verdachte. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis. Met inachtneming van de criteria voor toekenning van een immateriële schadevergoeding op grond van schokschade en de hiervoor genoemde gezichtspunten en de toepassing daarvan op het onderhavige geval heeft de verdachte ook onrechtmatig gehandeld ten aanzien van de benadeelde partij.
Gelet op het voorgaande kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade in de zin van schokschade en zal de vordering worden toegewezen.
Affectieschade
Het hof is van oordeel dat ook bij de moeder van het slachtoffer, als naaste zoals bedoeld in de hierboven aangehaalde artikelen uit het BW, gelet op het ter zake van schokschade gevorderde bedrag in samenhang bezien met de omstandigheden waaronder de benadeelde partij haar zoon heeft gezien in het ziekenhuis en de gevolgen die die confrontatie voor de benadeelde partij heeft gehad, hoewel sprake is van samenloop van schok- en affectieschade, die samenloop niet dient te leiden tot matiging van het gevorderde.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 32.500,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft het hof gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals hiervoor benoemd, en in het bijzonder ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 32.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële en materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 46.986,23. Deze in eerste aanleg ingediende en in hoger beroep gehandhaafde immateriële vordering bestaat uit € 15.000,00 aan schokschade en € 15.000,00 aan affectieschade. De materiële schade is ook gevorderd door het slachtoffer. Indien het hof concludeert dat het slachtoffer niet in aanmerking komt voor vergoeding van de gevorderde materiële schade (hetgeen het hof begrijpt als het afwijzen van de vordering), dan vordert de benadeelde partij de schadeposten als verplaatste schade, dan wel rechtstreekse schade.
De advocaat-generaal concludeert tot toewijzing van € 2.520,92 van de gevorderde materiële schade, alsmede toewijzing van de gevorderde schokschade en niet-ontvankelijkverklaring ter zake van de overige schade.
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair is de verdediging van oordeel dat de schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd, wegens onvoldoende onderbouwing.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de schokschade is door de verdediging betwist.
Schokschade
Uit de stukken in het dossier volgt dat de benadeelde partij, de broer van het slachtoffer, direct geconfronteerd is met de gevolgen van het misdrijf dat zijn broer is overkomen. De benadeelde partij is evenals zijn moeder direct naar het ziekenhuis gegaan. Hij heeft daar zijn broertje, in comateuze toestand en met verwondingen, gezien op de spoedeisende hulp. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat sprake is geweest van een directe confrontatie met (de gevolgen van) het door de verdachte begane feit. Dit heeft een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeggebracht, zoals blijkt uit de toelichting op de vordering.
Ter onderbouwing is namens de benadeelde partij, een verklaring van het Daan Theeuwes Centrum in het geding gebracht ter onderbouwing van de gestelde geestelijke schade.
Volgens dat stuk, ondertekend door J. Grit, een gezondheidszorgpsycholoog, is bij de benadeelde partij PTSS vastgesteld. Daarin wordt voorts gesteld dat deze het gevolg is van de confrontatie met wat zijn broer is aangedaan, hetgeen nader wordt beschreven als wat de benadeelde partij heeft gezien op de spoedeisende hulp, waar artsen vertelden dat de kans dat zijn broer het zou overleven zeer klein was en dat hij zich moest voorbereiden op het ergste en de schok die dat heeft veroorzaakt.
Het hof stelt vast dat op grond van het voorgaande in voldoende mate is komen vast te staan dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht doordat hij zijn broertje heeft gezien in het ziekenhuis na de ernstige mishandeling door de verdachte. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis. Met inachtneming van de criteria voor toekenning van een immateriële schadevergoeding op grond van schokschade en de hiervoor genoemde gezichtspunten en de toepassing daarvan op het onderhavige geval heeft de verdachte ook onrechtmatig gehandeld ten aanzien van de benadeelde partij.
Gelet op het voorgaande kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade in de zin van schokschade.
Het hof is van oordeel dat in zoverre aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 15.000,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft het hof gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals hiervoor benoemd, en in het bijzonder ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Affectieschade
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] , de broer van het slachtoffer, heeft vergoeding van affectieschade gevorderd, voor een bedrag ter hoogte van € 15.000,00.
Broers (en zussen) en zussen hebben echter in beginsel geen recht op affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 BW Pro. In de onderhavige zaak is ten aanzien van de benadeelde partij, de broer van het slachtoffer, een beroep gedaan op de hardheidsclausule.
De hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 sub g BW Pro ziet op een andere persoon die ten tijde van het ontstaan van het ernstige letsel een zodanige nauwe persoonlijke relatie heeft tot de gekwetste, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij of zij voor de toepassing van lid 1 onder b als gerechtigde tot het ontvangen van een vergoeding voor affectieschade wordt aangemerkt.
Het hof neemt als uitgangspunt dat bij de uitleg van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten dient te worden bij de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de toelichting en wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting is vermeld dat sprake kan zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking” tussen bijvoorbeeld broers en zussen als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Het hof leidt hier uit af dat de wetgever heeft bedoeld dat slechts in uitzonderlijke gevallen broers of zussen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade en dat het onvoldoende is dat uitsluitend komt vast te staan dat zij een zeer goede en hechte band hadden. Het hof gaat bij haar beoordeling in onderhavige casus uit van een liefdevolle en betrokken band tussen de broers. Dat blijkt ook wel uit wat de benadeelde partij de afgelopen jaren voor zijn broer heeft gedaan. Deze bijzondere band is echter niet aan te merken als een nauwe en persoonlijke betrekking zoals hiervoor genoemd en is daardoor onvoldoende voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Niet aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de (bijzondere) aanvullende eisen die de wetgever stelt aan een beroep op de hardheidsclausule, zoals hiervoor besproken. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Materiële schade
De reis- en parkeerkosten worden als verplaatste schade toegewezen tot een bedrag van € 2.518,92.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij ten gevolge van feit 1 materiële schade heeft geleden en dat deze schade (als verplaatste schade) het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich voor toewijzing tot een bedrag van 2.518,92, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag. De aanvangsdatum zal het hof in dit verband en vanuit praktisch oogpunt bepalen op 29 november 2020, te weten de dag waarop deze kosten namens de benadeelde partij werden gevorderd.
Voor zover in hoger beroep ten aanzien van de reis- en parkeerkosten een hoger schadebedrag is gevorderd dan in eerste aanleg kan de benadeelde partij in zoverre niet in zijn vordering worden ontvangen. Een verhoging van de vordering is niet toegestaan, tenzij het gaat om proceskosten. De gevorderde reis- en parkeerkosten kunnen echter niet als zodanig worden beschouwd. In zoverre is de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk.
Het hof zal voor wat betreft de overige gevorderde materiele schade geen beslissing nemen nu de vergoeding van die schade voorwaardelijk wordt verzocht en de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet is vervuld. Het hof zal namelijk ten aanzien van de overige materiële schadeposten de vordering van het slachtoffer niet afwijzen. Overigens zou een beoordeling van een deel van die schadeposten een onevenredige belasting van het geding meebrengen, zodat (indien geen sprake zou zijn van een voorwaardelijke vordering) een niet-ontvankelijkverklaring in de rede zou hebben gelegen.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.518,92 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en in eerste aanleg een vordering ingediend ter hoogte van € 990.985,10, bestaande uit € 350.000,00 aan immateriële schadevergoeding en € 640.985,10 aan materiële schadevergoeding. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering gewijzigd in een totaalbedrag van € 959.572,23, bestaande uit € 400.000,00 aan immateriële schade en € 559.572,23 aan materiële schade.
De advocaat-generaal heeft – kort samengevat- het volgende geëist:
De vordering van [slachtoffer] is voor toewijzing vatbaar, met uitzondering van de volgende posten:
  • ten aanzien van de post hulpmiddelen dient de vordering voor wat betreft de iPad en toebehoren, de kleding, de duofiets en de driewielfiets niet-ontvankelijk te worden verklaard;
  • ten aanzien van de rolstoelbus en de toekomstige hulpmiddelen (elektrische rolstoel) refereert de advocaat-generaal zich aan het oordeel van het hof;
  • de post betreffende de mantelzorg en huishoudelijke hulp is tot een bedrag van € 283.711,94 toewijsbaar, de genoemde verhoging in hoger beroep is niet mogelijk;
  • ten aanzien van de post beschadigde zaken zijn de horloges toewijsbaar tot een bedrag van € 550,00, de kledingschade tot een bedrag van € 35,00 en de woningschade tot een bedrag van € 600,00. Ten aanzien van de posten spaargeld en de aanpassing van de woning van de ouders dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard;
  • ten aanzien van de post aanpassingen woning [slachtoffer] dient de vordering voor wat betreft de nieuwe tv en het witgoed niet-ontvankelijk te worden verklaard;
  • ten aanzien van de reis- en parkeerkosten dient de vordering te worden afgewezen.
Voorts vordert de advocaat-generaal met betrekking tot de immateriële schadevergoeding toewijzing tot een bedrag van € 350.000,00 en geeft zij het hof in overweging om de schadevergoedingsmaatregel te bepalen op het verhoogde bedrag van € 400.000,00.
