Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 8686499 CV EXPL 20-14134
1.Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid,
Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw &Infra,
Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra,
1.De zaak in het kort
De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar dit hof na te hebben overwogen dat de rechter, ook als de bewoordingen van de werkingssfeerbepalingen onduidelijk zijn, de betekenis van de gebruikte bewoordingen aan de hand van objectieve maatstaven moet vaststellen. De Hoge Raad heeft de in de conclusie van de Advocaat-Generaal (AG) gegeven uitleg onderschreven dat ‘voor het antwoord op de vraag of een onderneming kwalificeert als een onderneming op het gebied van het bouw & infrabedrijf in de zin van het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 beslissend [is] welke werkzaamheden worden verricht door deze onderneming ten behoeve van derden.’
2.Procesverloop na verwijzing door de Hoge Raad
- het exploot van 12 september 2024, waarmee de bouwfondsen [appellante] hebben opgeroepen om voort te procederen voor dit hof;
- de memorie na verwijzing van de bouwfondsen;
- de memorie na verwijzing van [appellante] .
Ter zitting heeft [appellante] haar vordering die ziet op het al dan niet verbeurd zijn van dwangsommen ingeval [appellante] onder de werkingssfeer van de onder 1.1. genoemde regelingen valt ingetrokken.
3.Feitelijke achtergrond
“
de deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid is verplicht gesteld voor:A1. werknemers die werkzaam zijn in ondernemingen (…) als hierna omschreven (…).2. De onder 1 bedoelde ondernemingen zijn:a. de ondernemingen op het gebied van het bouw- en infrabedrijf.Hieronder worden verstaan de ondernemingen, waarvan het bedrijf is gericht op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op het gebied van:1. Het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken cq. bouwactiviteiten; waarbij onder bouwwerken cq. bouwactiviteiten wordt verstaan respectievelijk daarmee wordt gelijk gesteld;a. woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard;(….)2. het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan (onderdelen van) bouwwerken;3. het op de bouwplaats uitvoeren van onderdelen van bouwwerken (…)4. het verlenen van diensten op bouwplaatsen;5. elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw indien zij worden verricht door de onderneming die het bouwwerk op de bouwplaats tot stand brengt;6. het verhuren van machines met bedienend personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van werken als onder 1 tot en met 5. genoemd (…)8. a. onder ondernemingen op het gebied van het bouw- en infrabedrijf worden niet verstaan ondernemingen waarvan het bedrijf in overwegende mate gericht is op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op de hiernavolgende gebieden.De overwegende productie wordt bepaald door een vergelijking van de in elke productie verloonde bedragen.1. Baggerwerken.2. Betonmortel en betonmorteltransport3. (…)4.(…)”
“
Voor wie geldt de cao?Werkingssfeer-Deze cao is van toepassing op ondernemingen, op werkgevers en werknemers, in de bouw & infra.(…)-Ondernemingen in de bouw & infra zijn:+Bouw en infraondernemingen (…)+Bouw en infraondernemingen zijn ondernemingen waarvan het bedrijf gericht is op productie voor en/of dienstverlening aan derden op het gebied van:+ het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouw- en infrawerken/-activiteiten;”
Bijgaand ontvangt u de uitspraak van het werkingssfeeronderzoek bij de onderneming [appellante] B.V. in [vestigingsplaats] . (…) Wij zullen de onderneming per 1 januari 2020 bij APG laten inschrijven en hen verzoeken tot premie-inning over te gaan.”
APG is de administrateur van de bouwfondsen.
Ik zal het APG verzoeken de inschrijving van uw onderneming per 1 januari 2020 te handhaven en tot premie-inning over te gaan.”
“
Van [appellante] ontving ik een dossier over de vermeende aansluitplicht van [appellante] bij de stichtingen in de cao bouw en het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 1 januari 2020. (…) Bij brief van 20 november 2019 ontving [appellante] een brief van het bedrijfstakpensioenfonds met het verzoek om gegevens aan te leveren in verband met de aansluiting per 1 januari 2020. Zonder tegenbericht gaat [appellante] er van uit dat zij niet premieplichtig is en geen gegevens hoeft aan te leveren zolang niet vaststaat in rechte of is afgesproken dat [appellante] onder de werkingssfeer valt.”
