ECLI:NL:GHDHA:2026:28

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
22-003212-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moord op 9-jarig zoontje door moeder met voorbedachte raad en verwerping van ontoerekeningsvatbaarheid

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een moeder die beschuldigd werd van de moord op haar 9-jarige zoon. De verdachte heeft haar zoon opzettelijk van het leven beroofd door hem slaapmedicatie toe te dienen en hem vervolgens met een kussen te smoren. Het hof oordeelde dat er sprake was van voorbedachte raad, gezien de tijdspanne en de wijze van uitvoering van de daad. Het verweer van de verdediging, dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar was, werd verworpen. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van 12 jaar opgelegd, waarbij de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte was meegewogen. Daarnaast werd tbs met dwangverpleging opgelegd vanwege het recidiverisico. De vader van het slachtoffer kreeg affectieschade toegewezen, terwijl de vorderingen van de halfbroers en -zussen werden afgewezen. Het hof concludeerde dat de verdachte voldoende tijd had om na te denken over haar daad en dat haar persoonlijkheidsstoornis niet leidde tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. De uitspraak benadrukt de ernst van de zaak en de impact op de betrokkenen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003212-24
Parketnummers: 10-261185-23
Datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
thans gedetineerd in [naam P.I.] te [plaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en is gelast dat zij ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Ook is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 5 oktober 2023 tot en met 7 oktober 2023 te Hardinxveld-Giessendam, in elk geval in Nederland, haar zoon, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2014), opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door
- die [slachtoffer] slaapmiddelen, althans medicijnen toe te dienen en/of
- vervolgens die [slachtoffer] met een kussen te smoren tot die [slachtoffer] niet meer ademde.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewijsoverweging
Verweer van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het impliciet primair tenlastegelegde feit, moord, dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe, kort weergegeven, aangevoerd dat het voor de bewezenverklaring van moord vereiste bestanddeel voorbedachte raad niet kan worden bewezen. De verklaringen van de verdachte op 7 en 8 oktober 2023 bij de politie zijn, gelet op de toestand waarin zij zich op dat moment bevond, niet betrouwbaar en kunnen daarom niet voor het bewijs van voorbedachte raad worden gebezigd. Daarnaast is sprake van een aantal contra-indicaties, waaronder gemaakte afspraken in de toekomst, waaraan een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan eventuele indicaties voor voorbedachte raad, aldus de raadsman.
Feiten en omstandigheden
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op zaterdag 7 oktober 2023 wordt de verdachte met het levenloze lichaam van haar zoon [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) in hun woning in bed aangetroffen. De verdachte verklaart ter plekke in bijzijn van de politie aan het verzorgende ambulancepersoneel dat zij [slachtoffer] ‘achterna’ wilde en dat ‘het donderdag al was gebeurd’. Ook hoort de politie haar zeggen: ‘sorry, sorry, sorry’. Op de slaapkamerdeur hangt een briefje met de tekst ‘Alleen dokter/politie’. In de woonkamer wordt een enveloppe met geld aangetroffen en een briefje met de inlogcodes van de bankrekening van de verdachte. Uit de banktransacties van de verdachte blijkt dat er op donderdag 5 oktober 2023 rond 11:30 uur geld is overgeboekt van de groeirekening van [slachtoffer] naar de bankrekening van de verdachte. Daarnaast blijkt uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte dat er op donderdag 5 oktober 2023 rond 11:52 uur een email is verstuurd naar een hoveniersbedrijf om een afspraak van de daaropvolgende maandag af te zeggen en een offerte te annuleren.
Uit forensisch pathologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat in het lichaam van [slachtoffer] verschillende stoffen – namelijk temazepam, oxazepam, cinnerazine en paracetamol – zijn aangetroffen die het bewustzijn van [slachtoffer] ten tijde van het overlijden waarschijnlijk hebben beïnvloed. Voorts blijkt uit het NFI-rapport dat het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard door drukkende krachtinwerking op de neus en mond (het smoren ofwel afsluiten van de ademwegen) en/of de hals (waaronder wurgen).
Oordeel van het hof
Betrouwbaarheid verklaringen verdachte
De verdachte is op 7, 8 en 27 oktober 2023 door de politie verhoord. Daarnaast heeft zij op 10 oktober 2023 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Zij is steeds verhoord in aanwezigheid van haar (toenmalige) raadsvrouw.
