ECLI:NL:GHDHA:2026:427

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/663
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 2 WAArt. 2 lid 1 onder b WAArt. 8 lid 1 onder b Richtlijn 2008/118/EGArt. 51 lid 1 onder b WAArt. 11 Wet algemene bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag accijns wegens voorhanden hebben onveraccijnsde sigaretten door werknemer

Belanghebbende werkte als heftruckchauffeur en beheerder van loodsen waar op 8 november 2018 een grote hoeveelheid onveraccijnsde sigaretten werd aangetroffen. De FIOD voerde een strafrechtelijk onderzoek uit en stelde vast dat belanghebbende de enige was met sleutels tot de loodsen en het toegangshek. Op zijn telefoon werden foto's en WhatsApp-berichten gevonden die duidden op betrokkenheid bij de sigarettenhandel.

De Inspecteur legde een naheffingsaanslag accijns op van ruim €6,9 miljoen, vermeerderd met belastingrente. Belanghebbende maakte bezwaar en voerde aan dat de naheffing ten onrechte aan hem was opgelegd, dat de accijnsschuld aan zijn werkgever toerekenbaar was en dat de naheffing in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De Rechtbank wees het beroep af en het Hof bevestigde deze uitspraak.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende de sigaretten fysiek tot zijn beschikking had en dat dit voldoende is voor het opleggen van de naheffingsaanslag. Toerekening aan de werkgever vond niet plaats omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij binnen de grenzen van zijn taken en onder instructie van zijn werkgever handelde. Het evenredigheidsbeginsel is niet van toepassing vanwege het dwingende karakter van de accijnswetgeving. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De naheffingsaanslag accijns is terecht aan belanghebbende opgelegd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/663

Uitspraak van 18 maart 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(vertegenwoordiger: N. Idrissi)
en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 31 mei 2024, nummer SGR 23/4952.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag accijns van € 6.918.878 opgelegd (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 990.398 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente. Dit bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 279. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende was vanaf 1 januari 2018 via een uitzendbureau werkzaam als heftruckchauffeur en beheerder van loodsen gelegen aan de [straat 1] (loods […] ) en gelegen tussen de [straat 2] en [straat 3] te [woonplaats 1] (loodsen […] tot en met […] ; de loods op de [straat 3] ) (tezamen ook de loodsen). Belanghebbende werkte via het uitzendbureau voor [A B.V.] die op haar beurt het beheer over de loodsen voerde namens [Bedrijf] , een glasproducent. De werkzaamheden van belanghebbende bestonden onder andere uit het besturen van de heftruck en het coördineren van inkomende en uitgaande goederen. Belanghebbende beschikte over sleutels van zowel het toegangshek als de loodsen zelf.
2.2.
De Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) heeft onder de naam ‘ [FIOD-onderzoek] ’ strafrechtelijk onderzoek verricht naar accijnsfraude met tabaksproducten. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in het Proces-verbaal “ [FIOD-onderzoek] ”, dossiernummer […] . Als onderdeel van dat onderzoek is op 8 november 2018 een inval gedaan in de loodsen. Bij de inval in de loodsen zijn 6.250.000 (in de loods op de [straat 1] ) respectievelijk 30.359.760 sigaretten (in de loods op de [straat 3] ) aangetroffen. Deze sigaretten waren niet voorzien van een accijnszegel. De loodsen zijn geen accijnsgoederenplaats in de zin van de Wet op de accijns (WA).
2.3.
In het kader van het onder 2.2 bedoelde onderzoek is een aantal personen onder wie belanghebbende als verdachte aangemerkt. Belanghebbende wordt onder meer verdacht van het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen, te weten tabaksproducten, die niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing zijn betrokken. Belanghebbende is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek verschillende keren ondervraagd door opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD en heeft zich daarbij steeds op zijn zwijgrecht beroepen.
2.4.
In het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming inzake loods […] aan de [straat 1] te [woonplaats 1] (Documentcode […] , dossiernummer […] ), waar 6.250.000 sigaretten in beslag zijn genomen, wordt onder meer het volgende opgemerkt :
“(…)
Op donderdag 8 november 2018 werd door mij een onderzoek ingesteld op het terrein aan de [straat 1] te [woonplaats 1] Ik zag dat zich aan beide zijden loodsen bevonden.
Ik zag dat de loods direct achter het hek aan de linkerzijde nummer […] had
Door een heftruck chauffeur die later bleek te zijn genaamd [belanghebbende] geboren op (…) wonende (…) werd aan mij verteld dat deze loods wordt beheerd door [B] van [A B.V.] en dat hij ook in die loods werkzaam was.
Aan [belanghebbende] werd vervolgens verzocht of hij de heer [B] wilde bellen voor toestemming om de loods met nummer […] te mogen doorzoeken.
De heer [B] heeft vervolgens telefonisch aan de opsporingsambtenaar (…) doorgegeven dat hij geen bezwaar had dat wij de loods zouden doorzoeken.
De loods deur werd vervolgens geopend door de heftruckchauffeur [belanghebbende] .
(…)”
2.5.
Voorts wordt in het onder 2.4 vermelde proces-verbaal onder meer het volgende vermeld:
“(…)
In totaal werden de volgende merken sigaretten en aantallen aangetroffen:

MerkAantal dozenAantal sigaretten

President Full Flavour 316 3.120.000
Toros 2005 313
3.130.000 +
Totaal 6.250.000
(…)
De lijsten van inbeslaggenomen voorwerpen zijn als […] bij het proces-verbaal gevoegd. Afschriften van de lijsten zijn afgegeven aan de eerder genoemde heftruck chauffeur [belanghebbende] .
Op de lijsten van inbeslaggenomen voorwerpen staat onder volgnummer 004 tot en met 006 dat de inbeslaggenomen sigaretten van het merk "President Red” zijn.
Dit moet echter sigaretten van het merk “Toros 2005” zijn.

Sluiting doorzoeking door officier van justitie

De doorzoeking werd door mr. (…), officier van justitie bij het Functioneel Parket Rotterdam op donderdag 8 november 2018 om 10:56 uur gesloten.

Verlaten van het pand

Vervolgens heb ik op donderdag 8 november 2018 te 11:05 uur, samen met de achtergebleven opsporingsambtenaren en de personen die de sigaretten hebben afgevoerd de loods met nummer […] aan de [straat 1] te [woonplaats 1] in goede orde verlaten
De heftruck chauffeur is in de loods achtergebleven.
(…)”
2.6.
In het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming inzake loods met de nummers […] tot en met […] aan de [straat 2] te [woonplaats 1] (Documentcode […] , dossiernummer […] ), waar 30.359.760 sigaretten in beslag zijn genomen, is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Het team bijzondere bijstand van de FIOD (verder te noemen TBB) heeft in het kader van de veiligheid als eerste de loods, aan de zijde [straat 2] (deurnummer […] ) die dag betreden.
De loods werd betreden door het uitboren van het slot van de toegangsdeur
(…)
Inbeslagneming door officier van justitie
Bij onderzoek in de betreffende loods werden de volgende voor inbeslagneming vatbare voorwerpen aangetroffen:
- uit het zicht, achter pallets met glaswerk een grote hoeveelheid dozen inhoudende sigaretten van diverse merken,
- enkele pallets die los in de loods stonden met dozen inhoudende sigaretten van diverse merken;
- een geparkeerde trailer met een Duitse kentekenplaat (…), inhoudende 366 dozen met sigaretten van het merk President Full Flavour.
Na telling en controle van de dozen met sigaretten kon worden vastgesteld dat de hoeveelheid in de loods aangetroffen sigaretten bestond uit de navolgende merken en aantallen:

Merkendozensigaretten

SWISS Black 218 2.180.000
MEDLEY Bleu 291 2.910.000
IBIZA Essence White 202 2.020.000
MEDLEY Red 153 1.530.000
PRESIDENT Gold 361 3.610.000
PRESIDENT Full Flavour 1434 14.309.760
IBIZA (rood) 218 2.180.000
TOROS 2005 162
1.620.000
30.359.760
(…)”
2.7.
Over de rol van belanghebbende heeft de heer [B] , algemeen directeur van [A B.V.] , tijdens zijn verhoor onder meer het volgende verklaard (Documentcode […] , dossiernummer […] ):
“(…)
Vraag verbalisanten
Van [belanghebbende] die als heftruckchauffeur aanwezig was in loods […] aan de [straat 1] te [woonplaats 1] hebben wij gehoord dat [A B.V.] de huurder is van deze loods.
Klopt dit?
Antwoord getuige
Dat klopt niet. [Bedrijf] , een glasproducent, is de huurder van de loods aan de [straat 1] te
[woonplaats 1] . [A B.V.] beheert de loods voor [Bedrijf] , omdat alle mensen per 1 januari 2018 van [Bedrijf] zijn ontslagen en [A B.V.] met ingang 1 januari 2018 het beheer van de loods heeft overgenomen. Wij rijden in fases de loods met glas leeg. Dit moet 31 december 2018 afgerond zijn. [belanghebbende] werkt voor ons ook sinds 1 januari 2018 via een uitzendbureau met de naam [Uitzendbureau] Hij woont ook vlak bij de loods.

