Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 13 oktober 2023, waarmee de Holding in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 september 2023;
- het arrest van dit hof van 28 november 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast; van deze op 20 februari 2024 plaatsgevonden mondelinge behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt;
- de memorie van grieven van de Holding, met bijlagen;
- de memorie van antwoord van de Gemeente, met bijlagen;
- de bijlagen nummers 43 tot en met 49, respectievelijk 50 en 51, die de Holding ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd, en
- bijlage nummer 50, die de Gemeente ter gelegenheid van die behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
- De huurder moet het gehuurde conform die bestemming in gebruik nemen en gedurende de gehele huurtijd gebruiken (artikel 6 lid Pro 1).
- De huurder mag het perceel of de exploitatie niet (geheel of ten dele) aan een ander onderverhuren, in gebruik geven of anderszins ter beschikking stellen (artikel 7 lid Pro 1), de huurder moet zijn zaak persoonlijk en voor eigen rekening exploiteren en mag contractuele rechten en plichten niet door derden laten uitoefenen (artikel 7 lid Pro lid 2) en de lopende huurovereenkomst mag niet zonder schriftelijke toestemming van verhuurder aan derden worden overgedragen (artikel 7 lid Pro 3).
- De huurder zal in gebreke zijn door het enkele niet (behoorlijk/voldoende) nakomen van een verplichting op grond van de wet of de huurovereenkomst of door de enkele overtreding van een verbodsbepaling uit de overeenkomst. Verhuurder heeft dan het recht om zonder nadere ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst de huurovereenkomst te ontbinden, waarna de huurder het gehuurde direct moet ontruimen (artikel 11 lid 1 en Pro lid 2, en wat betreft de ontruiming ook artikel 13 lid Pro 1).
- Op 24 augustus 2022 heeft [gebiedsadviseur] aan [bedrijfsleider] een aantal suggesties gedaan voor een naam voor zijn nieuwe horecazaak.
- Op 30 augustus 2022 heeft [bestuurder] aan [gebiedsadviseur] laten weten dat [bedrijfsleider] de volgende dag een contract ging tekenen en dan direct de vergunning zou gaan aanvragen.
- Op 1 september 2022 heeft [gebiedsadviseur] aan [bestuurder] het volgende geappt:
zal haar aanvraag nog moeten intrekken. Ik heb haar daar vandaag al een app over gestuurd.”
4.Procedure bij de rechtbank
- Ten aanzien van vorderingen 1) en 2). De Holding is tekortgeschoten door in ieder geval vanaf 16 september 2022 niet meer aan haar contractuele exploitatieverplichting te voldoen. Reeds daarom had de Gemeente in oktober 2022 het recht de huurovereenkomst te ontbinden. In aanvulling daarop geldt dat de Holding door middel van de al voor de intrekking van de exploitatievergunning tussen de BV en Rose Vis gesloten (onder)huurovereenkomst, de exploitatie aan een derde heeft willen overdragen en dat is ook in strijd met de huurovereenkomst. De Gemeente heeft ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar gehandeld door de overeenkomst te ontbinden of door niet alsnog akkoord te gaan met overname van de exploitatie door Rose Vis, dan wel voortzetting van de huurovereenkomst. Daarbij heeft de kantonrechter onder meer verwezen naar de regels uit het Didam-arrest. Ook het beroep op misbruik van bevoegdheid en de twee-wegen-leer heeft de kantonrechter verworpen. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat de huurovereenkomst op 12 oktober 2022 buitengerechtelijk is ontbonden en heeft de Holding veroordeeld tot ontruiming, waaronder begrepen is de verwijdering van alle opstallen en alle bovengrondse dan wel ondergrondse zaken. De gevorderde dwangsom is afgewezen.
