ECLI:NL:GHDHA:2026:27

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
22-001903-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het op grote schaal verwerven, vervaardigen, verspreiden en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen en voor ontucht met drie minderjarigen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere veroordeling van de verdachte door de rechtbank Den Haag. De verdachte is veroordeeld voor het op grote schaal verwerven, vervaardigen, verspreiden en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen, alsook voor ontucht met drie minderjarigen. Het hof heeft de gevangenisstraf van de verdachte vastgesteld op zeven jaren, waarbij het hof geen tbs-maatregel oplegt, omdat deskundigen geen gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens hebben vastgesteld. Wel is er een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opgelegd, conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De zaak is complex, met meerdere slachtoffers en een lange periode van strafbare feiten die de verdachte heeft gepleegd. De verdachte heeft zich op verschillende manieren schuldig gemaakt aan het misbruik van minderjarigen, waaronder het verkrijgen van naaktfoto's door middel van misleiding en bedreiging. Het hof heeft de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers zwaar meegewogen in de strafmaat. De vorderingen van benadeelde partijen zijn toegewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot schadevergoeding aan verschillende slachtoffers. De uitspraak is openbaar gedaan en de zaak heeft veel aandacht gekregen vanwege de ernst van de beschuldigingen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001903-24
Parketnummer: 09-135259-22
Datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
adres: [adres],
thans gedetineerd in [naam P.I.] te [plaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en onder oplegging van dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is aan de verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgelegd. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 19 juni 2023 te Oegstgeest, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens afbeeldingen, en/of gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten
- een/meerdere afbeelding(en) te weten foto's en/of video's en/of
- een gegevensdrager te weten een telefoon (Samsumg A32) bevattende afbeelding(en) en/of video's
van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten
- [ slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006 (zaak 1),
- [ slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 2010 (zaak 2),
- [ slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 2009 (zaak 3),
- [ slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] 2009 (zaak 4),
- [ slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum slachtoffer 5] 2008 (zaak 5),
- [ slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum slachtoffer 6] 2006 (zaak 6),
- [ slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum slachtoffer 7] 2009 (zaak 7),
- [ slachtoffer 8], geboren op [geboortedatum slachtoffer 8] 2006 (zaak 8),
- [ slachtoffer 9], geboren op [geboortedatum slachtoffer 9] 2008 (zaak 9),
- [ slachtoffer 10], geboren op [geboortedatum slachtoffer 10] 2008 (zaak 10),
- [ slachtoffer 11], geboren op [geboortedatum slachtoffer 11] 2007 (zaak 11),
- [ slachtoffer 12], geboren op [geboortedatum slachtoffer 12] 2005 (zaak 12),
- [ slachtoffer 13], geboren op [geboortedatum slachtoffer 13] 2009 (zaak 13),
- [ slachtoffer 14], geboren op [geboortedatum slachtoffer 14] 2009 (zaak 14),
- [ slachtoffer 15], geboren op [geboortedatum slachtoffer 15] 2007 (zaak 15),
- [ slachtoffer 16], geboren op [geboortedatum slachtoffer 16] 2008 (zaak 16),
- [ slachtoffer 17], geboren op [geboortedatum slachtoffer 17] 2008 (zaak 17),
- [ slachtoffer 18] (voornaam slachtoffer 18), geboren op [geboortedatum slachtoffer 18] 2008 (zaak 18) en/of
- een of meer (vooralsnog) onbekend gebleven perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt
is/zijn betrokken of schijnbaar is/zijn betrokken
heeft verspreid, aangeboden, openlijk tentoongesteld, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verworven, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van
een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,
welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
- het met een penis en/of vinger en/of een voorwerp oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 1], [slachtoffer 7], [slachtoffer 14] en/of een/meerdere perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt,
en/of
het met een penis oraal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had
bereikt,
(toonmap algemeen kp verbaal: afbeeldingen 1 t/m 4, pagina’s 391 en 392 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 1]: afbeeldingen 4 en 5, pagina 68 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 7]: afbeeldingen 1 t/m 3, pagina’s 207 en 208 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 14]: afbeeldingen 1 en 2, pagina’s 322 en 323 van het slachtofferdossier);
en/of
- het met een vinger/hand betasten en/of aanraken van de borsten van die [slachtoffer 11], [slachtoffer 15] en/of een/meerdere perso(o)n(en) die kennelijk de
leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt,
en/of
het met een vinger/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,
(toonmap algemeen kp verbaal: afbeeldingen 5 en 6, pagina 393 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 11]: afbeeldingen 6 en 11, pagina’s 278 en 279 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 15], afbeelding 1, pagina 344 van het slachtofferdossier);
