ECLI:NL:GHDHA:2026:52

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.353.349/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopig deskundigenbericht in hoger beroep aanvaring binnenvaartschepen

Deze zaak betreft een hoger beroep over de schuld- en schadevaststelling na een aanvaring op 23 augustus 2021 tussen twee binnenvaartschepen, de Ursula Valentin en de Vacando, waarbij beide schepen beschadigd raakten. De rechtbank had eerder een schuldverdeling van 80-20 ten nadele van Vacando c.s. vastgesteld en de schadeposten begroot op respectievelijk € 834.592,64 en € 627.145,46.

Eiltank verzocht het hof om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten op grond van art. 196 Rv Pro om onenigheid over bepaalde schadeposten en voordeelstoerekening te verhelderen. Het hof overweegt dat het verzoek niet ziet op omstreden feiten waarvan het bewijs verloren kan gaan, maar op juridische beoordeling van causaliteit en schadebegroting, wat niet geschikt is voor een voorlopig deskundigenbericht.

Het hof wijst het verzoek af omdat het niet binnen het toepassingsbereik van art. 196 Rv Pro valt en bovendien in strijd is met de goede procesorde. Eiltank wordt veroordeeld in de proceskosten van het verzoek, begroot op € 2.769,-. Het hof benadrukt dat in de hoofdzaak, indien nodig, een deskundigenbericht kan worden gelast met gerichtere vragen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht af en veroordeelt Eiltank in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.353.349/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/651429 / HA ZA 23-74
Beschikking ex art. 196 Rv Pro van 24 februari 2026
in de zaak van
Eiltank Schiffahrt GmbH & Co Chemietransport KG,
gevestigd in Aschaffenburg, Duitsland,
verzoekster,
advocaat: mr. J.C. van Zuethem, kantoorhoudend in Breda,
tegen