Verloop van de procedure bij de kantonrechter, het hof Amsterdam en de Hoge Raad
primair: voor recht te verklaren dat [appellante] niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s valt;
subsidiair: (als het hof meent dat [appellante] wel onder die werkingssfeer valt): voor recht te verklaren dat [appellante] niet premieplichtig is vóór 1 januari 2020;
meer subsidiair: voor recht te verklaren dat [appellante] niet onder de werkingssfeer van de bouwfondsen valt vóór 1 januari 2018;
Nog meer subsidiair: voor recht te verklaren dat [appellante] niet onder de werkingssfeer van de bouwfondsen, althans Bpf Bouw, valt vóór 15 juli 2016;
met de hoofdelijke veroordeling van de bouwfondsen in de kosten van dit geding in twee instanties.
De bouwfondsen hebben de grieven bestreden en hebben op hun beurt (incidenteel) hoger beroep ingesteld, onder meer tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van de gestelde premieachterstand van € 138.306,99. [appellante] heeft de incidentele grieven bestreden.
“
3.26 Ik heb evenwel geen aarzeling dat de cao-norm zich hier gewoon laat toepassen, met als uitkomst dat de juiste uitleg (ii) is en niet (i). Ik zou welhaast zeggen, met de cao-norm in de hand: vanzelfsprekend is het antwoord op de vraag of een onderneming kwalificeert als onderneming op het gebied van bouw- en infrabedrijf in de zin van het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a beslissend welke werkzaamheden worden verricht door deze onderneming ten behoeve van derden (= uitleg (ii)), niet welke werkzaamheden worden verricht binnen haar klantenkring (= uitleg (i)).3.27 Overigens ligt het in de rede dat het in uitleg (ii) bij “dienstverlening” aan derden in het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a gaat om door die onderneming ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het “uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten” en wel voor zover deze werkzaamheden niet draaien om het vervaardigen van goederen. Want dit laatste, dus dat vervaardigen van goederen ter zake, betreft naar haar aard “productie” (voor derden) in het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a.3.28 Aldus bezien ontbreekt het niet aan een nadere invulling van dit begrip “dienstverlening”, anders dan het hof kennelijk meent in rov. 3.8 tiende zin. Evenmin is onduidelijk – wederom gezien 3.26-3.27 hiervoor – dat deze werkingssfeerbepaling ook ziet op “dienstverlening” aan derden die zelf geen bouwbedrijf zijn, anders dan het hof kennelijk meent in rov. 3.8, achtste zin.3.29 Of in een concreet geval een onderneming dergelijke werkzaamheden (in de vorm van zulke productie of dienstverlening) ten behoeve van derden verricht als bedoeld in uitleg (ii) en onder 3.26-3.28 hiervoor, is dan een feitelijke vraag waarbij het antwoord afhangt van de gegeven omstandigheden. (…)”
5.Beoordeling in hoger beroep
gehelefeitelijke uitvoering (het doen bouwen, het houden van toezicht op de bouw en het begeleiden van (het uitvoeringsproces van) de bouw) opdraagt aan een ander of anderen. Zij besteedt de feitelijke bouwwerkzaamheden (de productie of: het vervaardigen van goederen) weliswaar uit aan door haar aangezochte ‘bouwers’ maar houdt de daarmee verband houdende dienstverlening aan zich: zij is de regisseur van het bouwproces door deze bouwers en houdt daarop toezicht. Het door [appellante] begeleide bouwproces leidt uiteindelijk tot de oplevering van een bouwwerk door [appellante] aan de klant (sleuteloverdracht): [appellante] draagt er zorg voor dat voor haar klant een bouwwerk wordt gerealiseerd. De dienstverlening bestaande in de realisatie, begeleiding en het regisseren van het gehele proces (het totaalconcept) is naar het oordeel van het hof onmiskenbaar aan te merken als dienstverlening op het gebied van het uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten.
In het Verplichtstellingsbesluit is overigens en ten overvloede, anders dan in het hier niet van toepassing zijnde artikel A lid 2 sub a onder 8 onder a van dat besluit, niet opgenomen dat de toerekenbaarheid van loonsommen aan bepaalde binnen een dienstverlenende onderneming verrichte activiteiten moet worden getoetst. [appellante] heeft ook niet toegelicht waarom desondanks deze toets van toerekenbaarheid zou gelden. .
[appellante] heeft zich verder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling na cassatie uitdrukkelijk op het standpunt gesteld op artikel A lid 2 sub a onder 8 onder a geen beroep te doen. Het hof hoeft bij deze stand van zaken niet verder in te gaan op het debat tussen partijen (mede gebaseerd op de door [appellante] overgelegde rapporten) over de loonsommen en de percentages van die loonsommen die al dan niet aan dienstverlening in de zin van artikel A lid 2 sub a onder 1 onder a van het Verplichtstellingsbesluit kunnen worden toegerekend.