- Ten aanzien van vorderingen 3) en 4). Partijen zijn het erover eens dat de huurachterstand tot en met oktober 2022 € 10.582,17 bedraagt. De Holding is daarna een gebruiksvergoeding verschuldigd zolang zij niet heeft ontruimd, want het komt voor haar risico dat het horecabedrijf niet kon worden geëxploiteerd. Over de periode november 2022 tot en met maart 2023 (de maand waarin zij werd gedagvaard) is zij € 6.885,88 verschuldigd. Van het in totaal verschuldigde bedrag moet echter de huur over de periode van 14 augustus 2020 tot en met 21 mei 2021, een bedrag van € 11.724,46, worden afgetrokken, want in die periode heeft de BV niet kunnen exploiteren terwijl achteraf is gebleken dat de exploitatievergunning ten onrechte was ingetrokken. Per saldo resteert daarom een bedrag van € 5.743,59,- tot en met maart 2023. De Holding wordt veroordeeld tot betaling van dat bedrag, met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Ook wordt de Holding veroordeeld tot betaling van de gebruiksvergoeding van € 1.426,96 per maand vanaf april 2023 tot aan de dag van volledige ontruiming, eveneens te vermeerderen met wettelijke rente.
- Ten aanzien van vordering 5). Deze vordering is toegewezen. De rente is toegewezen vanaf 1 juni 2023, de dag van verzuim.
- De Holding is in de proceskosten veroordeeld.
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
De ontbinding
van de grond, maar de Gemeente heeft terecht tegengeworpen dat door het in gebruik geven van de opstallen aan een derde, die derde indirect ook toestemming krijgt voor het gebruik van de grond waarop de opstallen staan. De opstallen zijn immers niet te bereiken zonder die grond te betreden.
aanvraag(om de vergunning (ook) op naam van [bestuurder i] te zetten) maar ook de
bestaande vergunning(op naam van de BV en [bestuurder] ) in te trekken. Niet valt in te zien waarom [bestuurder] uit de appjes – of uit de brief van de Gemeente van 7 april 2022 (zie 3.7. hierboven), waarnaar de Holding ter zitting in dit verband nog heeft gewezen – redelijkerwijs mocht afleiden dat het de bedoeling was dat zij ook de bestaande vergunning zou intrekken, nog voordat over de aanvraag van [bedrijfsleider] /Rose Vis was beslist.
nieuwekandidaat voor de exploitatie van De Zeebries. De Holding heeft aangevoerd dat de Gemeente met andere exploitanten in de omgeving wel rechtstreekse huurovereenkomsten heeft gesloten, waarbij de hoofdhuurder er tussen uit is gevallen. Volgens haar is dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze stelling is echter gemotiveerd betwist door de Gemeente en niet nader onderbouwd. De Gemeente heeft uitgelegd dat zij rechtstreekse huurovereenkomsten heeft gesloten met exploitanten die al vóór Didam exploiteerden en al vóór Didam een ‘legaal’ onderhuurcontract hadden gesloten, dat wil zeggen ofwel met voorafgaande, schriftelijke toestemming van de Gemeente ofwel omdat geen contractueel onderhuurverbod gold (hoewel de Gemeente ter zitting heeft aangegeven dat zij meende dat het laatste zich eigenlijk niet heeft voorgedaan). De Gemeente stelt zich op het standpunt dat deze legale, zittende onderhuurder-exploitanten in die gevallen als enige serieuze gegadigde konden worden aangemerkt, waarbij ook rekening is gehouden met al gedane investeringen. De Gemeente heeft ter zitting verklaard daarover in 2024 ook een Didam-publicatie te hebben uitgezet. De Holding heeft dat laatste niet betwist. Zij heeft wel betwist dat sprake is van ongelijke gevallen, maar heeft die betwisting geen handen en voeten gegeven. Het lag wel degelijk op de weg van de Holding om te onderbouwen dat en waarom er kan worden getwijfeld aan het gemotiveerde betoog van de Gemeente.
van de grondmoet betalen, maar om belastingen die samenhangen met de opstallen en deze komen op grond van artikel 20 lid 1 van Pro de huurovereenkomst voor rekening van de huurder. Volgens de Gemeente heeft de Staat de aanslagen in eerste instantie ontvangen en heeft hij deze doorbelast aan de Gemeente als huurder die deze vervolgens op haar beurt heeft doorbelast aan haar huurder, de Holding dus. De Holding betwist wel dat dit zo is gegaan en stelt dat de Gemeente de aanslagen ook aan de Staat heeft doorbelast, maar dat blijkt uit niets en het ligt gezien het voorgaande ook niet in de rede. Ook grief 7 faalt.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 september 2023;
- veroordeelt de Holding in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente begroot op € 4.904,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Holding deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als de Holding niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Holding de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Holding deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.