en/of
- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door die [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 11], [slachtoffer 12], [slachtoffer 13], [slachtoffer 14], [slachtoffer 15], [slachtoffer 16], [slachtoffer 17], [slachtoffer 18] en/of een/meerdere perso(o)n(en) die kennelijk de
leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's /film(s) nadrukkelijk het
(ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar
seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling,
(toonmap algemeen kp verbaal: afbeeldingen 7 t/m 18, pagina's 394 t/m 399 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 1]: afbeeldingen 1 t/m 3, pagina’s 66 en 67 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 3], afbeeldingen 1 t/m 3, pagina's 100 en 101 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 4], afbeeldingen 1 t/m 6, pagina’s 129 t/m 132 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 5], afbeeldingen 1 t/m 6, pagina's 161 t/m 164 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 6], afbeeldingen 1 t/m 7, pagina’s 181 t/m 183 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 7], afbeeldingen 4 en 5, pagina 209 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 8], afbeeldingen 1 t/m 4, 6 en 7, pagina’s 221 t/m 224 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 9], afbeeldingen 1 t/m 3, pagina’s 239 en 240 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 10], afbeeldingen 1 en 2, pagina 254 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 11], afbeeldingen 1 t/m 5, 7 t/m 10, pagina’s 276 t/m 279 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 12], afbeeldingen 1 t/m 5, pagina’s 293 t/m 295 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 13], afbeeldingen 1 t/m 4, pagina's 313 t/m 313B, van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 14], afbeeldingen 3 en 4, pagina’s 323 en 324 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 15], afbeeldingen 2 t/m 12, pagina’s 344 t/m 348 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 16], afbeeldingen 1 t/m 5, pagina’s 448 en 449 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 17], afbeelding 1, pagina 436 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 18], afbeelding 2, pagina 485 van het slachtofferdossier);
en/of
- het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
(toonmap algemeen kp verbaal, afbeeldingen 19 en 20, pagina 400 van het slachtofferdossier)
en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2021 tot en met 20 mei 2022 te Gouda en/of Oegstgeest, in elk geval in Nederland (telkens) met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006 (zaak 1), die toen de leeftijd van zestien jaren
nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens)
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermalen) bij zichzelf laten verrichten van de navolgende handeling(en): het brengen van een of meerdere vinger(s) en/of een voorwerp in haar vagina;
3.
hij op of omstreeks 1 februari 2023 te Elim en/of Oegstgeest, in elk geval in Nederland (telkens) met [slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum slachtoffer 7] 2009 (zaak 7), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermalen) bij
zichzelf laten verrichten van de navolgende handeling(en): het brengen van een vinger in haar vagina;
4.
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 27 januari 2023 te [plaats], gemeente Ommen en/of Oegstgeest, in elk geval in Nederland (telkens) met [slachtoffer 14], geboren op [geboortedatum slachtoffer 14] 2009 (zaak 14), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermalen) bij zichzelf laten verrichten van de navolgende handeling(en):
het brengen van een of meerdere vinger(s) in haar vagina.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede dat aan de verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een contactverbod ex artikel 38v Sr wordt opgelegd met alle slachtoffers en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt, nu het hof op een aantal punten tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij
op één of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode van 1 januari 2018 tot en met 19 juni 2023
te Oegstgeest, in elk gevalin Nederland, meermalen,
althans eenmaal, telkensafbeeldingen
,en
/ofgegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten
-
een/meerdere afbeelding
(en
)te weten foto's en
/ofvideo's en
/of
- een gegevensdrager te weten een telefoon (Samsung A32) bevattende afbeelding
(en
)en
/ofvideo's
van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten
- [ slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006
(zaak 1),
- [ slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 2010
(zaak 2),
- [ slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 2009
(zaak 3),
- [ slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] 2009
(zaak 4),
- [ slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum slachtoffer 5] 2008
(zaak 5),
- [ slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum slachtoffer 6] 2006
(zaak 6),
- [ slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum slachtoffer 7] 2009
(zaak 7),
- [ slachtoffer 8], geboren op [geboortedatum slachtoffer 8] 2006
(zaak 8),
- [ slachtoffer 9], geboren op [geboortedatum slachtoffer 9] 2008
(zaak 9),
- [ slachtoffer 10], geboren op [geboortedatum slachtoffer 10] 2008
(zaak 10),
- [ slachtoffer 11], geboren op [geboortedatum slachtoffer 11] 2007
(zaak 11),
- [ slachtoffer 12], geboren op [geboortedatum slachtoffer 12] 2005
(zaak 12),
- [ slachtoffer 13], geboren op [geboortedatum slachtoffer 13] 2009