Mijn gevolgtrekking is dat de uitspraak van de kantonrechter onnavolgbaar en onjuist is omdat de kantonrechter uitgaat van onjuiste criteria die niet in de werkingssfeerbepaling staan. Ik onderschrijf de conclusie uit het rapport van [naam] en partners. Een juist uitleg is dat TW [ [appellante] – hof] een projectontwikkelaar is die niet, en sowiezo niet in overwegende mate, uitvoerende bouwwerkzaamheden verricht. Daarom is TW mijns inziens geen bouwonderneming maar een projectontwikkelaar die niet onder de werkingssfeerbepaling valt.’
Het hof stelt vast dat het rapport [partij-deskundige] zijn visie bevat op de juridische vragen die in deze procedure aan de orde zijn en die het hof dient te beantwoorden. Het hof deelt die visie niet (vgl. hiervoor rov 5.6 en volgende) en ziet geen aanleiding om het standpunt van [partij-deskundige] te volgen dat de door de bouwfondsen gegeven uitleg tot onaannemelijke rechtsgevolgen leidt.
In voormelde correspondentie ligt naar het oordeel van het hof geen (door [appellante] aanvaard) aanbod van de bouwfondsen besloten om af te zien van de inning van over de periode vóór 1 januari 2020 verschuldigde premies. Uit de mededeling dat wordt overgegaan tot inschrijving bij het APG per 1 januari 2020 is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet meer of anders af te leiden dan dat de administratieve inschrijving van [appellante] per die datum zal plaatsvinden. Dat is niet een mededeling omtrent de rechten en verplichtingen van [appellante] jegens de bouwfondsen. Dit is te meer zo omdat werknemers hun pensioenaanspraken al vanaf een eerdere datum dan 1 januari 2020 ten laste van Bpf Bouwgeldend kunnen maken. Om dezelfde reden is de mededeling evenmin een ondubbelzinnige verklaring waaruit [appellante] mag afleiden dat de bouwfondsen vrijwillig hun eventuele recht om vóór 1 januari 2020 opgekomen pensioenpremies te innen hebben opgegeven.
Ten slotte zijn er, omdat een verdere toelichting ontbreekt, ook geen bijzondere omstandigheden te onderscheiden als gevolg waarvan de bouwfondsen bij [appellante] het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat aanspraken over de periode van vóór 1 januari 2020 niet meer geldend zullen worden gemaakt of waaruit zou kunnen volgen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de bouwfondsen nog aanspraak maken op premie over de periode vóór 1 januari 2020.
incidentele grieven
De bouwfondsen vorderen wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten over achterstallige premiebetalingen. Die vorderingen baseren zij op de wet Bpf en het Uitvoeringsreglement van Bpf Bouw. [appellante] bestrijdt terecht dat het Opleidingsfonds en het Aanvullingsfonds hun vorderingen kunnen baseren op het, voor deze partijen niet toepasselijke, Uitvoeringsreglement. Dit is anders voor Bpf Bouw: [appellante] is op grond van artikel 4 Wet Pro Bpf 2000 gehouden het door het bedrijfstakpensioenfonds vastgestelde uitvoeringsreglement na te leven, ook als het een door het bedrijfstakpensioenfonds eenzijdig vastgesteld besluit betreft.
Het Uitvoeringsreglement kan een basis zijn voor de vordering van incassokosten door Bpf Bouw. [appellante] betoogt dat niet voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Zij bestrijdt dat de gevorderde kosten (€ 20.746,99) redelijkerwijze noodzakelijk waren en dat de omvang redelijk is. Zij wijst in dat verband op de proceshouding van Bpf Bouw, de weigering om inhoudelijk op argumenten van [appellante] te reageren en het ontbreken van een specificatie van de kosten. Volgens Bpf Bouw hebben de buitengerechtelijke incassokosten meer het karakter van een boete maar zij heeft dat niet toegelicht. Daarmee heeft zij het verweer van [appellante] onvoldoende bestreden. De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.
oproepingsexploot € 167,43
griffierecht € nihil
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.936,43
salaris advocaat € 1.290,- (2 punten x ½ x tarief II)
.
6.Beslissing
- veroordeelt [appellante] tot betaling van € 115.988,36 aan Bpf Bouw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW twee weken na 11 juni 2020 tot de voldoening;
- veroordeelt [appellante] tot betaling van € 7.970,94 aan het Opleidingsfonds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2020 tot de voldoening;
- veroordeelt [appellante] tot betaling van € 14.347,69 aan het Aanvullingsfonds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2020 tot de voldoening;
- veroordeelt [appellante] tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep bij hof Amsterdam en na verwijzing bij dit hof, aan de zijde van de bouwfondsen begroot op € 8.340,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.