Uit het dossier blijkt dat een betrokken burgerhulpverlener die de verdachte op 7 oktober 2023 aantrof in bed, zag dat zij bij kennis was en goed aanspreekbaar. Na haar aanhouding is de verdachte met een ambulance overgebracht naar het politiebureau. Daar is zij door de politie (kort) verhoord. De daaropvolgende verhoren zijn steeds afgenomen door een verbalisant die gespecialiseerd is in het horen van kwetsbare verdachten.
Het hof overweegt dat de verdachte in de verschillende politieverhoren gedetailleerd en consistent heeft verklaard. De verdachte heeft de verklaringen spontaan en uit zichzelf afgelegd, zonder dat er sprake was van sturing of suggestie door de verhoorders. Uit de processen-verbaal van verhoor komt naar het oordeel van het hof het beeld naar voren van een verdachte die goed bij bewustzijn is. Zo corrigeert zij de ondervragende verbalisant als het gaat om het moment van aanvang van de gebeurtenissen (“nee het is woensdagavond al begonnen”). Het hof acht het niet waarschijnlijk dat de verdachte deze feiten en omstandigheden heeft ge(con)fabuleerd. Voorts overweegt het hof dat de kern van de verklaringen van de verdachte, die er kort gezegd op neerkomt dat zij [slachtoffer] op woensdagavond en op donderdagochtend slaapmedicatie heeft gegeven en vervolgens “dat met een kussen [heeft] gedaan”, bevestiging vindt in van haar wil onafhankelijk technisch bewijs, namelijk het onderzoek van het NFI. Uit de NFI-rapportage volgt immers dat er sporen van medicatie zijn aangetroffen in het lichaam van [slachtoffer] en dat het smoren van de ademwegen (mede) de doodsoorzaak is. Het hof ziet, op basis van deze omstandigheden, geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte te twijfelen. Het feit dat de verdachte in het laatste politieverhoor en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard zich niet veel meer te kunnen herinneren en mogelijk in de eerste verhoren feiten heeft ingevuld, doet daaraan niet af.
De verklaringen van de verdachte kunnen gelet op het voorgaande voor het bewijs worden gebruikt.
Juridisch kader voorbedachte raad
Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in een plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Beoordeling voorbedachte raad
Nu het hof de verklaringen van de verdachte voor het bewijs gebruikt, gaat het hof mede uit van de door de verdachte geschetste feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft verklaard dat zij samen met [slachtoffer] wilde stoppen met leven. Zij was die woensdagmiddag 4 oktober 2023 met hem samen naar een terrasje geweest om het voor [slachtoffer] ‘nog even fijn te maken’. De verdachte heeft verklaard dat ‘het’ woensdagavond is begonnen omdat zij dacht dat ze dan genoeg tijd zou hebben in de drie dagen daarna waarin ze niemand zou zien. Zij heeft [slachtoffer] die woensdagavond slaapmedicatie gegeven zodat hij ‘vast zou slapen’ en niet wakker zou worden. Toen [slachtoffer] de volgende ochtend bij haar in de slaapkamer kwam, bracht dit niet mee dat de verdachte van haar voorgenomen besluit is teruggekomen, maar heeft zij hem meer slaapmedicatie gegeven zodat hij het ‘niet echt’ zou merken omdat zij dacht dat stikken dan de meest snelle en pijnloze optie zou zijn. Zij heeft gewacht tot de medicijnen hun uitwerking hadden en [slachtoffer] slap en slaperig werd en heeft hem enige tijd later met een kussen gesmoord totdat [slachtoffer] niet meer ademde.
Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat het smoren van iemand enige tijd, kracht en doorzetting kost en dat ook in dit geval gekost moet hebben.
De verdachte heeft daarmee in verschillende stappen gehandeld. Er is in deze tijdspanne – van woensdagavond tot en met donderdagochtend - geen moment geweest dat de verdachte haar voorgenomen besluit heeft doorbroken. Het hof is van oordeel dat dit handelen van de verdachte geen blijk geeft van een ‘impuls’, van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Gelet op de genoemde tijdspanne en volgordelijkheid van handelen heeft de verdachte zich op meerdere momenten kunnen beraden op het door haar genomen besluit om [slachtoffer] te doden. Zij heeft daarmee de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kunnen geven. Het feit dat er – zoals de raadsman naar voren heeft gebracht – sprake was van toekomstgericht handelen van de verdachte, doordat zij verschillende afspraken had staan en haar koelkast gevuld was, staat aan het aannemen van voorbedachte raad niet in de weg. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte – uiterlijk - woensdagavond heeft besloten om [slachtoffer] te doden, terwijl zij die afspraken reeds daarvóór had gemaakt en daarvóór boodschappen had gedaan.
