ECLI:NL:GHDHA:2026:423

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
22-001905-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voorbereiding ontploffing met vuurwerkbommen op woonwagenkamp

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte veroordeeld voor het voorbereiden van een ontploffing met vuurwerkbommen op een woonwagenkamp in Den Haag. De verdachte had meerdere Cobra's en brandbare vloeistoffen zoals benzine in bezit, bestemd voor het vervaardigen van vuurwerkbommen die levensgevaar konden veroorzaken.

De verdediging voerde onder meer een vormverzuim aan vanwege het ontbreken van een rechterlijke machtiging voor het uitgebreide onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte. Het hof oordeelde dat dit vormverzuim onherstelbaar was, maar dat geen bewijsuitsluiting of strafvermindering gerechtvaardigd was omdat de verdachte geen daadwerkelijk nadeel had ondervonden en het onderzoek zonder beperkingen door een rechter-commissaris zou zijn toegestaan.

Het bewijs bestond uit vingerafdrukken van de verdachte op tape en flesjes die werden gebruikt voor de vuurwerkbommen, een screenshot van een Snapchatbericht dat de vrijlating van een medeverdachte aankondigde, en zoekopdrachten op de telefoon naar het woonwagenkamp. Het hof verwierp het alternatieve scenario van de verdachte en achtte de dactyloscopische sporen als dadersporen.

De verdachte werd veroordeeld tot 284 dagen jeugddetentie, waarvan 120 dagen onvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht en meldplicht. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde werkstraf gelast. De verdachte was tijdens de feiten nog minderjarig, waardoor het jeugdstrafrecht werd toegepast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 284 dagen jeugddetentie, waarvan 120 dagen onvoorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en tenuitvoerlegging van een eerdere werkstraf.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001905-25
Parketnummers: 09-395082-24, 09-243315-23 (TUL) en 22-002122-23 (TUL)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
primair:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 22 juni 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven teweegbrengen van een ontploffing (op het woonwagenkamp aan het [adres] ), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen, te weten meerdere Cobra's, althans (een) explosieve stof(fen) en/of (flessen met) benzine, althans een brandversnellende vloeistof, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 22 juni 2024, althans op een of meer tijdstippen in de periode l januari 2024 tot en met 22 juni 2024 te ’s-Gravenhage, in elk geval te Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten:
- één of meer stuks knalvuurwerk (te weten Cobra 6/ categorie F4)),
heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 344 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat hierbij bijzondere voorwaarden zullen worden opgelegd, te weten een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan het verkrijgen en behouden van een goede dagbesteding.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerd verweer omtrent voorverzuim

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting van de uit de inbeslaggenomen telefoon verkregen informatie. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het vormverzuim tot strafvermindering zou moeten leiden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat door de rechter-commissaris geen machtiging is afgegeven voor het uitgebreide onderzoek aan de telefoon van de verdachte. Door het grondige onderzoek is er sprake van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als gewaarborgd in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, is voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist. [1] Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto's, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en andere gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo'n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek behalve in spoedeisende gevallen een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. [2]
Het hof stelt vast dat het onderzoek aan de telefoons van de verdachte zo verstrekkend is geweest dat was te voorzien dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou worden gemaakt. Immers uit het proces-verbaal van bevindingen van 16 mei 2025 door verbalisant [verbalisant] volgt dat onderzoek is gedaan naar onder meer gebruikersgegevens, de media – foto’s en afbeeldingen – en de internetgeschiedenis in de inbeslaggenomen iPhone van de verdachte. Hieraan doet niet af dat slechts een beperkte hoeveelheid informatie in het dossier terecht is gekomen. Voor dit onderzoek was dus een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing is achterwege gebleven en dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.
Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, welk rechtsgevolg aan dit verzuim moet worden verbonden, dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn als het uitsluiten van bepaalde resultaten van het
opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van Pro het EVRM te voorkomen. Die situatie doet zich in deze zaak naar het oordeel van het hof niet voor. Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Ook van die situatie is in deze zaak naar het oordeel van het hof geen sprake. Daarbij is van belang dat ten tijde van de inbeslagname van de telefoons van de verdachte op 11 december 2024 de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet algemeen bekend was. De Hoge Raad is immers bij arrest van 18 maart 2025 [3] ingegaan op de betekenis van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie – in het bijzonder de uitspraak in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck – voor de eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones.