1.V.O.F. Vacando,

2.
Vacando B.V.,
3.
Aivilo Holding B.V.,
alle gevestigd in Zwijndrecht,
verweersters,
advocaat: mr. T. Roos, kantoorhoudend in Capelle aan den IJssel.
Het hof noemt partijen hierna Eiltank en respectievelijk Vof Vacando, Vacando B.V. en Aivilo Holding, en tezamen Vacando c.s.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak betreft een verzoek een voorlopig deskundigenbericht te gelasten in het kader van een hoger beroep in een zaak waarin de rechtbank heeft geoordeeld over de schuld en schade als gevolg van een aanvaring tussen twee binnenvaartschepen.
1.2
Het hof wijst het verzoek af. Daartoe overweegt het hof dat het verzoek geen omstreden feiten betreft waarvan het bewijs verloren kan gaan, maar de begroting van de omvang van de schade (causaliteit en voordeelstoerekening). Dit betreft geen feiten maar vergt een juridische beoordeling. Daarvoor is een voorlopige bewijsverrichting niet bedoeld. Voor zover al niet zou moeten worden geoordeeld dat het verzoek het toepassingsbereik van art. 196 Rv Pro te buiten gaat, is sprake van strijd met de goede procesorde/bestaat onvoldoende belang bij een voorlopig deskundigenbericht.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Bij appeldagvaarding van 10 januari 2025 heeft Eiltank Vacando c.s. gedagvaard tegen 15 april 2025 (de hoofdzaak met zaaknummer 200.353.468/01). Bij verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 7 april 2025, heeft Eiltank het hof verzocht om op grond van art. 196 Rv Pro een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. Vacando c.s. heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend. Eiltank heeft bij akte overlegging productie bijlage 7 overgelegd, waarin de vraagstelling aan de deskundige is aangepast. De hoofdzaak is op 15 april 2025 ingeschreven en ambtshalve geroyeerd in afwachting van de uitkomst van de onderhavige (verzoekschrift)procedure.
2.2
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 16 december 2025. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 23 augustus 2021 heeft op de Oude Maas te Rhoon, gemeente Albrandswaard, een frontale aanvaring plaatsgevonden tussen motortankschip Ursula Valentin en motortankschip Vacando. Beide schepen zijn als gevolg van de aanvaring beschadigd. Eiltank en Vacando c.s. hebben elkaar over en weer aansprakelijk gesteld voor de schade.
3.2
Ursula Valentin was ten tijde van de aanvaring eigendom van Eiltank.
3.3
Vacando is eigendom van Vof Vacando, waarvan Vacando B.V. en Aivilo Holding de vennoten zijn.
3.4
Eiltank heeft voor de vaststelling van de schade aan de Ursula Valentin expertisebureau Petermann GmbH (hierna Petermann) als expert aangesteld. Vacando c.s. heeft EOC Expertise B.V. (hierna EOC) in de arm genomen.
3.5
Partijen hebben geen overeenstemming weten te bereiken over de schuldvraag en de hoogte van de schade.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Bij dagvaarding van 7 december 2022 heeft Eiltank Vacando c.s. gedagvaard en – kort samengevat – gevorderd om Vacando c.s. te veroordelen tot de betaling van € 1.825.799,61, vermeerderd met rente en kosten.
4.2
Vacando c.s. heeft op haar beurt – zakelijk weergegeven – in reconventie gevorderd bij wijze van verklaring voor recht de schuldverdeling ter zake van de aanvaring vast te stellen en Eiltank te veroordelen tot betaling van de door de rechtbank vast te stellen schade naar rato van de schuldverdeling, vermeerderd met rente en kosten.
4.3
De rechtbank is bij het bestreden vonnis (ECLI:NL:RBROT:2024:11264) op grond van de ernst van de wederzijdse fouten en de mate waarin deze tot de aanvaring aanleiding hebben gegeven, tot een schuldverdeling gekomen van 80-20 ten nadele van Vacando c.s. De rechtbank heeft op basis van de rapporten van Petermann en de stellingen over en weer de schadeposten onderzocht en de schade van Eiltank begroot op € 834.592,64 (rov. 4.91) en de schade van Vacando c.s. op € 627.145,46 (rov. 4.106). De rechtbank heeft overwogen dat (gelet op de schuldverdeling van 80-20) de vorderingen over en weer tot het gezamenlijk beloop van € 125.429,09 teniet gaan, zodat Eiltank per saldo nog een hoofdsom van € 542.245,02 van Vacando c.s. heeft te vorderen (rov. 4.109). De rechtbank heeft in conventie Vacando c.s. veroordeeld tot betaling aan Eiltank van een bedrag van € 542.245,02 vermeerderd met rente en kosten en heeft in reconventie de vorderingen van Vacando c.s. afgewezen.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
Eiltank heeft Vacando c.s. gedagvaard in hoger beroep (vgl. rov. 2.1). Zij verzoekt het hof bij wijze van voorlopige bewijsverrichting op grond van art. 196 Rv Pro een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. Zij stelt daartoe – kort gezegd – dat de reparatiekosten tussen partijen zijn vastgelegd in de expertiserapporten van Petermann en EOC, maar dat nog onenigheid bestaat over de vragen i) of bepaalde schadeposten zoals beschreven in het rapport van Petermann zijn aan te merken als schade als gevolg van de aanvaring, en ii) of er rekening moet worden gehouden met een eventuele voordeelstoerekening door middel van een nieuw-voor-oud-aftrek (zie verzoekschrift onder nr. 24). In het verzoekschrift verzoekt Eiltank het hof een maritiem deskundige te benoemen met ervaring op het gebied van scheepsbouw en cascoschades met de opdracht de navolgende 17 en eventueel door het hof te formuleren vragen te beantwoorden en daaromtrent een schriftelijk verslag uit te brengen:
I.
Eiltank heeft een bedrag ter hoogte van € 395.542,44 gevorderd voor het reinigen van de ladingtanks nummers 2, 4 en 6. Vast staat dat de olietanks ten tijde van de aanvaring niet gasvrij en niet schoon waren (r.o. 4.40). Was het reinigen van de ladingtanks 2, 4 en 6, met het oog op de ADN-voorschriften, Klasse-eisen, en/of eisen van de werf noodzakelijk voorafgaand aan het herstel van de aanvaringsschade op de werf?
II.
Welke schades die in verband stonden met de aanvaring dienden te worden gerepareerd in de ladingzone en bij welke reparaties was "heet" werk vereist?
III.
Bij het verslepen van de "Ursula Valentin" is een reling op het dek in de ladingzone verbogen. Deze moest worden hersteld. Was hiervoor heet werk nodig of kon dit ook koud worden teruggebogen?
IV.
Was de vervorming van de schotwanden bij tanks 3 en 5 een gevolg van de aanvaring tussen de "Ursula Valentin" en de "Vacando"? Moest in dit verband laswerk uitgevoerd worden?
V.
Kon de werf de uit te voeren werkzaamheden zonder volledige reiniging van de tanks uitvoeren?
VI.
Waren de afgebroken stoppers die zijn vastgelast een schade die het gevolg was van de aanvaring tussen de “Ursula Valentin” en de “Vacando”? Moest in dit verband laswerk uitgevoerd worden?
VII.
Diende het schip volledig gasvrij en gereinigd te zijn om het schip te kunnen inspecteren op aanvaringsschade?
VIII.
Kon voor het afpersen van de ladingtanks en leidingen met lucht voor Klasse, worden volstaan met het slechts vrijmaken van de lassen, zonder de tanks geheel te reinigen? Zo ja, wat zijn de kosten?
IX. Welke schades aan de "Ursula Valentin" zijn veroorzaakt door de aanvaring met de "Vacando"?
X. Is de schade/deformering van de eindstoppingen en de bulkhoofden van de tanks veroorzaakt door de aanvaring? (r.o. 4.77 van het vonnis)
XI. Welke bedragen dienen aan de hoogte van de tussen partijen omstreden schadeposten (zie de nadere uitwerking in het bovenstaande, pagina's 3 tot 6) te worden toegekend?
XII. Wat zijn de totale reparatiekosten van de “Ursula Valentin” met betrekking tot de aanvaringsschade?
XIII. Heeft er een waarde verhoging plaatsgevonden van de “Ursula Valentin” door reparatie en/of vervanging van de generatoren, boegschroefmotor, boegschroefunit, ankers en de elektrische componenten van de pompen van de “Ursula Valentin”?
XIV. Is de verkoopwaarde van de “Ursula Valentin" na reparatie, verminderd door de aanvaring?
XV. Is de verkoopwaarde van de “Ursula Valentin” door de aanvaring in totaal vermeerderd of verminderd? Zo ja, wat is de hoogte van het bedrag?
XVI. Hoe lang heeft de “Ursula Valentin” ten gevolge van de aanvaring niet kunnen varen?
XVII. Was het uitbouwen van de boegschroefunit voor de controle ervan noodzakelijk?
Eiltank geeft daarbij aan te denken aan de benoeming als deskundige van de heer [naam] van Expertisebureau Arntz van Helden, de heer [naam] van Interlloyd Averij, de heer [naam] van Doldrums B.V. dan wel de heer [naam] van M.T.T.C. B.V.
5.2
In bijlage 7 heeft Eiltank de 17 vragen gewijzigd in 16 vragen. Vacando c.s. heeft hiertegen ter zitting bezwaar gemaakt. Daar Eiltank zelf in haar pleitnotities weer is uitgegaan van 17 vragen, gaat ook het hof uit van de 17 vragen zoals geformuleerd in het verzoekschrift.
5.3
Vacando c.s. voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat partijen niet zozeer van mening verschillen over de aard en omvang van de door de wederzijdse experts vastgestelde schades aan het schip en de kosten van reparatie, maar wel over de (juridische) vraag in hoeverre die schades al bestonden voor de aanvaring dan wel door de aanvaring waren veroorzaakt, ofwel in hoeverre die schades in causaal verband tot de aanvaring stonden. Hiervoor is een voorlopig deskundigenbericht niet bedoeld.
5.4
Vacando c.s. wijst er verder op dat Eiltank ook in eerste aanleg al had verzocht om een voorlopig deskundigenbericht. Vacando c.s. heeft ook toen bezwaar gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft Vacando c.s. het verzoek ingetrokken, nadat was besproken dat de rechtbank een deskundigenbericht zou gelasten als zij dat voor de beoordeling van de hoofdzaak noodzakelijk achtte (rov. 1.2). In het bestreden vonnis heeft de rechtbank op basis van de overgelegde expertiserapporten en de stellingen over en weer de schadeposten in detail onderzocht en daarover een oordeel gegeven. Een deskundigenbericht achtte zij daarbij kennelijk niet nodig. Eiltank probeert nu alsnog bij het hof een voorlopig deskundigenbericht af te dwingen, zonder het hof over haar eerdere verzoek te informeren. Dit is in strijd met de goede procesorde, aldus Vacando c.s.