Het hof overweegt tot slot nog dat ook de stappen die de verdachte na het doden van [slachtoffer] heeft genomen – namelijk het ophangen van een briefje op de deur, het klaarleggen van contant geld in een enveloppe voor haar ouders, het opschrijven van de inlogcodes van haar bankrekening, het overmaken van geld van de groeirekening van [slachtoffer] naar haar eigen rekening en het afzeggen van een afspraak met een hoveniersbedrijf – erop duiden dat de verdachte tegenwoordigheid van geest had en geen blijk geven van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Conclusie
Gelet op bovenstaande overwegingen verwerpt het hof de verweren van de verdediging en acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij
opin of omstreeks de periode van5 oktober 2023
tot en met 7 oktober 2023te Hardinxveld-Giessendam
, in elk geval in Nederland,haar zoon, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2014), opzettelijk en
(al dan niet)met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door
- die [slachtoffer]
slaapmiddelen, althansmedicijnen toe te dienen en
/of
- vervolgens die [slachtoffer] met een kussen te smoren tot die [slachtoffer] niet meer ademde.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
moord.
Strafbaarheid van de verdachte
I. Verweer van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.
II. Rapportages
In deze zaak zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gedragskundige rapportages uitgebracht over de persoon van de verdachte. Ook zijn de rapporteurs als deskundigen gehoord ter terechtzitting in hoger beroep. Uit hun rapportages en verklaringen komt – samengevat – het volgende naar voren met betrekking tot de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Pro-Justitiarapportage d.d. 28 augustus 2024
In eerste aanleg is betreffende de verdachte een pro-Justitiarapportage d.d. 28 augustus 2024 uitgebracht door F. Verstraeten, psychiater en H.E.W. Koornstra, GZ-psycholoog.
De rapporteurs concluderen dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline kenmerken, ook ten tijde van het plegen van het feit. Volgens de rapporteurs is de verdachte zich vanuit haar narcistische en borderline kenmerken steeds verder met [slachtoffer] in een ‘bubbel’ gaan terugtrekken. Door de opbouw van verschillende stressoren – zoals de dreiging met een loonkorting door de werkgever van de verdachte, de waarschuwing van de leerplichtambtenaar over de schoolgang van [slachtoffer], een email waarin werd geschreven dat er plek was op een school voor [slachtoffer] en het bericht van de vader van [slachtoffer], dat hij zich tot een advocaat zou wenden omdat [slachtoffer] niet met hem mee mocht op vakantie – sloot het net zich om de verdachte en was zij niet meer in staat om de maximale controle over haar leven te behouden. Zij kon de zaken niet meer naar haar hand zetten. Vanuit haar narcistische problematiek zag de verdachte [slachtoffer] als een verlengstuk van zichzelf en besloot zij voor hen samen dat zij uit het leven zouden stappen, zonder na te gaan of dit voor hem ook goed was, aldus de rapporteurs. De verdachte heeft nooit een psychose doorgemaakt en er waren in de periode rondom het tenlastegelegde ook geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een psychose, zowel niet vanuit de anamnese, de heteroanamnese en de opgevraagde informatie zoals de huisarts die haar op 2 oktober 2023 nog sprak. Er waren geen wanen, hallucinaties, gedesorganiseerd spreken of gedesorganiseerd of katatoon gedrag aanwezig. Volgens de rapporteurs was de verdachte in staat het ontoelaatbare van haar handelen in te zien, maar was zij vanwege haar persoonlijkheidsproblematiek verminderd in staat hiernaar te handelen. De rapporteurs adviseren het feit in ieder geval licht verminderd dan wel verminderd (op een vijfpuntsschaal) aan de verdachte toe te rekenen.
Aanvullende pro-Justitiarapportage d.d. 4 juli 2025
In hoger beroep is een aanvullende pro-Justitiarapportage d.d. 4 juli 2025 uitgebracht door F. Verstraeten, psychiater, en H.E.W. Koornstra, GZ-psycholoog.