Vraag verbalisanten

Welke loods nummers huurt [A B.V.] aan de [straat 1] te [woonplaats 1] ?
Antwoord getuige
[A B.V.] beheert namens [Bedrijf] loodsen aan de [straat 3] en de [straat 1] . Ik heb gehoord dat in beide loodsen sigaretten door de FIOD zijn aangetroffen.
Ook de loods aan de [straat 3] waar de sigaretten zijn aangetroffen wordt gehuurd door [Bedrijf] en door ons beheert.

Vraag verbalisanten

Wat is de functie van [belanghebbende] bij de loodsen aan de [straat 1] en de [straat 3] te [woonplaats 1] ?
Antwoord getuige
Hij is vorkheftruckchauffeur. Hij krijgt via [A B.V.] de opdracht om vrachtauto’s met glas te laden. Hij beheert de loodsen namens [A B.V.] de loodsen aan de [straat 3] en de [straat 1] te [woonplaats 1] .
In deze loodsen staan nog pallets met glas die moeten worden vervoerd naar diverse klanten in Nederland. Hij is daar voor verantwoordelijk

Vraag verbalisanten

De loodsen aan de [straat 1] te [woonplaats 1] zijn bereikbaar via een hek dat afgesloten kan worden. Heeft [belanghebbende] de beschikking over een sleutel van dit toegangshek?
Antwoord getuige
[belanghebbende] heeft alle sleutels. Daarmee bedoel ik de sleutels van het toegangshek tot de
[straat 1] te [woonplaats 1] en de sleutels die toegang geven tot de loodsen aan de [straat 1] en de [straat 3] te [woonplaats 1] .
Voor zover ik weet heeft alleen een chauffeur van [Transportbedrijf] een sleutel van het toegangshek die toegang geeft tot de loodsen aan de [straat 1] te [woonplaats 1] .
Verder heeft niemand anders sleutels van de loodsen aan de [straat 3] en de [straat 1] te [woonplaats 1]
Ik wil wel opmerken dat de sloten geen gecertificeerde sloten zijn, dus die kunnen wel nagemaakt worden.