(zaak 13),
- [ slachtoffer 14], geboren op [geboortedatum slachtoffer 14] 2009
(zaak 14),
- [ slachtoffer 15], geboren op [geboortedatum slachtoffer 15] 2007
(zaak 15),
- [ slachtoffer 16], geboren op [geboortedatum slachtoffer 16] 2008
(zaak 16),
- [ slachtoffer 17], geboren op [geboortedatum slachtoffer 17] 2008
(zaak 17),
- [ slachtoffer 18]
(voornaam slachtoffer 18), geboren op [geboortedatum slachtoffer 18] 2008
(zaak 18)en
/of
-
een of meer (vooralsnog)onbekend gebleven perso
(o)n
(en
)die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt
is/zijn betrokken of schijnbaar
is/zijn betrokken
heeft verspreid,
aangeboden, openlijk tentoongesteld,vervaardigd,
ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd,verworven, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van
een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van
een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,
welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
- het met een penis en/of vinger en/of een voorwerp oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 1], [slachtoffer 7], [slachtoffer 14] en/of
een/meerdereperso
(o)n
(en
)die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt,
en
/of
het met een penis oraal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had
bereikt,
(toonmap algemeen kp verbaal: afbeeldingen 1 t/m 4, pagina’s 391 en 392 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 1]: afbeeldingen 4 en 5, pagina 68 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 7]: afbeeldingen 1 t/m 3, pagina’s 207 en 208 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 14]: afbeeldingen 1 en 2, pagina’s 322 en 323 van het slachtofferdossier);
en
/of
- het met een vinger/hand betasten en/of aanraken van de borsten van die [slachtoffer 11], [slachtoffer 15] en/of
een/meerdereperso
(o)n
(en
)die kennelijk de
leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt,
en
/of
het met een vinger/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,
(toonmap algemeen kp verbaal: afbeeldingen 5 en 6, pagina 393 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 11]: afbeeldingen 6 en 11, pagina’s 278 en 279 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 15], afbeelding 1, pagina 344 van het slachtofferdossier);
en
/of
- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van
/doordie [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 11], [slachtoffer 12], [slachtoffer 13], [slachtoffer 14], [slachtoffer 15], [slachtoffer 16], [slachtoffer 17]
en[slachtoffer 18],
en/of een/meerdere perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt,waarbij deze perso
on
engekleed is en/of opgemaakt is en/ofpose
er
enin een omgeving en/of met een voorwerp en/ofin
eenerotisch getinte houding
en(op
eenwijze
n) die niet bij
hunleeftijd
past/passen en/of waarbij deze perso
on
enzich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van
hunkleding ontdoe
nen/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso
on
enen/of de uitsnede van de foto's /film(s) nadrukkelijk het
(ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze perso
on
enin beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding
en(aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking
hebbenen
/ofstrek
kentot seksuele prikkeling,
(toonmap algemeen kp verbaal: afbeeldingen 7 t/m 18, pagina's 394 t/m 399 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 1]: afbeeldingen 1 t/m 3, pagina’s 66 en 67 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 3], afbeeldingen 1 t/m 3, pagina's 100 en 101 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 4], afbeeldingen 1 t/m 6, pagina’s 129 t/m 132 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 5], afbeeldingen 1 t/m 6, pagina's 161 t/m 164 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 6], afbeeldingen 1 t/m 7, pagina’s 181 t/m 183 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 7], afbeeldingen 4 en 5, pagina 209 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 8], afbeeldingen 1 t/m 4, 6 en 7, pagina’s 221 t/m 224 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 9], afbeeldingen 1 t/m 3, pagina’s 239 en 240 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 10], afbeeldingen 1 en 2, pagina 254 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 11], afbeeldingen 1 t/m 5, 7 t/m 10, pagina’s 276 t/m 279 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 12], afbeeldingen 1 t/m 5, pagina’s 293 t/m 295 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 13], afbeeldingen 1 t/m 4, pagina's 313 t/m 313B, van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 14], afbeeldingen 3 en 4, pagina’s 323 en 324 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 15], afbeeldingen 2 t/m 12, pagina’s 344 t/m 348 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 16], afbeeldingen 1 t/m 5, pagina’s 448 en 449 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 17], afbeelding 1, pagina 436 van het slachtofferdossier;
toonmap slachtoffer [slachtoffer 18], afbeelding 2, pagina 485 van het slachtofferdossier);
en
/of
- het masturberen boven/bij en
/ofejaculeren op het gezicht en
/oflichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en
/of
het houden van een (stijve) penis bij/naast het
gezicht en/oflichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is (waarbij) de afbeelding (aldus)
(telkens)een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en
/ofstrekt tot seksuele prikkeling
(toonmap algemeen kp verbaal, afbeeldingen 19 en 20, pagina 400 van het slachtofferdossier)
en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
2.
