ECLI:NL:GHDHA:2026:367

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.357.349/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ingangsdatum kinderalimentatie en zorgkorting na niet-nakoming zorgregeling

Het geschil betreft de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie en de zorgkorting tussen ouders na ontbinding van hun huwelijk. De rechtbank had de kinderalimentatie verhoogd met ingang van 8 mei 2025, maar de moeder vorderde een eerdere ingangsdatum vanwege het niet-nakomen van de zorgregeling door de vader sinds respectievelijk september 2021 en februari 2023.

De vader betwistte een eerdere wijzigingsdatum en stelde dat de moeder de extra kosten zelf kon dragen door meer te werken. Het hof overwoog dat hoewel de zorgregeling al eerder niet werd nagekomen, terugwerkende kracht van de wijziging tot aanzienlijke nabetalingsverplichtingen zou leiden die redelijkerwijs niet van de vader kunnen worden verlangd. Daarbij speelde mee dat de procedure meerdere keren was aangehouden en dat de moeder niet had onderbouwd waarom zij de extra kosten niet zelf kon dragen.

Het hof bevestigde daarom de ingangsdatum van 8 mei 2025 zoals vastgesteld door de rechtbank en wees het verzoek van de moeder tot een eerdere ingangsdatum af. De zorgkorting wordt aangepast van 25% naar 5% vanaf die datum, en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ingangsdatum van de kinderalimentatie op 8 mei 2025 en wijst het verzoek tot terugwerkende betaling af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.357.349/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 21-8368
zaaknummer rechtbank : C/10/628334
beschikking van de meervoudige kamer van 4 maart 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.E.M. Elbertse te Pijnacker,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 23 mei 2022, 3 maart 2023, 18 december 2023 en 8 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (laatstgenoemde beschikking hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 25 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
Bij het hof zijn voorts van de zijde van de vrouw de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van 31 juli 2025 met bijlagen, ingekomen op 4 augustus 2025;
- een journaalbericht van 14 augustus 2025 met bijlage, ingekomen op 18 augustus 2025;
- een journaalbericht van 15 september 2025 met bijlagen, ingekomen op 17 september 2025.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Het huwelijk van partijen is op 14 september 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 juni 2016 (hierna: de echtscheidingsbeschikking) in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
3.4
Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
3.5
Partijen hebben op 6 november 2015 een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend. Hierin is de volgende zorg- en contactregeling (hierna: de zorgregeling) opgenomen:
- de kinderen zullen per periode van twee weken bij de man verblijven van vrijdag 15.30 uur tot zondag 16.00 uur; en
- gedurende twee weken in de zomervakantie, gedurende een week in de meivakantie en gedurende de helft van de bijzondere dagen en feestdagen, te verdelen in onderling overleg.
3.6
Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover relevant in deze zaak:
- bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van heden als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: de kinderalimentatie) zal uitkeren € 177,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- opgenomen in de beschikking de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het op 6 november 2015 door partijen ondertekende ouderschapsplan, welk stuk door de griffier is gewaarmerkt en aan de echtscheidingsbeschikking is gehecht.
3.7
Bij beschikking van 7 juni 2017 is de echtscheidingsbeschikking gewijzigd in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 2016 wordt bepaald op € 239,- per maand per kind.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij beschikking van 23 mei 2022 heeft de rechtbank, voor zover relevant in deze zaak, bepaald dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling en de kinderalimentatie wordt aangehouden tot 1 september 2022, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke wijze volgens partijen moet worden voort geprocedeerd.
4.2
Bij beschikking van 3 maart 2023 heeft de rechtbank, voor zover relevant in deze zaak, de raad verzocht om een advies uit te brengen over de zorgregeling en bepaald dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling en de kinderbijdrage wordt aangehouden tot 1 juli 2023 pro forma.
4.3
Bij beschikking van 18 december 2023 heeft de rechtbank, voor zover relevant in deze zaak, partijen verwezen naar het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling en iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de verzochte wijziging van de kinderalimentatie aangehouden tot 1 juni 2024 pro forma.
4.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de bij (verstek)beschikking van 7 juni 2017 door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 239,- per maand per kind gewijzigd en bepaald dat de man vanaf 8 mei 2025 een kinderalimentatie van € 415,56 per maand per kind dient te voldoen. Verder heeft de rechtbank deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.5
De vrouw is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de kinderalimentatie. Zij verzoekt het hof, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen met betrekking tot de ingangsdatum van de kinderalimentatie en, opnieuw rechtdoende, als volgt te bepalen:
A. de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] per 1 september 2021 te verhogen naar € 348,71 per maand, waarbij dit bedrag onderworpen zal zijn aan de wettelijke indexatie per 1 januari 2022;
B. de kinderalimentatie voor [minderjarige 2] per 17 februari 2023 te verhogen naar € 367,42 per maand, waarbij dit bedrag onderworpen zal zijn aan de wettelijke indexatie per 1 januari 2024.