Vraag verbalisanten

Toen ik, verbalisant (…), u belde om een afspraak te maken voor het verhoor gaf u aan uw twijfels te hebben over de rol van [belanghebbende] . Kunt u dit nader verklaren?
Antwoord getuige
[belanghebbende] is 11 maanden aan het werk geweest in de loodsen aan de [straat 3] en de
[straat 1] te [woonplaats 1] . Dan moet je naar mijn idee weten wat er zich afspeelt in de loodsen. Op de dag dat de sigaretten zijn gevonden heb ik telefonisch contact gehad met uw collega (…) en heb ik telefonisch toestemming gegeven om de loods binnen te gaan.
Later hoorde ik dat er illegale sigaretten waren aangetroffen in de loodsen aan de [straat 1] en de [straat 3] te [woonplaats 1] .
Ik ben toen niet gebeld door [belanghebbende] en ik heb hem toen 's avonds direct gebeld met de vraag wat er aan de hand was. Hij was toen eten aan het koken.
Vanaf het moment dat de sigaretten waren aangetroffen heeft hij mij niet op de hoogte gebracht en dat vind ik gek. Je zou toch denken bij zo'n megafraude dat je belt.
Hij heeft ook tegen mij gezegd dat hij op 17 oktober 2018 voor het laatst in de loods aan de
[straat 3] is geweest. Dat is een leugen, omdat wij bewijs hebben dat hij op woensdag
7 november 2018 voor het laatst in de loods moet zijn geweest. Dit omdat op 7 november 2018 in de loods aan de [straat 3] te [woonplaats 1] een vrachtauto met glas is geladen voor een klant.
Daar hebben wij een uitgaande paklijst van.
Ik zal u een kopie van deze paklijst ter beschikking stellen van uw onderzoek.
Op de paklijst staat de datum 8 november 2018, maar de vrachtauto is op 7 november 2018 geladen in de loods aan de [straat 3] te [woonplaats 1] . De leveringsdatum zou 8 november 2018 zijn, maar [Transportbedrijf] komt wel eens een dag eerder. Dus 8 november 2018 is de datum dat de lading is aangeleverd in [woonplaats 2] .
Overigens heeft hij deze verklaring bij [naam 1] , de directeur van [Uitzendbureau] ingetrokken. Tegen haar heeft hij gezegd dat hij toch op maandag 5 november 2018 in de loods is geweest en dat hij toen geen sigaretten heeft gezien.
Naar aanleiding van de vondst van de sigaretten in de loods aan [straat 1] en de [straat 3] en gezien zijn tegenstrijdige verklaring heeft [naam 1] [belanghebbende] afgelopen vrijdag op non actief gesteld.
(…)”
2.8.
Tijdens de aanhouding van belanghebbende op 20 november 2018 is een mobiele telefoon in beslag genomen. In het proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek naar de WhatsApp van belanghebbende (Documentcode […] , dossiernummer […] ) staat onder meer dat in WhatsApp-berichten op belanghebbendes telefoon over sigaretten wordt gesproken. In een bericht van 8 november 2018 staat: “Niet zeggen dat je sigaretten had staan???”. In het proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek naar de smartphone van belanghebbende (Documentcode […] , dossiernummer […] ) is vermeld dat op de onderzochte telefoon van belanghebbende foto’s zijn aangetroffen van de merken van de in de loodsen aangetroffen sigaretten en van de container waarin de sigaretten zijn vervoerd. In dit proces-verbaal is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
De telefoon is door een digi medewerker van de FIOD beschikbaar gemaakt voor digitaal onderzoek. Ik verbalisant, heb de gegevens van de telefoon met behulp van het software programma […] onderzocht. Ik trof op de telefoon de volgende foto’s aan:
1. Een foto van een artikel van Omroep West over een doorzoeking van de FIOD op 8 november 2018 in [woonplaats 1] .
Opmerking verbalisant:
Ik zag in de telefoon geen foto's van andere artikelen uit kranten of van nieuwssites.
(…)
2. Drie foto's van de sigarettenmerken President Full Flavor, President Gold en Toros 2005
Opmerking verbalisant:
Deze sigarettenmerken werden ook aangetroffen op 8 november 2018, in de opslagloods aan de [straat 3] en de [straat 1] in [woonplaats 1] , tijdens een doorzoeking door de FIOD.
(…)
3. Twee foto's van de zij- en voorkant van een container met het nummer […]
(…)
Opmerking verbalisant:
Op bovenstaande foto lees ik het containernummer […] . Een van de containers waarvan bij het onderzoeksteam bekend is dat daarin sigaretten naar de opslagloods aan de [straat 3] in [woonplaats 1] werden vervoerd had het nummer […] .
(…)”
2.9.
In de “Mededeling Naheffingsaanslag accijns” van 29 november 2022 onderbouwt de Inspecteur het voorhanden hebben van de sigaretten door belanghebbende als volgt:
“(…)
Tijdens het onderzoek [FIOD-onderzoek] is vastgesteld dat:
  • Op 8 november 2018 in de loods gelegen aan [straat 1] te [woonplaats 1] 6.250.000 sigaretten werden aangetroffen, waarvan de kleinhandelsverpakking niet was voorzien van de vereiste accijnszegels en waarvoor geen geldige douane- of accijnsdocumenten konden worden getoond. ( […] )