hij
op één of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode van 1 augustus 2021 tot en met 20 mei 2022
te Gouda en/of Oegstgeest, in elk gevalin Nederland
(telkens)met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006
(zaak 1), die toen de leeftijd van zestien jaren
nog niet had bereikt, buiten echt,
(telkens)
een
of meerontuchtige handeling
enheeft gepleegd, te weten het
(meermalen)bij zichzelf laten verrichten van de navolgende handeling
(en): het brengen van een of meerdere vinger(s)
en/of een voorwerpin haar vagina;
3.
hij op
of omstreeks1 februari 2023
te Elim en/of Oegstgeest, in elk gevalin Nederland
(telkens)met [slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum slachtoffer 7] 2009
(zaak 7), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,
(telkens)een
of meerontuchtige handeling
enheeft gepleegd, te weten het
(meermalen)bij
zichzelf laten verrichten van de navolgende handeling
(en): het brengen van een vinger in haar vagina;
4.
hij
op één of meer tijdstip(pen)op
of omstreeks27 januari 2023
te [plaats], gemeente Ommen en/of Oegstgeest, in elk gevalin Nederland
(telkens)met [slachtoffer 14], geboren op [geboortedatum slachtoffer 14] 2009
(zaak 14), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt,
(telkens)een
of meerontuchtige handeling
enheeft gepleegd, te weten het
(meermalen)bij zichzelf laten verrichten van de navolgende handeling
(en):
het brengen van
een of meerderevinger(s) in haar vagina.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
afbeeldingen van seksuele gedragingen en een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen, verwerven, in bezit hebben en/of zich door middel van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.
Het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde levert – in eendaadse samenloop met feit 1 - op:

telkens:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Ernst van de feiten
Daarbij heeft het hof in het bijzonder en met de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in een periode van ruim vijf jaren op grote schaal kinderpornografische
afbeeldingen verworven, in bezit gehad, vervaardigd en (voor zover bekend in een enkel geval) verspreid met tientallen slachtoffers tot gevolg. Achttien minderjarige meisjes zijn geïdentificeerd. Daarnaast zijn meerdere (kennelijk) minderjarige personen onbekend gebleven.
Daarnaast heeft de verdachte zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan ontucht met drie minderjarige meisjes.
Verdachte deed zich op verschillende socialemediaplatforms onder verschillende accountnamen voor als een leeftijdsgenoot die vroeg om naaktfoto’s en verleidde de slachtoffers tot het sturen van naaktfoto’s en video’s. Ook bracht de verdachte minderjarigen via een tweede account (met een meisjesnaam) in contact met zichzelf onder een derde account en deed hij alsof hij de
meisjes kon helpen om de naaktfoto’s van het internet te verwijderen. Daarvoor zouden dan meer naaktfoto’s nodig zijn om een code te bemachtigen, voordat deze eerdere foto’s verwijderd konden worden. De verdachte gaf daarbij opdrachten aan de slachtoffers over de wijze waarop de foto’s en video’s moesten worden genomen. Veel slachtoffers voldeden aan deze wensen uit angst dat eerdere foto’s op het internet zouden blijven of belanden. Een derde manier waarop de verdachte slachtoffers heeft misleid, was door middel van een
prijsuitreiking: ze konden sneakers of een telefoon winnen. Om deze spullen te kunnen winnen, moesten de meisjes naaktfoto’s sturen. De verdachte heeft niet alleen met list en bedrog afbeeldingen en filmpjes van minderjarigen bemachtigd, maar heeft ook in meerdere gevallen gedreigd de meisjes te exposen op het internet of aan hun ouders.