De rapporteurs hebben hun eerdere rapport geactualiseerd en vragen van de verdediging beantwoord. Volgens de rapporteurs is het aannemelijk dat de verdachte op rationeel niveau wist dat het nemen van het leven van haar kind ontoelaatbaar was, maar dat zij dit toch deed in de kennelijke overtuiging in zijn belang te handelen. Daarmee wordt niet aannemelijk geacht dat de wilsvrijheid van de verdachte volledig aangetast was door de persoonlijkheidsproblematiek. Deze was relevant en sturend dan wel beperkend maar niet overheersend en onontkoombaar, aldus de rapporteurs.
Contra-expertise d.d. 8 september 2025
Op verzoek van de verdachte, is er een contra-expertise d.d. 8 september 2025 uitgebracht door P. van Vliet, GZ-psycholoog. De contra-rapporteur komt tot de conclusie dat er bij de verdachte ten tijde van het feit sprake was van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, narcistische, borderline en dwangmatige trekken en een ernstige recidiverende depressieve stoornis met mogelijk stemmingsincongruente psychotische kenmerken, een depersonalisatie-/derealisatiestoornis en een voorgeschiedenis van suïcidaal gedrag. Volgens de contra-rapporteur is op geen moment sprake geweest van een psychose. Wel heeft de verdachte zeer lange tijd getracht om onder een toenemend aantal objectief identificeerbare chronische stressoren, haar leven als alleenstaande, niet-onderkend hoogbegaafde ouder met een complex en zorgvragend kind adequaat vorm te geven. Uiteindelijk is zij wegens een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur en belastend toestandsbeeld (depressie) te zeer aanhoudend belast en in een isolement geraakt om haar eigen gedrag, alsmede dat van relevante anderen (de vader van haar zoon en haar zoon zelf) op realistische wijze te kunnen blijven inschatten, met uiteindelijke, voor de verdachte zelf niet meer te hanteren of zelfs maar te bevatten ‘surmenage’ en het delict tot gevolg. Naar mening van de contra-rapporteur heeft de verdachte in deze situatie vanuit haar persoonlijkheidspathologie niet langer kunnen kiezen voor haar gedrag. Zij is buiten haar wil overmand geworden door een impuls, voortkomend uit niet langer te hanteren wanhoop, angst en frustratie. De contra-rapporteur adviseert om de verdachte niet toerekenbaar te verklaren.
Beantwoording vragen naar aanleiding van contra-expertise d.d. 4 december 2025
Naar aanleiding van de contra-expertise hebben de opstellers van de pro-Justitiarapportage, F. Verstraeten, psychiater, en H.E.W. Koornstra, GZ-psycholoog, schriftelijk nadere vragen van het hof beantwoord. Het verschil tussen hun diagnose van de verdachte en die van de contra-rapporteur verklaren de rapporteurs doordat kenmerken van depersonalisatiestoornis en een depressieve stoornis met psychotische kenmerken ook verklaard kunnen worden door de door hen gediagnosticeerde andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. De rapporteurs merken op dat de diagnose ernstig depressieve stoornis bovendien niet is onderbouwd aan de hand van DSM-5-criteria. De rapporteurs merken op dat de kenmerken die de contra-rapporteur geeft voor de vaststelling van hoogbegaafdheid, ook passen bij de narcistische en borderlineproblematiek van de verdachte. De rapporteurs zien onvoldoende argumenten om de verdachte ontoerekeningsvatbaar te achten. Een impuls, waarover de contra-rapporteur schrijft, waarbij het eigen kind gedood wordt is een bijzondere en zeer ernstige impuls. Die zou nader verklaard moeten worden. Ook aan een impuls kan weerstand geboden worden, echter is in de contra-expertise niet te lezen of hiervan in een bepaalde mate sprake zou zijn geweest. Er wordt beschreven dat er mogelijk psychotische kenmerken aanwezig waren bij de depressie die bij de verdachte vastgesteld werd, maar de rapporteurs vinden in de contra-expertise geen onderbouwing van die psychotische kenmerken, en evenmin een verband tussen die kenmerken en het feit.
Verklaringen deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn zowel de contra-rapporteur als de rapporteurs als deskundige gehoord.
De contra-rapporteur heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdachte voorafgaand aan het feit steeds meer geïsoleerd is geraakt en is vervreemd van de wereld en van zichzelf, waardoor haar zwakke gestel onder druk is komen staan en zij is geïmplodeerd. Wat er precies is gebeurd, is onbekend gebleven: er kan sprake zijn geweest van een impuls of een black-out. De contra-rapporteur ziet evenwel geen keuzemoment. De verdachte is overmand geraakt door een vorm van paniek, waardoor totaal verlies van controle is ontstaan.