  • Op 8 november 2018 in de loods gelegen tussen de [straat 2] / [straat 3] te [woonplaats 1] 30.359.760 sigaretten werden aangetroffen, waarvan de kleinhandelsverpakking niet was voorzien van de vereiste accijnszegels en waarvoor geen geldige douane- of accijnsdocumenten konden worden getoond. ( […] )
  • Het bedrijf [A B.V.] (hierna te noemen: [A B.V.] ) de loodsen aan de [straat 1] en de [straat 2] / [straat 3] te [woonplaats 1] beheert voor het bedrijf [Bedrijf] . ( […] )
  • U ten tijde van de doorzoekingen aan genoemde loodsen, werkte voor [A B.V.] en namens [A B.V.] de beheerder van de loodsen was. ( […] )
  • U de enige was die de sleutels had van de loodsen aan de [straat 2] / [straat 3] en de [straat 1] te [woonplaats 1] . ( […] )
  • Op 8 november 2018 de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats 3] onder andere een ruitjes schrijfmap en een smartphone aangetroffen werden waarin aanwijzingen werden gevonden die wijzen op uw betrokkenheid bij de handel in sigaretten. ( […] )
  • In de ruitjes schrijfmap onder andere geschreven staat:
 p1-p3, blad met letters A en B aantekening IN - MOVED - OUT met onder IN vermelding van aantallen en onder OUT vermelding van datums, aantallen, bedragen en namen als […] , […] , […] , […] , […] ; […] , […] , [belanghebbende] en […] ;
 p14-p15; blad 17/9 vermelding van IN - MOVED - OUT met onder IN vermelding van aantallen en onder OUT vermelding van datums, aantallen, bedragen en namen als […] , […] , […] , […] , […] ; […] , […] , [belanghebbende] en […] ;
 p16: blad CASHFLOW 17/9 vermelding van IN-OUT met onder IN vermelding van datums, bedragen en namen en onder OUT vermelding van datums, bedragen en namen zoals [belanghebbende] , […] , […] en […] . ( […] )
  • In het desbetreffende schrijfblok onderzoek is gedaan naar uw naam [belanghebbende] . ( […] )
  • Er in de periode vanaf 3/9/2018 tot en met 17/10/2018 wekelijks een bedrag van € 500 is afgeboekt voor u. In de periode vanaf 17/10 2018 tot en met 6/11/2018 zijn geen aantekeningen aangetroffen van betalingen aan u ( [belanghebbende] ). In de voorraadadministratie van de dozen sigaretten is wel geboekt dat er op 9/10 één doos op uw naam is afgeboekt en op 16/10 twee dozen. De bedragen die in de voorraadadministratie zijn genoteerd voor u ( [belanghebbende] ) zijn respectievelijk 600, 625 en 625.
  • Het telefoonnummer (…) op uw naam staat. ( […] en […] )
  • [naam 2] en u regelmatig contact onderhouden. Vermoedelijk werd u door [naam 2] betaald voor het ter beschikking stellen van de opslagloodsen in [woonplaats 1] en voor de werkzaamheden die u daarbij verrichtte voor de criminele organisatie. Die betalingen vonden kennelijk in contanten en in dozen sigaretten plaats.
  • U op 20 november 2018 werd aangehouden en voorgeleid. Na uw insluitingsfouillering werden de onderstaande voorwerpen inbeslaggenomen:
 een mobiele telefoon, merk Samsung, type Galaxy S8+, kleur zwart;
een mobiele telefoon, merk Samsung, type Galaxy S7, SM-G935F, goudkleurig. ( […] en […] )
  • Er onderzoek is gedaan naar de smartphone Samsung Galaxy S8 die vermoedelijk bij u in gebruik was. Hierbij is vastgesteld dat in de contactenlijst [belanghebbende] geregistreerd stond als 'ik' met het nummer: +90 (…). Tevens is hierbij vastgesteld dat u betrokken was bij de handel in sigaretten. ( […] )
  • Er onderzoek is gedaan naar de smartphone Samsung Galaxy S7 edge en daarbij foto's zijn aangetroffen van:
 sloffen sigaretten van de merken President Full Flavour (blauw),
President Gold (rood) en Toros 2005 aangetroffen. ( […] ).
(…)”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“(…)
13. Met artikel 51, eerste lid, letter b. van de WA is uitvoering gegeven aan hetgeen artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG (de Richtlijn) voorschrijft. Het begrip ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter b, van de Richtlijn ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Niet relevant is of de desbetreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot die goederen en evenmin is relevant of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd.[1] Uit de omstandigheid dat behalve de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn is aangewezen als schuldenaar, moet worden afgeleid dat de richtlijngever een ruime kring van personen heeft aangewezen als schuldenaar van de accijnsschuld.
14. In zijn arrest van 29 april 2022[2] heeft de Hoge Raad overwogen onder welke omstandigheden toerekening van het belastbare feit voorhanden hebben aan een werkgever dient plaats te vinden:
“2.4.3 In dit licht moet de vraag worden beantwoord of, en zo ja onder welke voorwaarden, een werkgever en niet zijn werknemer ter zake van het belastbare feit voorhanden hebben schuldenaar is voor de accijns.
