ECLI:NL:GHDHA:2026:385

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/1002
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:19 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoger beroep tegen uitspraak op bezwaar inzake erfbelasting en dwangsombeschikking

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een erfbelastingaanslag uit 2018 en stelde de Inspecteur in 2023 in gebreke wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. De Inspecteur weigerde een dwangsom toe te kennen vanwege de onredelijke late ingebrekestelling. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde beroep in, dat door de Rechtbank werd afgewezen.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onduidelijk was en dat de zaak terug moest worden verwezen voor een nieuwe uitspraak. Het Hof oordeelde dat uit de uitspraak duidelijk volgt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard en dat er geen aanleiding is tot terugwijzing. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden en dat de Inspecteur terecht geen dwangsom hoefde te betalen vanwege de late ingebrekestelling.

Verder stelde belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof stelde vast dat de totale procedure binnen de redelijke termijn van vier jaar bleef, mede door een voortvarende behandeling in hoger beroep. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd zonder toekenning van dwangsom of immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/1002

Uitspraak van 17 februari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 oktober 2024, nummer SGR 24/5507.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is op 5 april 2018 een aanslag in de erfbelasting opgelegd wegens een verkrijging uit de nalatenschap van [erflaatster] (de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft op 17 mei 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
1.3.
Bij brief van 4 april 2023, bij de Inspecteur ingekomen op 6 april 2023, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld voor het doen van uitspraak op bezwaar.
1.4.
Bij beschikking ingebrekestelling van 1 mei 2023 heeft de Inspecteur beslist geen dwangsom toe te kennen (de dwangsombeschikking).
1.5.
Bij brief van 12 juni 2023 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikking.
1.6.
Belanghebbende heeft op 3 april 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de dwangsombeschikking. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51.
1.7.
De Inspecteur heeft op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2024 beslist.
1.8.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.9.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en op 31 oktober 2025 een nader stuk.
1.10.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 november 2025, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld de zaak van belanghebbende met nummer BK-24/1005. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 17 mei 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
2.2.
Bij brief van 4 april 2023, bij de Inspecteur ingekomen op 6 april 2023, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld voor het doen van uitspraak op bezwaar.
2.3.
Bij beschikking ingebrekestelling van 1 mei 2023 heeft de Inspecteur beslist geen dwangsom toe te kennen omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is (de dwangsombeschikking).
2.4.
Bij brief van 12 juni 2023 heeft belanghebbende pro forma bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikking. Bij brief van 26 september 2023 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar ingediend.
2.5.
Belanghebbende heeft op 3 april 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de dwangsombeschikking.
2.6.
De Inspecteur heeft op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2024 beslist. De uitspraak vermeldt onder meer:
“Zowel uw bezwaarschrift als de aanvulling bevat geen inhoudelijke informatie die
kan leiden tot een toewijzing van het bezwaarschrift.

Beslissing op bezwaar : Ik verklaar uw bezwaar kennelijk ongegrond

Gelet op artikel 7:3, letter b van de Algemene wet bestuursrecht heb ik er vanaf
gezien u te horen.
Voor de rechtsmiddelen die tegen deze beslissing open staan verwijs ik u naar de
volgende bladzijde. Ik wijs u hierbij nog op artikel 4:19 Awb Pro. Indien u het met
deze beslissing op het bezwaar niet eens bent loopt dit geschil mee in het (reeds
ingestelde) beroep.
(…)
Rechtsmiddelen
U kunt niet in beroep gaan tegen deze beslissing. Dat kan wel tegen de beslissing dat ik uw bezwaar niet-ontvankelijk heb verklaard. Onderaan deze brief staat hoe u dit doet.
(…)”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“2. In geschil is of de zaak moet worden teruggewezen naar verweerder voor het opnieuw doen van uitspraak op bezwaar.
3. Eiser voert aan dat de zaak moet worden teruggewezen naar verweerder voor het opnieuw doen van uitspraak op bezwaar omdat de uitspraak op bezwaar niet te volgen is omdat bij beslissing op bezwaar staat dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, terwijl onder “Rechtsmiddelen” staat dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Voort had eiser bij niet-ontvankelijkheid gehoord moeten worden over de niet-ontvankelijkheid. Dit is niet gebeurd en daarom moet de zaak worden teruggewezen naar verweerder.
4. Verweerder concludeert tot een ongegrond beroep. Volgens verweerder is het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard.
5. De rechtbank is van oordeel dat hoewel het ongelukkig is dat de rechtsmiddelenverwijzing op de volgende pagina na de ondertekening van de uitspraak op bezwaar anders luidt, uit de uitspraak op bezwaar ondubbelzinnig volgt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard. Er staat immers vetgedrukt: “Beslissing op bezwaar: ik verklaar uw bezwaar kennelijk ongegrond.” Verweerder was dus, anders dan eiser betoogt, ook niet gehouden om eiser te horen over de ontvankelijkheid van het bezwaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen voor het opnieuw doen van uitspraak op bezwaar.
6. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het bezwaarschrift terdege gemotiveerd was en dus ook niet kennelijk ongegrond verklaard had moeten worden. De rechtbank begrijpt hier uit dat eiser daarmee betoogt dat het hoorrecht is geschonden.
7. Vaststaat dat op 17 mei 2018 bezwaar is gemaakt tegen de aanslag en dat eiser verweerder bijna vijf jaar later in gebreke heeft gesteld. Zoals verweerder ook in de dwangsombeschikking heeft opgenomen, is op grond van artikel 4:17 lid 6 letter Pro a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen dwangsom verschuldigd omdat verweerder onredelijk laat in gebreke is gesteld. Verweerder verwijst daarbij naar de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 4:17 van Pro de Awb, waarin vermeld is:

De eerste uitzonderingen op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term ‘onredelijk’ zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen.
(…)
Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (Zie bijvoorbeeld CRvB 26 februari 2004, LJN AO4639, en ABRvS 20 februari 2002, JB 2002/113).’ [1]
8. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de tijdsspanne van bijna vijf jaar tussen het indienen van het bezwaarschrift en de ingebrekestelling waarbij in de tussentijd, los van een hoorgesprek, geen overleg heeft plaatsgevonden tussen verweerder en eiser, verweerder onredelijk laat in gebreke is gesteld. Op grond van artikel 4:17, lid 6, onderdeel a, van de Awb is verweerder geen dwangsom verschuldigd. Dat, zoals eiser eerst ter zitting heeft aangevoerd, een andere belastingplichtige in 2023 te maken heeft gekregen met invorderingsmaatregelen, staat dermate ver van eiser af dat dit geen verschil kan maken in de procedure van eiser. Verweerder heeft het bezwaar terecht kennelijk ongegrond verklaard en mocht dus afzien van horen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat ook indien geen sprake zou zijn van ”kennelijkheid” en eiser wel gehoord had moeten worden, de rechtbank dit gebrek kan passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Eiser heeft in beroep de bezwaren kunnen toelichten terwijl over de feiten (in dit geval, het tijdsverloop tussen het bezwaarschrift en de ingebrekestelling) geen verschil van mening meer bestaat.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.
Proceskosten
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Kamerstukken II 2004/05, nr. 29 934, nr. 6, p. 5 en 13.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar de Inspecteur.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur.
4.3.
De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid hoger beroep: gronden
5.1.
De Inspecteur stelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet is gemotiveerd. Deze stelling mist feitelijke grondslag. Belanghebbende heeft bij brief van 9 januari 2025 de gronden van het hoger beroep ingediend. De brief is eveneens op 9 januari 2025 bij het Hof ingekomen. Aangezien het hoger beroep ook overigens aan de formele vereisten voor het instellen van hoger beroep voldoet, is het hoger beroep ontvankelijk. Het Hof merkt op dat het bericht blijkens de metadata in de digitale postkamer van het Hof op 13 januari 2025, 08:51 uur, via het webportaal Mijn Rechtspraak naar de Inspecteur is gezonden.
Inhoudelijk
5.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de zaak moet worden teruggewezen naar de Inspecteur voor het opnieuw doen van uitspraak op bezwaar omdat de uitspraak op bezwaar onduidelijk is. Bij “beslissing op bezwaar” staat dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, terwijl onder “Rechtsmiddelen” staat dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Tevens stelt belanghebbende dat in het geval het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard de zaak moet worden teruggewezen naar de Inspecteur omdat hij niet is gehoord over het voornemen tot niet-ontvankelijkverklaring alvorens uitspraak op bezwaar is gedaan.
5.3.
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat uit de uitspraak op bezwaar redelijkerwijs niet anders kan worden afgeleid dan dat het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard. Dit blijkt zowel uit de vetgedrukte zin: “Beslissing op bezwaar: ik verklaar uw bezwaar kennelijk ongegrond” als uit de daaronder staande verwijzing naar artikel 7:3,
letter b,van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke bepaling betrekking heeft op een kennelijk ongegrond bezwaar. Dat in de rechtsmiddelverwijzing onder de uitspraak ook wordt gesproken over een beslissing waarin het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk is verklaard, maakt dit oordeel niet anders. Deze laatstbedoelde beslissing ziet kennelijk op het bezwaar tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag erfbelasting. Als onduidelijkheid omtrent het dictum van de uitspraak op bezwaar al grond zou kunnen vormen voor terugwijzing, bestaat daarvoor, gelet op het voorgaande, in de onderhavige zaak geen aanleiding.
5.4.
Aangezien de uitspraak op bezwaar dus niet een kennelijke niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar inhoudt, behoeft de stelling van belanghebbende met betrekking tot de schending van de hoorplicht geen bespreking. Overigens geldt, anders dan belanghebbende kennelijk meent, dat ook van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien in het geval dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is (artikel 7:3, aanhef en onderdeel a, Awb).
5.5.
Voor zover belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft hij dat verzoek voor het eerst gedaan ter zitting van het Hof.
5.6.
Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. De termijn begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de hoofdzaak. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).
5.7.
Aangezien het verzoek om een immateriëleschadevergoeding voor het eerst in hoger beroep is gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562).
5.8.
Het Hof stelt vast dat na de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 juni 2023 tot de datum van zijn uitspraak op 3 februari 2026 twee jaar en bijna acht maanden zijn verstreken. Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn van vier jaar niet is overschreden en belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.