De contra-rapporteur heeft het hof, conform haar schriftelijke contra-expertise, geadviseerd de verdachte niet toerekeningsvatbaar te verklaren.
De rapporteurs hebben verklaard dat de verdachte weliswaar in een verkokerde toestand is geraakt, maar dat dat niet hetzelfde is als volledig buiten de realiteit komen te staan, wat is vereist voor ontoerekeningsvatbaarheid. Bij ontoerekeningsvatbaarheid kan worden gedacht aan handelen onder invloed van een psychose, maar daarvan is hier geen sprake. Volgens de rapporteurs zijn er verschillende keuzemomenten geweest voor de verdachte en is er geen sprake geweest van wilsonvrijheid. Zij volharden in hun advies het feit licht verminderd dan wel verminderd aan de verdachte toe te rekenen.
III. Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat de rechter op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan beslissen dat een strafbaar feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend, als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. [1]
Het hof gaat ervan uit dat de verdachte lijdt aan een ernstige en complexe andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met in ieder geval narcistische en borderline kenmerken, zoals door zowel de rapporteurs als de contra-rapporteur onderbouwd is vastgesteld. Dit was ook het geval ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte daarnaast lijdt aan andere stoornissen. De contra-rapporteur heeft die wel gediagnostiseerd, maar zij heeft haar diagnose onvoldoende onderbouwd, mede in aanmerking genomen dat de door haar beschreven kenmerken ook kunnen passen bij de andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Ook acht het hof het onvoldoende onderbouwd, en kan daarom niet vaststellen, dat de verdachte hoogbegaafd is – nog daargelaten dat hoogbegaafdheid geen psychische stoornis of verstandelijke handicap in de zin van artikel 39 Sr is. De contra-rapporteur heeft een intelligentietest gebruikt, WAIS-IV-NL, maar zij heeft dat niet op de voorgeschreven manier gedaan. Zij heeft de tijdlimiet bij het onderdeel perceptueel redeneren niet meegewogen en de test binnen twee jaar opnieuw afgenomen, terwijl dat wordt afgeraden. Reeds om die reden gaat het hof voorbij aan een massieve doorwerking van die gestelde hoogbegaafdheid op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, zoals door de contra-rapporteur is beschreven, en die mede leidt tot haar conclusie dat het feit niet is toe te rekenen aan de verdachte.
Het hof stelt vast dat de verdachte in staat was te begrijpen dat het bewezenverklaarde feit wederrechtelijk was. Dit heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard en wordt door de rapporteurs en de contra-rapporteur onderschreven. De vraag is vervolgens of haar persoonlijkheidsstoornis tot gevolg heeft gehad dat de verdachte niet in staat was in overeenstemming te handelen met haar begrip van de wederrechtelijkheid van het feit.
Op grond van de hiervoor weergegeven rapportages en verklaringen van de deskundigen, gaat het hof ervan uit dat de persoonlijkheidsstoornis van invloed is geweest op het handelen van de verdachte. De narcistische en borderline kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis hebben gemaakt dat de verdachte zich steeds verder met [slachtoffer] is gaan terugtrekken en in een isolement is geraakt. Toen in het leven van de verdachte het aantal stressoren toenam, raakte zij voor haar gevoel de regie zodanig kwijt dat zij tot de conclusie kwam dat het beter zou zijn om [slachtoffer] en zichzelf van het leven te beroven. Zij heeft vervolgens de keuze daartoe gemaakt, waarbij haar wilsvrijheid verminderd was als gevolg van haar persoonlijkheidsstoornis. Dat de verdachte geen enkele wilsvrijheid had en dus niet in staat was anders te handelen dan zij heeft gedaan, is naar oordeel van het hof niet komen vast te staan. Er is geen enkel onderbouwd aanknopingspunt dat de verdachte volkomen buiten de realiteit is komen te staan en stond ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Integendeel, het stapsgewijze handelen van de verdachte geeft juist blijk van een zekere mate van helder denken: zij heeft [slachtoffer] twee keer medicijnen toegediend, heeft gewacht op de uitwerking hiervan en heeft vervolgens [slachtoffer] met een kussen gesmoord. Naar eigen zeggen van de verdachte heeft zij, nadat [slachtoffer] niet meer ademde, geld overgeboekt, een afspraak met een hovenier afgezegd, een briefje opgehangen, geld klaargelegd voor ‘te verwachten onkosten’ en haar bankgegevens opgeschreven. Daarna heeft de verdachte uitvoering gegeven aan haar voornemen om ook zichzelf van het leven te gaan beroven door medicatie van verschillende soort in te nemen, wat ruitenvloeistof te drinken en de plastic zak, die met een slang was verbonden aan een heliumtank, over haar hoofd te doen, het ventiel te openen en een paar ‘halen’ helium te nemen.