Strafvermindering kan aan de orde zijn indien de verdachte door een vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en wanneer strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Ook een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte kan een voldoende concreet nadeel opleveren. In beginsel is hiervan in onderhavige zaak sprake, gelet op onder meer de foto’s en internetgeschiedenis op de telefoon van verdachte die door de politie zijn onderzocht. Voor het overige is door de verdediging geen relevant nadeel aangevoerd. Daar staat echter tegenover dat sprake was van ernstige verdenkingen tegen de verdachte op het moment dat het onderzoek aan de telefoons plaatsvond, namelijk betrokkenheid bij (voorbereiding van) het teweegbrengen van een explosie op een woonwagenkamp. Zou een rechter-commissaris om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan de telefoons zoals dat heeft plaatsgevonden, dan had deze die toestemming zonder nadere beperkingen kunnen geven. De verdachte is derhalve aldus beschouwd door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt. Daarom komt het hof tot het oordeel dat vanwege het ontbreken van enig daadwerkelijk nadeel strafvermindering evenmin een gerechtvaardigd rechtsgevolg van het vormverzuim is. Het hof zal gelet op het voorgaande volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolgen verbinden.
Het verweer hieromtrent wordt aldus in zoverre verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeksde periode van 1 januari 2024 tot en met 22 juni 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven teweegbrengen van een ontploffing (op het woonwagenkamp aan het [adres] ), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen en
/ofstoffen, te weten meerdere Cobra's,
althans (een) explosieve stof(fen)en
/of(flessen met) benzine
,althans een brandversnellende vloeistof, heeft
verworven, vervaardigd,
ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerden
/ofvoorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem tenlastegelegde feiten en dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet als zeer onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven.
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt vast dat op 22 juni 2024 omstreeks 01:25 uur de medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen op het woonwagenkamp aan het [adres] in Den Haag. Er worden naast hem twee vuurwerkbommen aangetroffen. Eén bestond uit één Spa petflesje met daaraan een cobra getapet, de andere bestond uit twee petflesjes – waarvan één met een etiket met opschrift ‘Erikli’, die aan elkaar waren getapet met een Cobra daartussenin. Een verbalisant heeft de flesjes ter plaatse grotendeels geleegd en rook hierbij een sterke benzinegeur. Ook bij het later openen van de flesjes, waar nog een klein beetje vloeistof in zat, rook een tweede verbalisant een benzinegeur.
Bij het onderzoek aan de vuurwerkbommen zijn verschillende dactyloscopische sporen veiliggesteld. Twee vingerafdrukken op de plakzijde van de tape op het Erikli flesje zijn door HAVANK gehaald en identificeerbaar op de verdachte. Vier andere dactyloscopische sporen bevatten overeenkomsten met de verdachte, maar deze sporen zijn niet door HAVANK gehaald wegens de beperkte kwaliteit. Twee van deze sporen zaten op het Erikli flesje, namelijk op de plakzijde van de tape respectievelijk op het etiket en twee andere sporen op het Spa flesje, te weten eveneens op de plakzijde van de tape respectievelijk op het etiket. Door de identificatie van de dactyloscopische sporen is de verdachte uiteindelijk buiten heterdaad aangehouden.
Bij de aanhouding van de verdachte zijn twee mobiele telefoons in beslag genomen. Op één van de telefoons is een screenshot aangetroffen van een Snapchatgesprek dat uit naam van ‘ [persoon] ’ werd verstuurd op 3 november 2024, met de volgende tekst:
Joo k ben [persoon] de mattie
[persoon] s geveegd
Hij komt woensdag
Vrij
Het is een feit van algemene bekendheid dat met “geveegd” ook wel “gearresteerd” wordt bedoeld. Uit de door de advocaat-generaal ter terechtzitting overgelegde detentiegegevens blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte] voor de onderhavige zaak op 29 oktober 2024 opnieuw is aangehouden (in verband met de opheffing van diens schorsende voorwaarden) en op woensdag 6 november 2024 weer is vrijgekomen. Ook zijn op deze telefoon van de verdachte zoekslagen naar het [adres] in Den Haag aangetroffen, waarbij tevens een website van de gemeente Den Haag is bezocht over een project betreffende de uitbreiding van de woonwagenlocatie [adres] , inclusief een gedetailleerde luchtfoto van het woonwagenkamp waar de medeverdachte [medeverdachte] op 22 juni 2024 met de twee vuurwerkbommen is aangetroffen. Het is onbekend wanneer deze zoekslagen hebben plaatsgevonden.
Vingerafdrukken /alternatief scenario
De verdachte heeft een alternatief scenario geschetst inhoudende dat het aantreffen van zijn vingerafdrukken op stukken tape en een flesje is te verklaren doordat hij deze eerder heeft aangeraakt.