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair is de verdediging van oordeel dat de schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd, wegens onvoldoende onderbouwing.
Verhoging vordering schadevergoeding in hoger beroep
Het hof overweegt het volgende.
Op grond van artikel 421 lid 3 Sv Pro kan, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945).
Gelet op het voorgaande is de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor zover de gevorderde schadevergoeding ter zake immateriële schade het in eerste aanleg daarvoor gevorderde bedrag te boven gaat. De immateriële schadevergoeding is derhalve in hoger beroep aan de orde tot een bedrag van € 350.000,00
En gelet op het voorgaande is de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk voor zover de gevorderde schadevergoeding ter zake de verschillende posten aan materiële schade het in eerste aanleg daarvoor gevorderde bedrag te boven gaat.
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zeer ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten blijvend, ernstig hersenletsel, een halfzijdige verlamming, blindheid aan één oog, ernstige cognitieve stoornissen (geheugen, taal, gedrag informatieverwerking), verminderde alertheid en extreme vermoeidheid en incontinentie. De benadeelde partij is door deze letsels volledig afhankelijk van een rolstoel en 24-uurszorg. Tevens heeft de benadeelde partij last van nierfalen, longproblemen en hartritmestoornissen. Verder staat de benadeelde partij onder controle bij de oogarts en is sprake van veelvuldige ziekenhuisopnames en/of -bezoeken.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en mede gelet op de bedragen die in de zogeheten Rotterdamse schaal worden genoemd bij de hiervoor genoemde letsels – voor toewijzing tot een bedrag van € 350.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft het hof gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering is aangevoerd en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Materiële schade
Eigen risico
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 10.776,46 voor het eigen risico. Omdat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en de gevorderde schadepost het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel van de vordering worden toegewezen voor zover de kosten inmiddels zijn ontstaan. Gelet op hetgeen namens de benadeelde partij is gesteld over zijn huidige toestand en de verslechtering ten opzichte van het toestandsbeeld ten opzichte van de situatie ten tijde van de behandeling van deze zaak in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat de (ook nabije) toekomst met zoveel onzekerheid is omgeven dat het hof niet vooruit zal lopen op eventuele toekomstige kosten. Naar het oordeel van het hof is op dit moment onvoldoende voorzienbaar dat (en in het bijzonder ook in welke mate) er in de toekomst meer kosten worden gemaakt. Het eigen risico zal dus slechts worden toegewezen voor wat betreft de inmiddels ontstane kosten, te weten € 2.695,00. Het resterende bedrag van € 8.801,46 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
Eigen bijdrage ziektekosten
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 10.076,69 voor de eigen bijdrage van ziektekosten. Omdat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en de gevorderde schadepost het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel van de vordering integraal worden toegewezen voor zover deze kosten inmiddels zijn ontstaan, te weten voor een bedrag van € 1.980,00, met niet-ontvankelijk verklaring voor het overige.
Niet vergoede zorgkosten
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 27.895,13 voor de niet vergoede zorgkosten. Omdat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en de gevorderde schadepost het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel worden toegewezen tot een bedrag van € 7.928,77. Het resterende bedrag van € 19.966,36 zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit (mede gegeven hetgeen hiervoor is opgemerkt over het onzekere karakter van toekomstige schade) onvoldoende is onderbouwd.
Kosten second opinion
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 300,00 voor de kosten van een second opinion. Dit onderdeel van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu onvoldoende is onderbouwd wat deze second opinion inhield en waarvoor dit bedrag zou zijn betaald.
Revalidatie en verblijfskosten België
De kosten voor de revalidatie in België en de verblijfskosten in België zijn in hoger beroep komen te vervallen (nu een en ander zoals toegelicht geen doorgang heeft gevonden). Het hof hoeft derhalve hierop niet te beslissen.