Dit voert het hof tot de conclusie dat het bewezenverklaarde feit weliswaar in een – ten minste - verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, maar niet dat dit feit haar in het geheel niet kan worden toegerekend.
Het verweer wordt verworpen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van straf en maatregel
De straf
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft haar negenjarige zoon [slachtoffer] om het leven gebracht. Zij heeft hem medicijnen toegediend, heeft gewacht tot hij slap werd en heeft hem vervolgens met een kussen gesmoord.
Aldus is [slachtoffer] beroofd van zijn meest kostbare bezit, namelijk zijn leven, door de persoon van wie hij volkomen afhankelijk was en die hij geheel vertrouwde. De verdachte heeft van het vertrouwen dat [slachtoffer] in haar stelde op grove wijze misbruik gemaakt en haar verantwoordelijkheid als ouder ernstig miskend door eigenmachtig te beslissen over het leven van haar zoon.
Het overlijden van [slachtoffer] is voor diegenen voor wie hij lief en dierbaar was onverteerbaar en heeft een onpeilbaar verdriet bij hen veroorzaakt. Uit hetgeen de vader en de grootvader van moederszijde van [slachtoffer] ter uitoefening van het slachtofferspreekrecht ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht, blijkt dat het overlijden van [slachtoffer] een intens gemis heeft veroorzaakt, dat zij de rest van hun leven met zich zullen moeten meedragen. Ook voor de samenleving als geheel is de moord op een jong kind schokkend, in het bijzonder als deze is gepleegd door zijn eigen moeder.
Moord is een van de meest ernstige strafbare feiten die de wet kent. Dat komt tot uitdrukking in de straf die de wetgever op dit feit heeft gesteld: een levenslange gevangenisstraf of een maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit misdrijf geen landelijke oriëntatiepunten.
Hoewel het hof zich realiseert dat iedere zaak uniek is, blijkt uit een analyse van recente rechterlijke uitspraken dat voor een enkelvoudige moord momenteel straffen worden opgelegd tussen de 15 en 20 jaren. [2] Wanneer sprake is van een ‘liquidatie’ (een moord uit geldelijk gewin) is het uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaar. [3] Van dit laatste is in dit geval geen sprake, zodat het hof voor de bepaling van de straf uitgaat van een gevangenisstraf van tussen de 15 en 20 jaren.
Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen omtrent de aard en ernst van het bewezenverklaarde volgt dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een die vrijheidsbeneming met zich meebrengt. De ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt in beginsel een gevangenisstraf die in duur ligt in de hiervoor vermelde bandbreedte van 15 tot 20 jaren.
Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of haar persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Op de straftoemeting is dat dus niet van invloed.
Wel van invloed op de straftoemeting is de – ten minste - verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte als gevolg van haar ernstige en complexe persoonlijkheidsstoornis, waarop het hof hiervoor reeds uitgebreid is ingegaan. Dit heeft een matigende invloed op de op te leggen straf.
Een matigende invloed op de straf heeft ook de omstandigheid dat de verdachte ook zelf gebukt gaat onder het verlies van [slachtoffer]. Weliswaar is zij hier zelf verantwoordelijk voor, maar dit laat onverlet dat ook zij moet leven zonder haar zoon, van wie zij heeft gehouden en die zij mist. Daarmee is de verdachte zelf ook geraakt door de gevolgen van haar handelen.
Het hof acht – alles afwegende en gelijk de rechtbank heeft opgelegd - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De maatregel
Het hof zal vervolgens de vraag moeten beantwoorden of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof acht geslagen op de hiervoor reeds genoemde omtrent de verdachte uitgebrachte rapportages.