Er zijn dactyloscopische sporen van de verdachte geïdentificeerd op de plakzijde van twee stukken tape en overeenkomsten waargenomen tussen de vingerafdrukken van de verdachte en de sporen op twee flesjes. De verdachte heeft wisselend verklaard over het aantreffen van zijn vingerafdrukken. Zo heeft de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat zijn vriend [vriend van verdachte] een kapotte spiegel had op zijn scooter. De verdachte had ducttape bij zich en heeft daarmee de spiegel vastgezet. De rol ducttape is in de buddyseat van de scooter bewaard. Op een later moment was hij opnieuw met die vriend op diens scooter en kwam de verdachte een onbekende jongen tegen bij een Poolse avondwinkel, die vroeg of hij ducttape bij zich had. Ook aan deze jongen heeft de verdachte ducttape gegeven. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte die verklaring gewijzigd, in die zin dat aan één onbekende jongen bij de Poolse avondwinkel tape is uitgeleend om de spiegel van zijn scooter te plakken. Er viel een flesje van de buddyseat van de scooter, dat de verdachte heeft opgeraapt. Een eerdere keer heeft de verdachte uiteindelijk geen tape uitgeleend, omdat deze persoon zelf tape bij zich had. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard twee onbekende jongens bij een avondwinkel te hebben geholpen door voor hen stukjes ducttape af te scheuren en deze aan ze te geven om de spiegel van een scooter te plakken. Hij heeft niet de hele rol ducttape gegeven, deze is daarna met de verdachte meegegaan. De verdachte heeft één gevallen flesje water opgeraapt en teruggegeven. Aan een tweede keer tape uitlenen heeft de verdachte geen herinnering. De verdachte heeft geen verklaring kunnen geven voor het aantreffen van dactyloscopische sporen die overeenkomsten bevatten met de vingerafdrukken van de verdachte op twee flesjes in plaats van op één flesje, te weten het flesje dat de verdachte zou hebben opgeraapt voor de onbekende jongen.
Het hof schuift de verklaringen van de verdachte omtrent het aantreffen van zijn vingerafdrukken op de binnenzijde van de tape als ongeloofwaardig terzijde. Hierbij weegt het hof mee dat het scenario van de verdachte zou betekenen dat stukken tape met de vingerafdrukken van de verdachte van de spiegel van de scooter zijn afgehaald, om deze vervolgens te gebruiken voor de vuurwerkbommen – de rol tape zou de verdachte immers volgens zijn eigen verklaring weer zelf hebben meegenomen. Het is onwaarschijnlijk dat de maker van de vuurwerkbommen tape van een scooterspiegel afpeutert om deze opnieuw te gebruiken. De tape op de vuurwerkbommen was daarvoor teveel intact – was als meerdere langere egale stroken om de flesjes met een Cobra gewikkeld – terwijl bij hergebruik te verwachten valt dat het om kleinere en verfrommelde stukjes zou gaan. Daar komt bij dat de soort tape die bij de vuurwerkbommen is aangetroffen evenwel geen ducttape is maar bruin tape die veelal gebruikt wordt om dozen dicht te plakken. Dit tezamen maakt het door de verdediging geschetste scenario volstrekt onaannemelijk. Het hof merkt de aangetroffen dactyloscopische sporen aan als dadersporen.
Luchtfoto en screenshot van Snapchatgesprek
Verder overweegt het hof dat de verdachte ten aanzien van de op zijn telefoon gevonden zoekslagen naar het [adres] Den Haag en het woonwagenproject met plattegrond betreffende [adres] van de gemeente Den Haag geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. De verklaring van de verdachte dat hij als pizzabezorger heeft gewerkt en in dit kader adressen opzocht, wordt door het hof als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Als dit het geval zou zijn geweest, zou een zoekopdracht van een straatnaam in combinatie met een huisnummer via Google Maps voor de hand hebben gelegen. Een verdere verklaring voor het raadplegen van een luchtfoto van een woonwagenkamp wordt door de verdachte niet gegeven. Het hof weegt mee dat op het [adres] ook daadwerkelijk een persoon is aangetroffen met twee vuurwerkbommen, waar op onderdelen daarvan de vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen.
Het hof gaat er voorts van uit dat de ‘ [persoon] ’ als vermeld in eerder genoemde screenshot van 3 november 2024 de medeverdachte [medeverdachte] betreft. In dat bericht wordt medegedeeld dat [persoon] was geveegd, hetgeen in straattaal “gearresteerd” betekent en dat hij op woensdag weer vrij zou komen. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte op 29 oktober 2024 is aangehouden en uit het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde detentieoverzicht van de medeverdachte blijkt dat hij op woensdag 6 november 2024 daadwerkelijk is vrijgekomen, hetgeen overeenkomt met het verzonden Snapchatbericht.