Het is buiten redelijke twijfel dat het begrip ‘persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG en artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet zo moet worden uitgelegd dat elke werknemer die fysiek over de accijnsgoederen beschikt, op grond van deze bepalingen schuldenaar voor de accijns kan zijn, ook indien die goederen toebehoren aan zijn werkgever of aan een derde.
2.4.4 Anders dan middel 1 kennelijk betoogt, wordt het doen of nalaten van een werknemer in dit verband niet automatisch beschouwd als uitsluitend het doen of nalaten van zijn werkgever. Indien de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden accijnsgoederen fysiek tot zijn beschikking heeft, wordt hij in de regel aangemerkt als degene die deze goederen voorhanden heeft en dus als belastingplichtige in de zin van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet. Wel moet het doen of nalaten van de werknemer voor de toepassing van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet worden toegerekend aan de werkgever indien een doen of nalaten van de werkgever ten grondslag ligt aan het voorhanden hebben van accijnsgoederen waarover geen accijns overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving blijkt te zijn geheven.[voetnoot Hoge Raad: Naar analogie HvJ 25 januari 2017, Ultra-Brag, C679/15, ECLI:EU:C:2017:40]
De hiervoor bedoelde toerekening aan de werkgever moet plaatsvinden indien de werknemer met betrekking tot die accijnsgoederen i) heeft gehandeld binnen de grenzen van de hem door zijn werkgever toevertrouwde taken, en ii) zijn taken heeft uitgevoerd volgens instructies die rechtstreeks afkomstig waren van degene bij wie hij in dienst is dan wel afkomstig waren van een andere werknemer van dezelfde werkgever, die hiertoe in het kader van zijn eigen functie bevoegd was. Onder die omstandigheden ligt in wezen niet het doen of nalaten van de eerstbedoelde werknemer ten grondslag aan het belastbare feit van artikel 2, lid 1, letter b, van de Wet en moet niet hij maar zijn werkgever worden aangemerkt als de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft als bedoeld in artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet. Het ligt op de weg van de werknemer van wie wordt nageheven om de hiervoor van belang zijnde feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.
Een werknemer wiens doen of nalaten aan de werkgever moet worden toegerekend, kan niet zonder meer worden aangemerkt als een persoon die betrokken is bij het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet.”
15. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht aan eiser opgelegd. Eiser had als beheerder van de loodsen de beschikking over de sleutels van het toegangshek en van de loodsen zelf. Daarnaast is ter zitting door de gemachtigde verklaard dat eiser als heftruckchauffeur dagelijks werkte met de sigaretten. Zijn werkzaamheden bestonden mede uit het verplaatsen van de sigaretten. Hieruit volgt dat eiser de aangetroffen sigaretten fysiek tot zijn beschikking heeft gehad, hetgeen conform de uitleg van de Richtlijn tot de conclusie leidt dat eiser de aangetroffen sigaretten voorhanden heeft gehad. Deze conclusie vindt verdere steun in de berichten en foto’s die op de telefoon van eiser zijn aangetroffen. Dat, zoals eiser stelt, mogelijk ook anderen over sleutels van toegangshek en loodsen beschikten en zijn rol beperkt is geweest, maakt geen verschil. Voor de in het hiervoor geciteerde arrest bedoelde toerekening aan de werkgever acht de rechtbank geen plaats. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met betrekking tot de aangetroffen sigaretten heeft gehandeld binnen de grenzen van hem door zijn werkgever toevertrouwde taken en ook niet dat hij volgens instructie van zijn werkgever heeft gehandeld. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 22 november 2023 uitspraak [3] heeft gedaan.
16. Voor zover eiser stelt dat het onredelijk is om de naheffingsaanslag aan hem op te leggen, kan dat niet leiden tot een gegrond beroep. De rechter mag op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen niet oordelen over de redelijkheid en billijkheid van wet- en regelgeving behoudens voor zover die regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Een dergelijke strijdigheid is gesteld noch gebleken.
17. Dat eiser de naheffingsaanslag niet kan betalen doet aan het voorgaande niet af. Invordering van een belastingschuld is de bevoegdheid van de ontvanger van de Belastingdienst en niet van de inspecteur. Voor een betalingsregeling dient eiser zich dan ook tot de Ontvanger te wenden.
18. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht is gesteld noch gebleken.
19. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
(…)
[1] Vgl. HvJ 10 juli 2021, ECLI:EU:C:2021:473, punten 24 en 28.