De rapporteurs komen tot de inschatting van een laag tot matig recidiverisico op geweld in het algemeen. Indien de verdachte nog een kind zou krijgen of onder haar gezag zou krijgen en er daarbij specifieke omstandigheden aanwezig zijn zoals problemen met de vader van dat kind, dan verwachten de rapporteurs een reële kans op herhaling. De kans op recidive wordt volgens de rapporteurs sterk bepaald door specifieke omstandigheden waarin de verdachte op meerdere gebieden in haar leven de controle niet meer kan behouden zoals zij die wenst en zij daarbij haar zelfbeeld niet meer hoog kan houden en nog meer specifiek als het daarbij iemand aangaat die zij als een verlengstuk van zichzelf ziet, zoals een (eigen) kind.
De rapporteurs verwachten dat de verdachte vanuit haar borderline- en narcistische problematiek in een ingewikkelde dynamiek met behandelaren terecht komt waardoor er veel tijd nodig is om tot een behandeling te komen. Er is dan ook behandeling door een multidisciplinair team nodig dat gespecialiseerd is in persoonlijkheidsproblematiek. Gezien de ernst van de problematiek, de verwachte moeizame behandeling, de ernst van het feit, alsmede de kans dat de verdachte nog een kind krijgt en er daarmee een reëel recidiverisico aanwezig is, adviseren de rapporteurs om een behandeling op te leggen in het kader van terbeschikkingstelling (hierna: tbs). Aangezien er bij de verdachte beperkt tot geen ziektebesef en daarmee geen echte bereidheid is tot het aangaan van een behandeling waar zij haar problematiek onder ogen komt, wordt verpleging van overheidswege geadviseerd.
De contra-rapporteur schat het recidiverisico in als klein, omdat de verdachte zelf geen kind meer zal (willen) krijgen en de kans dat de verdachte ooit een vergelijkbare intens emotionele relatie zal krijgen met een kind dat veel zorg vraagt, niet groot is te achten. Daarnaast weegt de contra-rapporteur mee dat de verdachte ernstig lijdt onder de gevolgen van het feit en zij intelligent en empathisch genoeg is om zichzelf en anderen in de toekomst tegen herhaling te beschermen. Niettemin komt de contra-rapporteur tot het advies, gelet op de ernst van het feit, de complexiteit en gelaagdheid van haar problematiek, alsmede het nog beperkte overzicht dat de verdachte hier over heeft, tbs met verpleging van overheidswege op te leggen.
Dit voert het hof tot de volgende conclusies.
Het hof stelt vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarvoor tbs kan worden opgelegd, nu daarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het hof stelt voorts vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van dat feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, die haar handelen mede heeft bepaald. De vraag is vervolgens of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft, mede onder invloed van haar stoornis, een zeer ernstig strafbaar feit begaan. Weliswaar was dit feit situationeel gebonden, maar niet denkbeeldig is dat in de toekomst een vergelijkbare situatie ontstaat. Doet een vergelijkbare situatie zich voor, dan bestaat een reëel gevaar voor herhaling. Het hof volgt op dit punt de conclusie van de rapporteurs. Dat de empathische vermogens van de verdachte en haar intelligentie tegen het gevaar voor herhaling zouden beschermen, zoals de contra-rapporteur heeft geschetst, volgt het hof niet. Die vermogens en intelligentie waren immers ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit aanwezig.
In aanmerking genomen de ernst van het feit, acht het hof het onverantwoord om de verdachte te laten terugkeren in de maatschappij zonder dat het gevaar voor herhaling is teruggedrongen. Het terugdringen daarvan zal een langdurige en intensieve behandeling vergen door een multidisciplinair team dat gespecialiseerd is in persoonlijkheidsproblematiek. Een dergelijke behandeling is onvoldoende gewaarborgd in een ander kader dan dat van een tbs met bevel tot verpleging.
Het hof komt daarmee tot het oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.
Het hof zal dan ook gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat zij van overheidswege wordt verpleegd.
De maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven kan gaan.
Beslag
Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat de bij de doorzoeking in beslag genomen voorwerpen [4] inmiddels zijn teruggegeven aan de verdachte, met uitzondering van het notitieblok en de geheugenkaarten. Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van deze voorwerpen, voor zover deze nog niet zijn teruggegeven. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft de advocaat-generaal oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De vordering van de benadeelde partij is door of namens de verdachte niet betwist.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij vordert vergoeding van zogeheten affectieschade. In artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht is een vaste vergoeding te betalen aan bepaalde naasten voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden als gevolg van het overlijden. Dit wordt affectieschade genoemd. Wie die naasten zijn, is bepaald in lid 4 van genoemd artikel.