Ziekenhuis-en revalidatieopname
De vordering voor de kosten aan ziekenhuis- en revalidatieopname is aan de orde tot het totaal van het hiervoor in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 6.225,00. Omdat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en omdat de gevorderde schade het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel integraal worden toegewezen en voor zover een hoger bedrag wordt gevorderd dan in eerste aanleg niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beschadigde zaken
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 9.550,00 aan beschadigde zaken, bestaande uit € 4.500,00 aan horloges, € 1.750,00 aan spaargeld, € 250,00 aan kledingschade en € 3.050,00 aan woningschade. Het gevorderde bedrag ten aanzien van de horloges zal worden toegewezen tot een bedrag van € 550,-, omdat uit het dossier is gebleken dat de horloges voor dit bedrag zijn aangeschaft. Voor het resterende bedrag ten aanzien van deze schadepost zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De schadepost spaargeld zal niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. De schade aan de kleding wordt door het hof geschat op € 35,00, het overige deel zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
De schade aan de woning van het slachtoffer zal worden geschat op € 600,00, te weten € 100,00 voor de schoonmaak van de woning en € 500,00 voor de waarde van het matras, het laken en het deken. Voor het overige zal dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Aanpassing woning [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 19.545,00 voor kosten van een verbouwing van zijn woning. De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.759,00 ten aanzien van de aanschaf van een nieuw bed (in eerste aanleg gevorderd als toekomstige aanschaf nieuwe meubels) en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Aanpassing woning ouders
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 1.050 aan kosten gemaakt in de woning van de ouders. De benadeelde partij zal in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezenverklaarde feit en de kosten hiervan onvoldoende zijn onderbouwd.
Reis- en parkeerkosten
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 4.155,59 aan reiskosten en € 2.437,33 aan parkeerkosten. De kosten zullen worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt. De genoemde posten zullen als verplaatste schade (tot het in eerste aanleg door deze gevorderde bedrag) worden toegewezen bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] .
Onevenredige belasting van het strafproces
Op de zitting in hoger beroep heeft de verdediging ter zake van de vordering van de benadeelde partij aangevoerd dat die vordering niet eenvoudig is en een onevenredige belasting is van het strafproces.
Het hof overweegt dat - in tegenstelling tot de hierboven behandelde onderdelen - de vordering voor wat betreft de resterende onderdelen, die hierna nog zullen worden genoemd, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu deze niet eenvoudig van aard zijn en/of een nadere onderbouwing behoeven, hetgeen in dit stadium van het geding een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Bovendien acht het hof niet verzekerd dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van deze schadeposten genoegzaam naar voren te brengen.
Daarbij heeft het hof onder meer betrokken dat namens de benadeelde partij is bevestigd dat de eerder gestelde eindtoestand thans aan verandering onderhevig is waardoor de inschatting met betrekking tot toekomstige zorg (en daarmee gepaard gaande kosten) zeer wel mogelijk veranderd is, alsmede de proceshouding van de verdachte (die het causaal verband tussen zijn handelen en de schade betwist), de aard (onder meer toekomstige schade, waardoor een voornaam deel van de vordering met meer of minder onzekerheid over het ontstaan/intreden van de schade is omgeven), de veelheid en/of omvang van (het totaal van) de (verschillende onderdelen van de) schadeposten en de (relatieve) omvang van de onderbouwing van deze schadeposten, terwijl (het totaal van) de gevorderde bedragen (in totaal) zo hoog is/zijn dat een eventuele (integrale) toewijzing (zeker in combinatie van de hiervoor besproken beslissingen) verstrekkende (financiële) consequenties zal hebben voor de verdachte, waar hij mogelijk de rest van zijn leven mee geconfronteerd zal worden.
Het hof komt daarom tot het oordeel dat de navolgende onderdelen van de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard zullen worden en bepaalt daarbij dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, hetgeen ook geldt voor zover de benadeelde partij ten aanzien van de eerder besproken onderdelen van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Hulpmiddelen
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 153.127,96 aan kosten voor diverse deels al aangeschafte maar veelal nog aan te schaffen hulpmiddelen.
Mantelzorg/huishoudelijke hulp
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 312.888,37 aan kosten voor de mantelzorg/huishoudelijke hulp.
