Appellant vorderde schadevergoeding wegens tekortkomingen van geïntimeerde als werkgever, met een causaal verband tussen het handelen van geïntimeerde en zijn ziekte. De arbeidsovereenkomst eindigde in juli 2018 na langdurige arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde dat de verjaring was gestuit door e-mails in september 2020.
Het hof oordeelde dat de vordering verjaard is omdat de verjaring slechts eenmaal was gestuit door een brief van december 2018. De e-mails van september 2020 waren niet gericht aan een adres waarvan appellant redelijkerwijs mocht aannemen dat geïntimeerde daar bereikbaar was, waardoor deze geen geldige stuitingshandelingen vormden.
De procedure in hoger beroep leidde tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter, die de vorderingen had afgewezen. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof wees het bewijsaanbod van appellant af en verklaarde geïntimeerde niet-ontvankelijk in haar vordering tot proceskostenveroordeling van de eerste aanleg.