Als vader van [slachtoffer] behoort de benadeelde partij tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde naasten. Hij heeft dus een aanspraak op vergoeding van affectieschade. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding correspondeert met het voor deze naaste in het Besluit vergoeding affectieschade genoemde bedrag en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal de vordering dan ook toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf 5 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Dit betekent dat de verdachte moet worden veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van benadeelde [benadeelde partij 1].
Vorderingen tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6]
In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] zich als benadeelde partijen gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, ieder van hen tot een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In hoger beroep zijn de vorderingen gehandhaafd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in de vorderingen.
Ook de verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partijen vorderen vergoeding van affectieschade. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zijn een halfbroer respectievelijk een halfzus van [slachtoffer]. [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] zijn de kinderen van de partner van [benadeelde partij 1], de vader van [slachtoffer]. Zij behoren allen niet tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde naasten, maar doen een beroep op de zogenoemde hardheidsclausule, die is opgenomen in artikel 6:108 lid 4, onder g, BW. Die clausule houdt in dat onder naaste ook kan worden verstaan “een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”.
Ter onderbouwing van hun beroep op de hardheidsclausule hebben de benadeelde partijen – samengevat – het volgende aangevoerd. [benadeelde partij 2] heeft gesteld dat hij een hechte band had met [slachtoffer], dat zij veel samen hebben gespeeld en vakanties en feestdagen met elkaar vierden. [benadeelde partij 3] heeft gesteld dat zij een sterke band had met [slachtoffer], dat zij elkaar ieder weekend zagen, dat zij samen speelden en feestdagen en vakanties samen vierden. [benadeelde partij 4] heeft gesteld dat zij en [slachtoffer] samen speelden en elkaar tijdens weekenden en feestdagen zagen. [benadeelde partij 5] heeft gesteld dat zij en [slachtoffer] elkaar feilloos aanvoelden, veel met elkaar speelden, dat zij [slachtoffer] als haar beste vriend zag en dat zij de weekenden samen doorbrachten.
Voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld, geeft daarvan naar het oordeel van het hof onvoldoende blijk. Broers en zussen behoren – naar geldend recht - niet tot de in lid 4 genoemde naasten, waaruit het hof afleidt dat er, om een geslaagd beroep op de hardheidsclausule te kunnen doen, voor broers en zussen iets extra’s aan de hand moet zijn waardoor hun relatie met de overledene uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben. Mede gelet op de betwisting op dit punt door de verdediging, acht het hof onvoldoende onderbouwd dat daarvan in dit geval sprake is. Hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld geeft weliswaar blijk van een warme band, maar niet van een relatie die naar aard en intensiteit uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben. In geen van de gevallen is naar oordeel van het hof sprake van ‘een zodanige nauwe persoonlijke relatie’ tot de overledene als bedoeld in genoemd wetsartikel. Het hof zal daarom de vorderingen van [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] afwijzen.
[benadeelde partij 6] is de partner van [benadeelde partij 1], dat wil zeggen: de partner van de vader van [slachtoffer]. Ook zij behoort niet tot de in lid 4 genoemde naasten en doet een beroep op de hardheidsclausule. Ter onderbouwing daarvan heeft zij gesteld dat [slachtoffer] net zo bij haar gezin hoorde als haar eigen kinderen, dat zij aan hem gehecht was en dat zij veel samen ondernamen. Naar het oordeel van het hof geeft hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld evenwel in onvoldoende mate blijk van een ‘nauwe persoonlijke relatie’ als bedoeld in meergenoemd wetsartikel. Daartoe is van belang dat – zoals door de verdediging onbestreden is gesteld – de relatie tussen de benadeelde partij en de vader van [slachtoffer] ten tijde van het bewezenverklaarde minder dan een jaar had bestaan, terwijl [slachtoffer] slechts een deel van de tijd inwoonde bij de benadeelde partij. Het hof zal de vordering van [benadeelde partij 6] ook afwijzen.
Dit betekent dat de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft moeten maken ter verdediging tegen de vorderingen, welke kosten het hof begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 289 Sr, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat zij
van overheidswege zal worden verpleegd.
Beslag
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- geheugenkaarten;
- notitieblok.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 oktober 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.
2.Gerechtshof Den Haag 2 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1739.
3.Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2002.
4.PROCES-VERBAAL VAN BINNENTREDEN IN WONING d.d. 9 oktober 2023, Proces-verbaalnummer: 28, Documentcode:2310082205.AMB, BHV nummer: 2023323478.