ECLI:NL:GHDHA:2026:57

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
22-002617-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep wegens afstand van het recht en termijnoverschrijding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, waarbij de verdachte was veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. De verdachte had hoger beroep ingesteld, maar het hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep. Dit is gebaseerd op het feit dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afstand heeft gedaan van het recht om in hoger beroep te gaan. Daarnaast is het hoger beroep te laat ingesteld, aangezien dit pas op 20 augustus 2025 is gedaan, terwijl de termijn voor het instellen van hoger beroep binnen veertien dagen na het vonnis van 9 juli 2025 had moeten zijn.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in eerste aanleg aanwezig was en bijgestaan door een advocaat. De politierechter heeft direct uitspraak gedaan en de verdachte heeft afstand gedaan van het recht op hoger beroep. Het hof heeft geen bijzondere omstandigheden kunnen vaststellen die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar zouden maken. De advocaat van de verdachte heeft, al dan niet verwijtbaar, niet tijdig hoger beroep ingesteld, wat voor risico van de verdachte komt. Het hof concludeert dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, en heeft dit arrest uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 januari 2026.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002617-25
Parketnummer: 10-071671-25
Datum uitspraak: 7 januari 2026
VERSTEK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
adres: [woonadres], [woonplaats].
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 januari 2026 gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en onder oplegging van bijzondere voorwaarden als nader in het vonnis omschreven.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde (vlg. HR 28 maart 1995, NJ 1995/500).
Het hof stelt – op grond van de aantekening mondeling vonnis van 9 juli 2025 en de e-mail van de verdachte van woensdag 20 augustus 2025, 16:31 uur - vast dat de verdachte in eerste aanleg is verschenen ter terechtzitting van 9 juli 2025 en dat hij in eerste aanleg ook werd bijgestaan door een advocaat. De politierechter heeft blijkens de aantekening mondeling vonnis onmiddellijk uitspraak gedaan. De door de politierechter ondertekende aantekening mondeling vonnis behelst de mededeling dat de verdachte en de officier van justitie ter zitting afstand hebben gedaan van het recht om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van de politierechter.
Als de verdachte ter zitting afstand heeft gedaan van zijn recht op hoger beroep, kan geen hoger beroep meer worden ingesteld, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand conform artikel 381 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Het hof ziet in hetgeen de verdachte (in de door hem verstuurde en zich bij de stukken bevindende e-mails) heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de ter terechtzitting gedane afstand, te meer omdat de verdachte in eerste aanleg werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsvrouw.
Daar komt nog bij dat zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat de verdachte ter terechtzitting geen (rechtsgeldige) afstand zou hebben gedaan, het hoger beroep te laat is ingesteld. Ingevolge artikel 408 lid 1 onder b Sv moest het hoger beroep in deze zaak binnen veertien dagen na het vonnis van 9 juli 2025 worden ingesteld. Er is echter pas op 20 augustus 2025 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld.
Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan uitsluitend dan niet hieraan worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587).
Artikel 449 Sv verschaft aan de verdachte de bevoegdheid zelf hoger beroep in te stellen, terwijl artikel 450 Sv de verdachte daarnaast de keuze laat het rechtsmiddel in te stellen door tussenkomst van een gemachtigd raadsman of vertegenwoordiger. De verdachte heeft zijn wens om hoger beroep in te stellen naar zijn zeggen in eerste instantie slechts aan zijn raadsvrouw – en niet aan de griffie van de rechtbank Rotterdam - kenbaar gemaakt. Dat de raadsvrouw – al dan niet verwijtbaar - niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld, komt onder deze omstandigheden voor risico van de verdachte (vgl. HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16 en recent nog HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1457). Van enige (andere) omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, is het hof niet gebleken.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. B.W. Mulder en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 januari 2026.
Mr. J.P.L.M. Remmerswaal is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.