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad of betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de sigaretten. De accijnsschuld valt volgens belanghebbende voorts toe te rekenen aan zijn werkgever, nu belanghebbende slechts instructies heeft opgevolgd van zijn werkgever. Tenslotte stelt belanghebbende ter zitting bij het Hof dat de naheffingsaanslag in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel nu belanghebbende geen financieel voordeel heeft gehad en de heffing van accijns feitelijk als sanctie uitwerkt.
5.2.
De Inspecteur stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat aannemelijk is dat belanghebbende de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad of bij het voorhanden hebben van de accijnsgoederen betrokken is geweest. Niet gebleken is dat belanghebbende onder instructie van zijn werkgever heeft gewerkt en dat het voorhanden hebben aan de werkgever moet worden toegerekend.
5.3.
Op grond van artikel 1, lid 2, WA wordt accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen. Artikel 2, lid 1, onder b, WA bepaalt dat onder uitslag tot verbruik mede wordt verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Indien deze bepaling van toepassing is, dan wordt op grond van artikel 51, lid 1, onder b, WA de accijns geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is.
5.4.
Met de onder 5.3 aangehaalde wetsbepalingen is uitvoering gegeven aan onder meer artikel 8, lid 1, onder b, van Richtlijn 2008/118/EG. De Hoge Raad heeft in dat kader geoordeeld dat uit de omstandigheid dat behalve de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, in artikel 8, lid 1, onder b, van Richtlijn 2008/118/EG is aangewezen als schuldenaar, moet worden afgeleid dat de richtlijngever een ruime kring van personen heeft aangewezen als schuldenaar van de accijnsschuld (Hoge Raad 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659, r.o. 2.4.2).
5.5.
Het is niet vereist dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken. Zo verklaarde het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 10 juni 2021, C279/19, ECLI:EU:C:2021:473, voor recht dat ook de persoon die accijnsgoederen voorhanden heeft belastingplichtig is “ook al kan hij geen enkel recht of belang doen gelden met betrekking tot die goederen en weet hij niet dat het gaat om accijnsgoederen of – indien hij daar wel van op de hoogte is – weet hij niet dat de accijns over die goederen verschuldigd is geworden.”
5.6.
Het Hof stelt voorop dat op de Inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat het door hem gestelde belastbare feit, in dit geval het voorhanden hebben dan wel het betrokken zijn bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen, zich heeft voorgedaan. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur in die bewijslast geslaagd.
5.7.
Zoals blijkt uit het proces-verbaal van het verhoor van de getuige [B] (documentcode […] , zie 2.7) was belanghebbende beheerder van de loodsen waar de sigaretten zijn aangetroffen en was hij tevens verantwoordelijk voor de verplaatsing van containers en pallets met een vorkheftruck. Daarnaast beschikte belanghebbende als enige over sleutels van het toegangshek van de loods aan de [straat 1] alsmede over sleutels van de loodsen aan de [straat 1] en de [straat 3] . Naast belanghebbende had alleen een chauffeur van een transportbedrijf de sleutel van het toegangshek dat toegang geeft tot de loodsen aan de [straat 1] . Voorts zijn op de telefoon van belanghebbende foto’s aangetroffen van de sigarettenmerken die zijn aangetroffen in de loodsen alsmede een foto van de containers waarin sigaretten zijn aangetroffen. Tenslotte wijzen ook de WhatsApp-berichten die zijn aangetroffen op de telefoon van belanghebbende erop dat belanghebbende de sigaretten voorhanden heeft gehouden dan wel daarbij betrokken is geweest. Ter zitting is door de gemachtigde van belanghebbende nog verklaard dat volgens belanghebbende nog vier andere personen een sleutel hadden. Zonder nadere onderbouwing acht het Hof deze blote bewering niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij, dat zelfs als zou blijken dat er nog andere personen waren met sleutels voor de loodsen, de Inspecteur met de overige hiervoor genoemde omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad dan wel betrokken was bij het voorhanden hebben daarvan. Dat anderen de accijnsgoederen (mogelijk) voorhanden hebben gehad, doet daar niet aan af. Zoals bovendien volgt uit 5.5 van deze uitspraak is daarbij niet van belang het antwoord op de vraag of belanghebbende wist dat sigaretten niet in de heffing van accijns waren betrokken.
5.8.
Belanghebbende stelt voorts dat het voorhanden hebben dient te worden toegerekend aan zijn werkgever nu hij in de uitoefening van zijn dienstverband de instructies van zijn werkgever opvolgde.
5.9.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 25 januari 2017, C679/15, Ultra-Brag AG, ECLI:EU:C:2017:440, onder meer het volgende voor recht verklaard:
“1) (…) dat een rechtspersoon wiens werknemer, die niet zijn wettelijke vertegenwoordiger is, het op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Unie heeft teweeg gebracht, als schuldenaar kan worden aangemerkt van de door dit binnenbrengen ontstane douaneschuld indien deze werknemer de betrokken goederen heeft binnengebracht binnen de grenzen van de hem door zijn werkgever opgedragen taken en in uitvoering van de instructies die hem hiertoe zijn gegeven door een andere werknemer van deze onderneming die daartoe in het kader van zijn eigen functies bevoegd is, en de voornoemde werknemer dus binnen het kader van de uitoefening van zijn taken in naam en voor rekening van zijn werkgever heeft gehandeld.”
5.10.
Het arrest Ultra-Brag AG handelt weliswaar over de heffing van invoerrechten, echter de Hoge Raad heeft de daar geformuleerde eisen om een werknemer aansprakelijk te stellen naar analogie toegepast bij het belastbare feit “voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet in de heffing van accijns zijn betrokken”. De Hoge Raad overweegt in het onder 5.4 genoemde arrest (ECLI:NL:HR:2022:659) ter zake als volgt:
“2.4.4. (…) Wel moet het doen of nalaten van de werknemer voor de toepassing van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet worden toegerekend aan de werkgever indien een doen of nalaten van de werkgever ten grondslag ligt aan het voorhanden hebben van accijnsgoederen waarover geen accijns overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving blijkt te zijn geheven.
[voetnoot Hoge Raad: Naar analogie HvJ 25 januari 2017, Ultra-Brag, C-679/15, ECLI:EU:C:2017:40]
De hiervoor bedoelde toerekening aan de werkgever moet plaatsvinden indien de werknemer met betrekking tot die accijnsgoederen i) heeft gehandeld binnen de grenzen van de hem door zijn werkgever toevertrouwde taken, en ii) zijn taken heeft uitgevoerd volgens instructies die rechtstreeks afkomstig waren van degene bij wie hij in dienst is dan wel afkomstig waren van een andere werknemer van dezelfde werkgever, die hiertoe in het kader van zijn eigen functie bevoegd was. Onder die omstandigheden ligt in wezen niet het doen of nalaten van de eerstbedoelde werknemer ten grondslag aan het belastbare feit van artikel 2, lid 1, letter b, van de Wet en moet niet hij maar zijn werkgever worden aangemerkt als de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft als bedoeld in artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet. Het ligt op de weg van de werknemer van wie wordt nageheven om de hiervoor van belang zijnde feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.
(…)”
5.11.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn taken heeft uitgevoerd volgens instructies die rechtstreeks afkomstig waren van degene bij wie hij in dienst is dan wel afkomstig waren van een ander, die hiertoe in het kader van zijn eigen functie bevoegd was. Uit de verklaring van getuige [B] volgt dat deze als inhuurder (via het uitzendbureau) van belanghebbende geen instructies heeft gegeven ten aanzien van de sigaretten of de containers waarin deze waren opgeslagen. In de gedingstukken zijn er ook geen aanknopingspunten dat [A B.V.] of het uitzendbureau waar belanghebbende in dienst was en dat hem ter beschikking stelde aan [A B.V.] (de beheerder van de loodsen), hem ter zake heeft geïnstrueerd. Getuige [B] , [A B.V.] en het uitzendbureau zijn ook niet aangemerkt als verdachten in het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek] . Het voorhanden hebben van belanghebbende kan dan ook niet worden toegerekend aan deze persoon en bedrijven. Het andersluidende betoog van belanghebbende faalt.
5.12.
Belanghebbende beroept zich tenslotte op het evenredigheidsbeginsel en stelt dat nu hij geen financieel voordeel heeft gehad, dit beginsel in de weg staat aan naheffing. De Hoge Raad heeft eerder als volgt geoordeeld over toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de naheffing wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen (HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1348):
“3.3.3. (…) Voor het overige geldt dat het hier gaat om naheffing van accijns waarvan de verschuldigdheid rechtstreeks voortvloeit uit de wettelijke bepalingen. De Inspecteur komt daarbij geen beoordelings- of beleidsvrijheid toe. Aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt daarom voor het overige niet toegekomen.”
Blijkens het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad bestaat geen ruimte voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanwege het dwingende karakter van de bepalingen omtrent het voorhanden hebben van accijnsgoederen in de WA die de Inspecteur geen beoordelings- of beleidsvrijheid toelaten.
Beschikking belastingrente
5.13.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.14.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen W. de Wit
De beslissing is op 18 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.