Verdachte heeft door zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze jonge meisjes. Algemeen bekend is dat jeugdige slachtoffers van dergelijke zedendelicten in de regel nog geruime tijd de psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan. Dat de bewezenverklaarde feiten een grote impact hebben gehad op de slachtoffers blijkt treffend uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep zijn voorgedragen en uit de namens de slachtoffers gegeven toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
Beschikbare gedragsdeskundige rapportages
Het hof heeft voorts in aanmerking genomen de over de persoon van de verdachte opgemaakte pro-Justitia-rapportages en het reclasseringsadvies.
In de pro-Justitia-rapportage d.d. 6 december 2023, opgemaakt door drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, stelt de deskundige dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met
narcistische trekken en van een ongespecificeerde parafiele stoornis. Deze stoornissen waren aanwezig tijdens het plegen van de delicten en het advies is om de feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De kans op herhaling is zonder adequate behandeling volgens de psycholoog aanwezig. De psycholoog adviseert om de verdachte een poliklinische behandeling te laten ondergaan in een forensisch psychiatrische polikliniek binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf.
In de dubbelrapportage van 2 en 20 februari 2024, opgemaakt door drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, en dr. D.J. Vinkers, psychiater, na uitbreiding van de tenlastelegging, komt de psycholoog echter terug op zijn eerdere bevindingen. De psycholoog concludeert dat geen diagnose kon worden vastgesteld. Redengevend daarvoor is de grote discrepantie tussen de bevindingen uit het uitgebreidere politiedossier, waarin meer belastend materiaal naar voren is gekomen, en de verklaring van de verdachte - dat hij zich maar enkele keren op korte momenten bezig heeft gehouden met de ten laste gelegde feiten - die daar tamelijk haaks op staat. Deze discrepantie is zo groot dat de psycholoog, alles wegende, zijn inschattingen en aannames uit het vorig onderzoek heeft herzien. Om die reden kan hij ook geen uitspraak doen over (mogelijke) doorwerking van de problematiek van de verdachte in het tenlastegelegde, het risico op herhaling en de aard en intensiteit van de te adviseren behandeling. Ook de psychiater geeft aan dat er op dit moment geen diagnose kan worden gesteld over een mogelijke parafiele stoornis, maar hij zegt dat er wel aanwijzingen voor een dergelijke stoornis zijn, mede gelet op de eerdere diagnose van een parafiele stoornis (NAO) van De Waag. Bij De Waag had de verdachte zich eerder in 2014 na verdenking wegens kinderporno onder behandeling gesteld.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de pro-Justitia-rapportages over de verdachte van 17 oktober 2025 en 5 november 2025, opgemaakt door drs. J. Yntema, GZ-psycholoog, en dr. D.J. Vinkers, psychiater. Uit de dubbelrapportage volgt dat zowel de psycholoog als de psychiater geen psychische stoornis konden vaststellen.
De psychiater stelt dat er wel aanwijzingen zijn voor narcistische en ontwijkende persoonlijkheidstrekken, maar dat dit onvoldoende is om een persoonlijkheidsstoornis vast te stellen. Voor een parafiele stoornis zijn eveneens aanwijzingen, maar een daarop betrekking hebbende diagnose kan echter niet worden gesteld noch worden uitgesloten. De verdachte ontkent parafiele neigingen of hyperseksualiteit en buiten het eerdere geseponeerde bezit van kinderporno en het huidige ten laste gelegde zijn er ook geen duidelijke aanwijzingen voor een parafiele stoornis. Het is immers niet zo dat online plegers van het vervaardigen van kinderporno automatisch een parafiele stoornis of een persoonlijkheidsstoornis hebben.