Concluderend acht het hof de volgende posten voor toewijzing vatbaar:
  • Eigen risico: € 2.695,00
  • Eigen bijdrage ziektekosten € 1.980,00
  • Niet vergoede zorgkosten € 7.928,77
  • Ziekenhuis- en revalidatieopname: €6.225,00
  • Beschadigde zaken
o Horloges: € 550,00
o Kledingschade € 35,00
o Woning [slachtoffer] : € 600,00
 Aanpassing woning [slachtoffer] : € 10.759,00

Totaal: € 30.772,77

Concluderend acht het hof de volgende posten niet-ontvankelijk:
  • Eigen risico € 8.081,46
  • Eigen bijdrage ziektekosten € 8.096,69
  • Niet vergoede zorgkosten: € 19.966,36
  • Second opinion: € 300,00
  • Hulpmiddelen: € 153.127,66
  • Ziekenhuis- en revalidatieopname € 1.545,00
  • Mantelzorg/huishoudelijk hulp: € 312.888,37
  • Beschadigde zaken: € 8.365,00
  • Aanpassing woning ouders: € 1.050,00
  • Aanpassing woning [slachtoffer] € 8.786,00

Totaal: € 522.206,54

Concluderend acht het hof de volgende posten voor afwijzing vatbaar:
 Reis- en parkeerkosten: € 6.592,92

Totaal: € 6.592,92

De vordering leent zich aldus voor toewijzing tot een bedrag van € 380.772,77, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag. De aanvangsdatum zal het hof voor wat betreft de materiële schade vanuit praktisch oogpunt bepalen op 29 november 2020, te weten de dag waarop deze kosten namens de benadeelde partij werden gevorderd. Voor wat betreft de immateriële schade zal de ingangsdatum worden bepaald op 2 juli 2019.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 380.772,77 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof ziet in hetgeen namens de benadeelde partij daartoe is aangevoerd geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een hoger bedrag dan tot welk bedrag de vordering van de benadeelde partij is toegewezen. Binnen het wettelijk systeem is niet uitgesloten dat, onder omstandigheden, een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor schade die niet is gevorderd dan wel niet zonder meer toewijsbaar is als vordering benadeelde partij. Deze mogelijkheid heeft echter niet tot doel om wettelijke beperkingen, inhoudende dat de benadeelde partij zich in hoger beroep slechts mag voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering, te omzeilen. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval van dit laatste sprake. Dat de gevolgen van het feit inmiddels nog erger blijken te zijn dan in eerste instantie werd gedacht maakt dat, hoe verdrietig ook, niet anders.

Verweer verdediging ten aanzien van (ingangsdatum) wettelijke rente

De verdediging heeft aangevoerde dat indien de verdachte mocht worden veroordeeld tot betaling van schade de toegewezen bedragen niet vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente, omdat zaak buiten schuld van de verdachte 7 jaar heeft geduurd.
In dat verband zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang:
- art. 6:162, eerste lid, BW:
"Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden."
- art. 6:119, eerste lid, BW:
"De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest."
- art. 6:83, aanhef en onder b, BW:
"Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
(...)
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en Pro de verbintenis niet terstond wordt nagekomen."
Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat de verdachte ten gevolge van zijn onrechtmatige gedragingen jegens de benadeelde partij jegens deze schadeplichtig is en dat hij zonder ingebrekestelling tevens de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden (vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123).
Naar het oordeel van het hof staat het de rechter gelet op het voorgaande in beginsel niet vrij om in een geval als het onderhavige - waarin de verschuldigdheid van de schadevergoeding voortkomt uit de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en de verdachte sinds het ontstaan van de schade in verzuim is die te vergoeden - te bepalen dat de verdachte de wettelijke rente niet of vanaf een latere datum dan die waarop de schade is geleden verschuldigd is. Het hof ziet geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW Pro) in afwijking van het voorgaande anders te oordelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte er door het instellen van hoger beroep en het in de tussentijd niet vergoeden van de schade heeft bijgedragen aan de duur van de strafprocedure en de omvang van de inmiddels verschuldigde wettelijke rente, maar in het bijzonder ook dat ook de benadeelde partijen – zonder dat zij daar enige invloed op hebben kunnen uitoefenen - door het tijdsverloop zijn benadeeld in die zin dat zij al geruime tijd wachten op vergoeding van hun schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 303 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
2 juli 2019.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
2 juli 2019.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.518,92 (zeventienduizend vijfhonderdachttien euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 2.518,92 (tweeduizend vijfhonderdachttien euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.518,92 (zeventienduizend vijfhonderdachttien euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 2.518,92 (tweeduizend vijfhonderdachttien euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 47 (zevenenveertig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
29 november 2020en van de immateriële schade op
2 juli 2019.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 380.772,77 (driehonderdtachtigduizend zevenhonderdtweeënenzeventig euro en zevenenzeventig cent) bestaande uit € 30.772,77 (dertigduizend euro zevenhonderdtweeënenzeventig euro en zevenenzeventig cent) materiële schade en € 350.000,00 (driehonderdvijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst afde vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 6.592,92 (zesduizend vijfhonderdtweeënnegentig euro en tweeënnegentig cent) aan materiële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van €
380.772,77(driehonderdtachtigduizend zevenhonderdtweeënzeventig euro en zevenenzeventig cent) bestaande uit € 30.772,77 (dertigduizend euro zevenhonderdtweeënenzeventig euro en zevenenzeventig cent) materiële schade en € 350.000,00 (driehonderdvijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 158 (honderdachtenvijftig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 november 2020 en van de immateriële schade op 2 juli 2019.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. H.W. Scheepbouwer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2026.
Mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.