ECLI:NL:GHDHA:2026:294
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- P.C. van den Brink
- P.J.J. Vonk
- C. Maas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde en geen schending toezendplicht Wet WOZ
Belanghebbende, eigenaar van een appartement, betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van €456.000 voor het jaar 2022 en stelde dat deze te hoog was. De heffingsambtenaar handhaafde de beschikking na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
In hoger beroep werd de zaak opnieuw beoordeeld. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede aan de hand van een taxatieverslag, een matrix met vergelijkingsobjecten en een onderbouwing van het indexeringspercentage. De rechtbank en het hof vonden de vergelijkingsobjecten passend en de gehanteerde methodiek adequaat.
Belanghebbende stelde dat de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ was geschonden omdat niet alle onderliggende gegevens waren verstrekt. Het hof oordeelde dat het verzoek van belanghebbende te onspecifiek was en dat de verstrekte informatie voldoende was. Ook het gebruik van andere vergelijkingsobjecten in de beroepsfase werd niet als schending gezien.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.