Nu er geen diagnose kan worden vastgesteld, kunnen de deskundigen ook geen uitspraak doen over een eventuele doorwerking of verminderde toerekening. Om die reden kan ook geen onderbouwde uitspraak worden gedaan over een eventuele behandeling die tot vermindering van het risico op recidive zou moeten leiden. De deskundigen geven daarom geen behandeladvies.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies Tbs met voorwaarden van Reclassering Nederland over de verdachte van 25 april 2024. De rapporteur heeft tijdens het onderzoek contact opgenomen met de behandelaar van De Waag en de behandelaar van de verdachte vanuit de PI. De behandelaar van de verdachte van De Waag stelde dat zij de diagnose parafilie NAO destijds wel hebben gesteld, maar dat dit puur was op basis van de verdenkingen van toen. Hij stelde zelf zijn twijfels te hebben bij de aanwezigheid van een zedenproblematiek, omdat concrete aanwijzingen hiervoor ontbraken in het behandelcontact en de zaak van toen uiteindelijk werd geseponeerd. De behandelaar vanuit de PI, die de verdachte onder andere behandelde om diens probleemoplossende vaardigheden te versterken, zou geen signalen ten aanzien van zedenproblematiek hebben kunnen detecteren.
De reclassering adviseert negatief over het opleggen van tbs (met voorwaarden). De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen, daar de verdachte deze rol in zijn volledigheid ontkent. De reclassering adviseert, in het geval wél tbs met voorwaarden of een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende
maatregel op te leggen.
Tot slot heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies Detentie- en Re-integratieplan van 27 maart 2025. Hieruit volgt dat de verdachte tijdens detentie in behandeling is geweest van de instellingspsycholoog en momenteel wordt behandeld door De Waag. Hij heeft inmiddels een EMDR-behandeling afgerond. Hij toont zich gemotiveerd tijdens de behandeling van De Waag. Hij onderzoekt daar zijn delictgedrag en de motivatie die daartoe heeft geleid. Gezien het ontbreken van diagnostiek, kan op dit moment geen goede inschatting worden gemaakt van het risico op recidive. Zowel de Waag als de reclassering zien deze echter wel als verlaagd ten
opzichte van de voorgaande periode, nu de verdachte zich gemotiveerd toont voor behandeling en hierin ook de eerste resultaten al zichtbaar zijn.
Wel of geen oplegging van tbs (met dwangverpleging)?
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte onder meer de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd. Voor de oplegging van die maatregel is ingevolge artikel 37a Sr noodzakelijk dat de rechter tot het oordeel komt dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens (hierna tezamen: stoornis) bestond. Gelet op dit wettelijk vereiste heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven om tot dit oordeel te komen, hetzij door aansluiting te zoeken bij de rapportage van psycholoog Van der Leeuw d.d. 6 december 2023, hetzij door dit oordeel zelfstandig te vellen. In het laatste geval zou het hof vaststellen dat er bij de verdachte, tijdens het begaan van de feiten, sprake was van een stoornis, zonder dat het zich, bij die vaststelling, rechtstreeks zou voegen naar een gedragsdeskundig oordeel van gelijke strekking. In de woorden van de advocaat-generaal: “Als je dit doet moet je wel gestoord zijn”.
Op zichzelf zijn er, mede gelet op HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295 (r.o. 5.4.1), geen juridische beletselen om de door de advocaat-generaal voorgestelde weg te bewandelen. Er bestaan naar het oordeel van het hof echter wel feitelijke beletselen om dat te doen. Die beletselen acht het hof aanwezig in zijn waardering en weging van de beide dubbelrapportages. In de eerste dubbelrapportage, uit februari 2024, heeft de psycholoog Van der Leeuw zijn standpunt uit december 2023 niet onverkort gehandhaafd. Maar belangrijker voor het hof is de tweede dubbelrapportage, uit het najaar van 2025, waarin noch de psycholoog, noch de psychiater bij de verdachte een stoornis heeft kunnen diagnosticeren. De verdachte heeft telkens aan alle onderzoeken zijn medewerking verleend. Dit was anders in Hof Den Haag 12 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2358, waarop de advocaat-generaal zich in zijn requisitoir ook heeft beroepen. In die zaak was sprake van een weigerende observandus. Wat het hof betreft leggen deze bevindingen uit de tweede dubbelrapportage een zodanig gewicht in de schaal, dat het hof het onverantwoord vindt om in weerwil van die bevindingen (‘zelfstandig’) te komen tot het oordeel uit artikel 37a Sr zoals hierboven bedoeld. Met andere woorden: als het hof toch tot dat oordeel zou komen, zou dat met te veel onzekerheid omgeven zijn.