5.De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden / ingangsdatum
5.1
De moeder stelt, samengevat, het volgende. De rechtbank heeft ten onrechte de ingangsdatum voor de wijziging van de kinderalimentatie vastgesteld op 8 mei 2025. Volgens de moeder zou de wijziging van de kinderalimentatie niet pas medio 2025, maar vanaf de feitelijke wijziging van de zorgregeling moeten ingaan. Voor [minderjarige 1] was dit in september 2021 en voor [minderjarige 2] in februari 2023, omdat zij sindsdien geen omgang meer hebben gehad met de vader. De moeder heeft daardoor extra verblijfskosten moeten maken voor beide kinderen, terwijl de vader sinds september 2021 respectievelijk februari 2023 geen kosten meer heeft gehad voor het verblijf van de kinderen, wat hem financieel heeft ontlast. De moeder benadrukt dat de vader zelf heeft besloten om de kinderen niet meer bij hem te ontvangen, waardoor zij de volledige zorg voor de kinderen op zich heeft genomen. De vader heeft geen enkele bijdrage geleverd aan de extra kosten van de moeder, noch heeft hij andere vormen van zorg of betrokkenheid getoond, zoals het kopen van cadeaus voor de kinderen. Tot slot is de moeder van mening dat de kosten voor de hulpverleningstrajecten niet in aanmerking mogen worden genomen bij de vaststelling van de draagkracht van de vader.
5.2
De vader voert ter zitting, samengevat, het volgende aan. De zorgregeling tussen de vader en de kinderen wordt al enige tijd niet uitgevoerd. Dit is volgens de vader niet het resultaat van een rechterlijke beslissing of zijn instemming. De reden voor het niet uitvoeren van de zorgregeling ligt bij het feit dat de moeder en de kinderen de regeling niet zijn nagekomen. De vader is vanwege de niet-nakoming van de zorgregeling een procedure gestart en uiteindelijk heeft de rechtbank (bij de bestreden beschikking) zijn verzoek tot nakoming afgewezen. De vader betwist niet dat sindsdien, te weten met ingang van 8 mei 2025, sprake is van een wijziging van omstandigheden op basis waarvan de kinderalimentatie – meer specifiek de zorgkorting – dient te worden aangepast. Verder stelt de vader zich op het standpunt dat voor een eerdere wijzigingsdatum geen grondslag is, omdat hij zich nimmer heeft neergelegd bij de niet-nakoming van de zorgregeling. Voor zover het hof van oordeel is dat de wijziging van omstandigheden op een reeds voor de bestreden beschikking gelegen datum is ingetreden, stelt de vader zich op het standpunt dat de moeder in staat moet worden geacht zelf meer uren te werken en inkomen te genereren, zodanig dat zij zelf voldoende draagkracht heeft om de (extra) kosten van de kinderen op zich te nemen.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Duidelijk is geworden dat de ouders het erover eens zijn dat in ieder geval met ingang van 8 mei 2025 sprake is van een wijziging van omstandigheden en dat dit dient te leiden tot een aanpassing van de zorgkorting ten behoeve van de vader van 25% naar 5%. De rechtbank heeft immers op die datum het verzoek van de vader tot nakoming van de zorgregeling afgewezen. Tussen de ouders is echter in geschil of er al eerder sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden en of dit tot gevolg heeft dat op de vader een nabetalingsplicht rust. Nu de zorgregeling al eerder niet werd nagekomen is daarin in de visie van het hof een relevante wijziging van omstandigheden gelegen. Vanaf het moment dat de vader geen omgang meer had met de kinderen, maakte hij daarvoor immers geen kosten. De vraag is vervolgens of deze wijziging moet leiden tot een wijziging van de alimentatie met terugwerkende kracht over de periode vanaf het moment dat de zorgregeling niet langer werd nagekomen tot 8 mei 2025.Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:594 en HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:132) dient de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum. Hoewel de Hoge Raad hieraan toevoegt dat deze behoedzaamheid met name vereist is indien de wijziging ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald, volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad niet dat geen behoedzaamheid in acht zou moeten worden genomen bij een vaststelling van een hogere alimentatie met terugwerkende kracht. In deze zou een wijziging van de zorgkorting in het verleden leiden tot een verplichting van de vader tot nabetaling van een aanzienlijk bedrag. Naar het oordeel van het hof kan dit in redelijkheid niet van de vader worden verlangd. Weliswaar heeft de vader sinds september 2021 geen omgang meer gehad met [minderjarige 1] en sinds februari 2023 ook niet meer met [minderjarige 2] maar gebleken is dat de vertraging in de afdoening van deze zaak met name is gelegen in het aantal keren dat de rechtbank de zaak heeft aangehouden. De moeder heeft weliswaar steeds aangegeven extra kosten voor de kinderen te hebben gemaakt omdat zij niet langer naar de vader gingen, maar de vader heeft tegen de stopzetting van de zorgregeling steeds bezwaar gemaakt. Tijdens de (gerechtelijke) procedure over de nakoming van de zorgregeling, is gekeken naar de mogelijkheden voor contactherstel tussen de vader en de kinderen. De regeling zelf stond evenwel vast en er was een verplichting tot nakoming hiervan. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader tot nakoming van de zorgregeling afgewezen zodat hij vanaf dat moment rekening heeft moeten houden met een lagere zorgkorting. Dat de vader sinds september 2021 respectievelijk februari 2023 geen kosten meer heeft gehad voor de zorg en opvoeding van de kinderen, terwijl de moeder genoodzaakt was deze (extra) kosten op zich te nemen, leidt niet tot een andere belangenafweging. Daarbij weegt mee wat de vader subsidiair ten aanzien van de verdiencapaciteit van de moeder naar voren heeft gebracht. Eerst op de zitting is gebleken dat de moeder inmiddels meer is gaan werken. Van de moeder mocht worden verwacht dat zij op het verweer van de vader zou hebben gereageerd door naar voren te brengen dat en waarom niet van haar niet kon worden verlangd dat zij haar inkomen vanaf september 2021 zodanig had kunnen verhogen dat zij zelf deze (extra) kosten kon dragen. Dit heeft zij echter niet gedaan zodat, rekening houdend met de verdiencapaciteit van de vrouw, het hof er met de vader vanuit gaat dat de extra kosten die de vrouw had vanwege het stopzetten van de zorgregeling, door haar konden worden gedragen. Het hof is dan ook alles afwegende van oordeel dat het verweer van de vader doel treft. Het hof zal de bestreden beschikking waar het de ingangsdatum betreft daarom bekrachtigen.
5.4
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, C.M. van der Kleijn en G.V. van Campen, bijgestaan door mr. J. van Gaalen als griffier, en is op 4 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.