Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 28 april 2025, waarmee Regenboog in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 9 april 2025 met daarin de grieven, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Staat, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van Regenboog,
- de akte overlegging aanvullende producties; en
- de akte wijziging en vermeerdering van eis, die Regenboog ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
De bestuursrechtelijke procedure
3. Een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid is niet van toepassing: (…)c. op geneesmiddelen waarvoor, met inachtneming van artikel 5 van richtlijn 2001/83 en overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels, door de Inspectie gezondheidszorg en jeugd voor bepaalde tijd een ontheffing of vrijstelling is verleend;en
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
(iii) de Staat te gebieden binnen vijf dagen na dit arrest dan wel een door het hof te bepalen termijn een bericht op de website van de IGJ te (doen) plaatsen en geplaatst te (doen houden), waaruit volgt dat de aanwijzing (Stcrt. 2024, 39386) / de uitvoering van de aanwijzing ten aanzien van de geneesmiddelen lithiumcarbonaat en promethazine onrechtmatig is / was en dat de eerdere communicatie door de IGJ – waaruit volgt / volgde dat tot 21 november 2025 (lithiumcarbonaat) respectievelijk 20 november 2025 (promethazine) niet handhavend zal worden opgetreden tegen invoer van vergelijkbare geneesmiddelen van lithiumcarbonaat en promethazine – onjuist is geweest en wordt ingetrokken (vordering 5).
6.Beoordeling in hoger beroep
De eiswijziging van Regenboog
nietzal optreden tegen de invoer van onder aanwijzing geplaatste geneesmiddelen uit het buitenland zonder handelsvergunning door fabrikanten, groothandelaars of apotheekhoudenden. Regenboog heeft daarmee voldoende onderbouwd dat zij bij de voorzieningenrechter is opgekomen tegen – volgens haar onrechtmatig – feitelijk handelen van de Staat, waarvan zij stelt schade te ondervinden en dat zij bij de burgerlijke rechter meer aan de orde kan stellen dan zij in een bestuursrechtelijke procedure tegen de afwijzing van een handhavingsverzoek zou kunnen voorleggen.
.
7.Beslissing
- verklaart Regenboog niet-ontvankelijk in haar in hoger beroep ingestelde vorderingen;
- veroordeelt Regenboog in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.433,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Regenboog deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als Regenboog niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Regenboog de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Regenboog deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
- veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Regenboog begroot op € 785,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Staat deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als de Staat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Staat de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Staat deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
- verklaart de kostenveroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;