Het aldus achterwege blijven van dit oordeel staat op zichzelf al in de weg aan de oplegging van tbs. Daarmee komt het hof derhalve niet toe aan de beantwoording van relevante vervolgvragen, die zich zouden hebben aangediend als oplegging wél mogelijk was geweest.
Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter zitting in hoger beroep het volgende voorwaardelijk verzoek gedaan: “Indien uw hof (…) een stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vaststelt, en oordeelt dat ook aan de overige vereisten van artikel 37a Sr is voldaan, dan verzoek ik uw hof om de zaak aan te houden en aan de reclassering de opdracht te geven om een nieuwe maatregelenrapportage op te stellen.”
Uit hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat de door de raadsvrouw bedoelde voorwaarde niet intreedt. Dit betekent dat het verzoek geen verdere bespreking behoeft.
De op te leggen straf
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de bewezenverklaarde feiten de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof houdt daarbij rekening met de lange periode waarin het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, de geraffineerde wijze waarop verdachte te werk is gegaan, het feit dat verdachte pas gestopt is met zijn strafbare handelen door zijn aanhouding en het gegeven dat verdachte geen echte verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen nu hij zich ook ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt is blijven stellen dat hij de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd onder druk van andere personen terwijl daarvan na uitvoerig onderzoek door de politie in het geheel niet is gebleken. Bij het bepalen van de duur heeft het hof voorts acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van hetgeen bewezen is verklaard. Het hof zal daarom een hogere straf opleggen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr
Het hof ziet, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, daarnaast de noodzaak om de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte na zijn gevangenisstraf, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht van de reclassering te stellen en eventueel te behandelen, zodat het risico op recidive wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een dergelijke maatregel is voldaan, nu aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen, of gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 7]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 7] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van
€ 24.650,00, bestaande uit € 19.650,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering verlaagd tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 18]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 18] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.500,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 18]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 2.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 18].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 19.150,00, bestaande uit € 16.650,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist. De verdediging is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is geweest van studievertraging als gevolg van het tenlastegelegde, zodat de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het hof is van oordeel dat de gestelde en betwiste post met betrekking tot de opgelopen studievertraging
voldoende is onderbouwd en derhalve kan worden toegewezen. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft deze schade in hoger beroep met nadere stukken onderbouwd. Uit de stukken volgt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde last had van paniekaanvallen en concentratieproblemen, waardoor zij uiteindelijk is blijven zitten.
Het hof is van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve integraal worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is van oordeel dat voorts aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 19.150,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 13]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 13] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.500,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 13]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 2.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 13].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 17]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 17] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 250,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 2.500,-.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 17]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 17].
Anders dan de rechtbank, ziet het hof geen aanleiding om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een hoger bedrag dan is gevorderd.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 16]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 16] zich als benadeelde partij gevoegd en ter terechtzitting in eerste aanleg een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting van 30 april 2024 volgt niet welk bedrag de gemachtigde namens [slachtoffer 16] heeft gevorderd. De rechtbank gaat in haar vonnis uit van een vordering ter hoogte van € 2.500,00. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat de gemachtigde de vordering mondeling ter terechtzitting heeft ingediend tot een bedrag van
€ 2.500,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 16]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 2.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 16].
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 5]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 21.650,00, bestaande uit € 19.650,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering verlaagd tot een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 2.500,-.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5].
Anders dan de rechtbank, ziet het hof geen aanleiding om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een hoger bedrag dan is gevorderd.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 6]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 200,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 2.500,-.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juli 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 200,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6].
Anders dan de rechtbank, ziet het hof geen aanleiding om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een hoger bedrag dan is gevorderd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38z, 55, 57, 240b en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7], ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 februari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 18]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 18] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 18], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 september 2021.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.150,00 (negentienduizend honderdvijftig euro) bestaande uit € 16.650,00 (zestienduizend zeshonderdvijftig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.150,00 (negentienduizend honderdvijftig euro) bestaande uit € 16.650,00 (zestienduizend zeshonderdvijftig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 120 (honderdtwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 28 januari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 13] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 13], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 januari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 17]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 17] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 17], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 januari 2022.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 16] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 16], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 januari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 januari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 juli 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, als voorzitter, en mr. G.C. Haverkate en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M. van Hoevelaken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 januari 2026.