Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Bricks & Concrete B.V.,
gevestigd in Leiden,
1.Verdere procesverloop bij het hof
- de memorie na herroeping, tevens vermindering van eis van [appellant] met producties;
- de memorie van antwoord na herroeping van [geïntimeerden] met producties;
- de aanvullende producties 18 t/m 22 van [appellant].
2.Vordering na heropening van het geding
1. te herroepen het arrest van 22 december 2020 tussen [appellant] als appellant en [geïntimeerden] als geïntimeerden gewezen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [appellant] alsnog toe te wijzen, met dien verstande dat de vordering wordt verlaagd tot een bedrag van € 150.000,-, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure en tot terugbetaling van hetgeen [appellant] reeds ter naleving van voormeld arrest en het vonnis van de rechtbank aan [geïntimeerden] heeft voldaan;
2. [geïntimeerden] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
3.Verdere beoordeling van de vordering tot herroeping
19. Het hof overweegt dat [geïntimeerde 3] bij pleidooi heeft toegelicht dat, kort gezegd, de financiële afwikkeling tussen [appellant] en CAI met [betrokkene] was afgestemd. Dat dit anders ligt is niet gebleken. Daarnaast geldt dat het door [appellant] genoemde probleem met betrekking tot de volgorde van de leveringsdata in elk geval niet de oorzaak is geweest van het stranden van de doorverkoop aan [betrokkene] (en de daarmee (volgens [geïntimeerde 3]) te verkrijgen financiering).20. De slotsom van dit alles is dat niet aangenomen kan worden dat [geïntimeerde 3] bij het sluiten van de koopovereenkomst met [appellant] wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat CAI haar verplichtingen uit deze koopovereenkomst niet zou kunnen nakomen. Weliswaar staat vast dat CAI op dit punt een verwijt treft, zoals ook tot uitdrukking komt in het vonnis van de rechtbank van 4 juli 2018 in de procedure tussen [appellant] en CAI, maar [geïntimeerde 3] als bestuurder treft dus op dit punt geen persoonlijk ernstig verwijt.
[betrokkene] zou geld beschikbaar maken om [appellant] door CAI te laten betalen” en “
Wij waren daarom blij met de voorfinanciering door [betrokkene] en ik had het idee dat we daarmee goed gedekt waren”. [appellant] heeft, nadat het hof het arrest van 22 december 2020 heeft gewezen, verklaringen van [betrokkene] en zijn makelaar overgelegd waaruit blijkt dat deze verklaringen van [geïntimeerde 3] en zijn advocaat onjuist zijn. [geïntimeerde 3] heeft ter zitting bij het hof in de onderhavige procedure erkend dat er geen afspraken met [betrokkene] over voorfinanciering waren gemaakt. Hij verklaarde hierover als volgt: “
Op het moment dat ik de koopovereenkomst aanging, heb ik daar niet met [betrokkene] over gesproken. Ik heb hem nooit gezien of gesproken. Eigenlijk heb ik al die tijd gedacht dat het wel goed zou komen. Als [betrokkene] me niet kon helpen, had ik nog een vader die me wel zou kunnen helpen”. Het hof leidde hieruit af dat de in rechtsoverweging 19 van het arrest van 22 december 2022 genoemde toelichting van [geïntimeerde 3] achteraf bezien onjuist was: de financiële afwikkeling tussen [appellant] en CAI was niet met [betrokkene] afgestemd noch waren er afspraken over een voorfinanciering door [betrokkene]. Het hof oordeelde dat daarmee de door [appellant] aangevoerde grond voor herroeping, bedrog als bedoeld in artikel 382 onder Pro a Rv, juist was.
Ik was voor de Grote Markt bezig met een bank maar vrij snel kwam iemand die het van mij wilde overnemen. De gesprekken met de bank vonden plaats voor het sluiten van de koopovereenkomst. Het bleek dat die persoon heel serieus was. Hij wilde het van mij overkopen, zonder voorbehoud van financiering. Dat was een goed voorstel. Toen heb ik de bank laten schieten, omdat hij serieus was.” Hiervan uitgaande heeft [geïntimeerde 3] al vóór het aangaan van de koopovereenkomst met [appellant] zijn inspanning om bancaire financiering voor CAI te verkrijgen gestaakt en erop gespeculeerd dat de voorwaardelijke doorverkoop aan [betrokkene] doorgang zou vinden, terwijl op dat moment (ook) geen afspraken waren gemaakt over de financiering van de transactie tussen CAI en [appellant] met [betrokkene]. Daarmee heeft [geïntimeerde 3] naar het oordeel van het hof ernstig verwijtbaar gehandeld tegenover [appellant]. In dit verband is verder het volgende van belang.
We sturen hem[de koopovereenkomst, hof]
gelijk door aan de bank waar wij zaken mee doen” en “
Hij neemt dit pand dan mee in de andere aanvraag die wij hebben lopen”. Dat [geïntimeerde 3] de aanvraag bij de bank nadien beëindigde (omdat hij vertrouwde op een doorverkoop aan [betrokkene]), heeft hij voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst niet aan [appellant] laten weten.
€ 13.157,47.
€ 17.997,59. De nakosten zullen worden toegekend als hierna in het dictum bepaald. Ook zal de wettelijke rente, zoals gevorderd en op de wet gegrond, over de proceskosten worden toegekend.
3.Beslissing
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018, behoudens de afwijzing van de vordering jegens CAI en Bricks;
- veroordeelt [geïntimeerde 3] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van
- veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling van wat [appellant] ter naleving van het herroepen arrest en het vonnis van de rechtbank waarvan beroep aan [geïntimeerden] heeft voldaan;
- veroordeelt [geïntimeerde 3] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep inclusief de herroepingsprocedure, aan de zijde van [appellant] begroot op € 31.155,06 en op € 178,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 92,- (plus de kosten van betekening) indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
- bepaalt dat binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 92,- en de kosten van betekening, na de datum van betekening, aan deze kostenveroordeling moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in de herroepingsprocedure, aan de zijde van CAI en Bricks, tot op heden begroot op nihil;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.