ECLI:NL:GHDHA:2026:295
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- P.C. van den Brink
- P.J.J. Vonk
- C. Maas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing schending toezendplicht
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande villa en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €1.031.000 voor het jaar 2022. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Het hof beoordeelde de zaak opnieuw en concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, mede op basis van een taxatieverslag en vergelijkingsobjecten. De rechtbank en het hof oordeelden dat de gebruikte vergelijkingsobjecten passend zijn en dat de toegepaste methodiek, waaronder de correctie voor afnemend grensnut, adequaat is.
Belanghebbende voerde aan dat de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ was geschonden, maar het hof stelde vast dat de verstrekte informatie voldoende was en dat het verzoek van belanghebbende te onspecifiek was om aanvullende stukken te eisen. Ook werd geen schending van het hoorrecht vastgesteld, omdat de aanvullende referentieverkopen in de uitspraak op bezwaar slechts ter bevestiging van het standpunt dienden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Belanghebbende kan nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde en verklaart het hoger beroep ongegrond.