6.Beoordeling van het verzoek

6.1
Art. 196 lid 1 Rv Pro bepaalt – voor zover hier relevant (vgl. rov. 2.1) – dat de rechter voordat een zaak op de rol is ingeschreven, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen kan bevelen, zoals in dit geval een voorlopig deskundigenbericht. Uitgangspunt is, zo volgt uit art. 196 lid 2 Rv Pro, dat de rechter het verzoek toewijst, tenzij zich een of meer van de in dat lid genoemde uitsluitingsgronden voordoet.
6.2
Het hof is van oordeel dat het verzoek niet kan worden toegewezen en overweegt daartoe als volgt.
6.3
Het doel van voorlopige bewijsverrichtingen is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en het voorkomen dat bewijs daarvan verloren gaat. Aan de hand van de verkregen informatie of het vastgelegde bewijs kunnen partijen hun positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. De voorlopige bewijsverrichtingen dienen hierbij als middel om het vinden van een buitengerechtelijke oplossing van het geschil te faciliteren of – als dat niet mogelijk is en een procedure nodig is om het geschil te beëindigen – in een vroeg stadium van de procedure te beschikken over de relevante feiten waardoor de procedure voortvarend kan verlopen (zie Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, blz. 56).
6.4
Het voorlopig deskundigenbericht dient dus tot het vergaren en veiligstellen van bewijs. De rechter dient dit onderzoek in beginsel te gelasten, mits het ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden (vgl. HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:272, rov. 3.3.4, over het in art. 202 (oud) Rv geregelde voorlopige deskundigenbericht, waarvan moet worden aangenomen dat dit ook voor de sinds 1 januari 2025 geldende en hier toepasselijke regeling geldt). In een geval als dit, waarin – zoals Eiltank zelf stelt – voornamelijk de vraag voorligt of de rechtbank de schade goed heeft begroot en juist heeft geoordeeld omtrent causaliteit en voordeelstoerekening, komt het verzoek er echter op neer dat de deskundige beoordeelt of de rechtbank in haar vonnis het recht goed heeft toegepast en haar oordeel deugdelijk heeft gemotiveerd. Dit betreft geen feiten die zich lenen voor bewijslevering (door een deskundigenonderzoek), maar een juridische beoordeling die aan de rechter is voorbehouden. Eiltank dient deze vragen door middel van haar grieven aan de beoordeling van het hof voor te leggen. Dit betekent dat het verzoek van Eiltank – omdat het geen feiten betreft die zich voor bewijslevering lenen – niet valt binnen het toepassingsbereik van art. 196 Rv Pro.
6.5
De omstandigheid dat Eiltank het voorlopig deskundigenbericht zou kunnen gebruiken om haar proceskansen in te schatten, leidt niet tot een ander oordeel. Een voorlopig deskundigenbericht is alleen dan een daartoe geëigend middel indien het gaat om feiten die zich voor bewijslevering lenen (vgl. HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:272, rov. 3.3.6).
6.6
Indien het hof in de hoofdzaak, gelet op het partijdebat en de technische aard van het geschil, op een of meer punten behoefte zou hebben aan deskundige voorlichting, kan het alsnog een deskundigenbericht gelasten. De vragen aan de deskundigen kunnen dan naar alle waarschijnlijkheid veel gerichter worden gesteld, dan de 17 breed opgezette vragen waarom Eiltank verzoekt. Het breed opgezette verzoek van Eiltank is daarom – voor zover toch nog een onderdeel zou vallen binnen het toepassingsbereik van art. 196 Rv Pro – in strijd met de goede procesorde. Voor zover het verzoek elementen bevat dat die kunnen worden aangemerkt als feiten die met het deskundigenonderzoek kunnen worden bewezen, valt verder zonder nadere toelichting niet in te zien voor welke andere beslissing dat bewijs relevant is dan die over de omvang van de schade en causaliteit, zodat (ook) niet is voldaan aan de eis dat voldoende belang bestaat bij de voorlopige bewijsverrichting.
Conclusie en proceskosten
6.7
De conclusie is dat het verzoek dient te worden afgewezen. Het hof zal Eiltank als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het verzoek.
6.8
Die proceskosten worden begroot op:
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 2.769,-

7.Beslissing

Het hof:
  • wijst het verzoek van Eiltank af;
  • veroordeelt Eiltank in de kosten van dit verzoek, aan de zijde van Vacando c.s. begroot op € 2.769,-;
  • bepaalt dat als Eiltank niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Eiltank de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van der Ven, H.J. van Kooten en K. Redeker en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.