Inhoud van de flesjes
Het hof stelt – anders dan de raadsman heeft betoogd – vast dat de aangetroffen flesjes benzine bevatten. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat de flesjes ter plaatse zijn geleegd en dat hierbij een benzinelucht werd geroken. Ook nadien rook een tweede verbalisant bij het wederom openen van de flesjes een sterkte benzinegeur. Ongeacht het feit dat de inhoud van de flesjes niet nader is onderzocht, acht het hof deze vaststellingen door de verbalisanten voldoende om vast te stellen dat de flesjes benzine bevatten.
Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan de verdachte zich heeft beziggehouden met het vervaardigen van beide vuurwerkbommen. Het is algemeen bekend dat dergelijke vuurwerkbommen worden gebruikt om explosies teweeg te brengen, zodat de bommen met geen enkel ander legaal doel vervaardigd kunnen zijn.
Levensgevaar
Om tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen te kunnen komen, dient het hof vast te stellen dat er levensgevaar te duchten was als de vuurwerkbommen tot ontploffing zouden zijn gebracht. Het hof stelt vast dat [adres] een straat is waaraan een woonwagenkamp is gelegen en waar mensen wonen. De medeverdachte is met twee vuurwerkbommen, bestaande uit flesjes met een brandversnellende vloeistof getapet aan zwaar vuurwerk, te weten een Cobra, in de nachtelijke uren naar het woonwagenkamp gegaan met als doel deze vuurwerkbommen af te steken en tot ontploffing te brengen. De ontploffing van een zware vuurwerkbom brengt in algemene zin het grote risico met zich dat brand ontstaat in de omgeving, waaronder in dit geval de woningen gelegen aan het [adres] . Door het in de brand staan van een woning ontstaat levensgevaar voor de mensen die in die woningen aanwezig zijn.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat vastgesteld kan worden dat als de ontploffing plaats had gevonden, er levensgevaar te duchten was geweest voor de bewoners van het woonwagenkamp.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:
voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor – kort gezegd – het teweegbrengen van een ontploffing op een woonwagenkamp in Den Haag. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ernstig en buitengewoon gevaarlijk delict. De medeverdachte had met de door verdachte vervaardigde brandbommen een flinke ontploffing teweeg kunnen brengen. Dergelijke aanslagen worden in de afgelopen jaren steeds meer gepleegd en zorgen voor hevige onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het gaat hier echter niet om soortgelijke feiten en het hof neemt deze veroordelingen dan ook niet in strafverzwarende zin mee.
De verdachte was gedurende het grootste deel van de bewezenverklaarde periode nog minderjarig en dat heeft tot gevolg dat het hof het jeugdstrafrecht zal toepassen. Wel zal het hof bepalen dat ten aanzien van de hierna vermelde op te leggen bijzondere voorwaarden de volwassenenreclassering toezicht zal uitoefenen op de verdachte, mede gelet op het feit dat de verdachte nu meerderjarig is en gelet op het advies van de reclassering d.d. 21 mei 2025, waaruit blijkt dat de mogelijkheden binnen de kaders van de jeugdreclassering inmiddels zijn uitgeput.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur – waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest – een passende en geboden reactie vormt. Het hof komt, ondanks de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, wel tot een deels voorwaardelijke straf omdat de verdachte inmiddels werk heeft en goede stappen heeft gezet. Het hof acht het van belang dat de begeleiding van de reclassering wordt gecontinueerd in de vorm van bijzondere voorwaarden, als stok achter de deur en voor extra steun en begeleiding van de verdachte.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2023 onder parketnummer 09-243315-23 is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 28 uren, subsidiair 14 dagen jeugddetentie, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat deze vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.
Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2024 onder rolnummer 22-002122-23 is de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met bevel dat die jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Met de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat er geen termen aanwezig zijn voor toewijzing van die vordering, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het lopende reclasseringstoezicht in die zaak in het kader van de opgelegde bijzondere voorwaarden.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
284 (tweehonderdvierentachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaardedat de betrokkene zich:
- meldt binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 in Den Haag. Betrokkene blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- laat begeleiden door een coach van Coach25 of een soortgelijke instantie.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2023, parketnummer 09-243315-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
taakstrafbestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
14
(veertien) dagenjeugddetentie.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag van 30 januari 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2024, rolnummer 22-002122-23, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 120 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter en mr. H.A.G. Nijman en
mr. A.E. Harteveld, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.C. Sjardin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 maart 2026.
Mr. A.E. Harteveld is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck).
2.Arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409.