ECLI:NL:GHDHA:2026:2311

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
22-000516-25.a
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens ontploffing en bedreiging ex-vriendin met brandstichting

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing bij de woning van zijn ex-vriendin, bedreiging met brandstichting via WhatsApp, en vernieling van het pand. In hoger beroep bevestigde het hof deze bewezenverklaring, maar wijzigde de strafoplegging en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij.

Het bewijs bestond uit camerabeelden, WhatsApp-berichten, herkenning door verbalisanten, en historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte. Het hof achtte de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en verwierp de verweren van de verdediging. De verdachte werd herkend op camerabeelden en zijn aanwezigheid nabij de woning werd ondersteund door telefoongegevens.

De straf werd bepaald op twee jaar gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een vrijheidsbeperkende maatregel van drie jaar met locatie- en contactverbod. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en onvoldoende bewijs van eigen schade. Wel werd ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel van €2.000 opgelegd aan de verdachte ten behoeve van het slachtoffer.

De verdachte werd tevens veroordeeld tot het dragen van eigen kosten en de teruggave van een in beslag genomen telefoon werd gelast. Het arrest werd uitgesproken op 15 juli 2026 door het hof Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, en drie jaar vrijheidsbeperkende maatregel met locatie- en contactverbod.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000516-25
Parketnummer: 10-336550-24
Datum uitspraak: 15 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te Aruba op [geboortedatum 1] 1987,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,
door de verdachte opgegeven verblijfplaats: [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Het slachtoffer heeft als benadeelde partij haar vordering toegelicht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Verder is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd, inhoudende een locatieverbod en contactverbod voor de duur van drie jaren, een en ander op de wijze zoals in het vonnis waarvan beroep omschreven. Daarbij is de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel bevolen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rotterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een of meerdere stukken zwaar vuurwerk en/of explosieven, aan te steken en/of (vervolgens) door de brievenbus, althans in de dichte nabijheid, van de woning gelegen aan de [adres 1] te gooien/te leggen/te plaatsen, waardoor die stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning aan de [adres 1] en/of belendende woningen en/of de inboedel/huisraad van de woning aan de [adres 1] en/of de inboedel/huisraad van die belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
2.
hij op of omstreeks de periode van 29 september 2024 tot en met 5 oktober 2024 te Rotterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [slachtoffer] dreigend (via WhatsApp) de woorden toe te voegen "Ik brand je hok af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een of meerdere stukken zwaar vuurwerk en/of explosieven, aan te steken en/of (vervolgens) door de brievenbus, althans in de dichte nabijheid, van de woning gelegen aan de [adres 1] te gooien/te leggen/te plaatsen, waardoor die stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht;
3.
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een pand, gelegen aan de [adres 1] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [naam woningcorporatie] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf. In plaats daarvan heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 296 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr in de vorm van een locatieverbod en een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van drie jaren. Hij heeft gevorderd de dadelijk uitvoerbaarheid van de maatregel te bevelen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt. Ook verenigt het hof zich niet geheel met de bewijsoverwegingen van de rechtbank, komt het tot een andere kwalificatie, een andere strafoplegging en een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Bewijsoverweging

Niet ter discussie staat dat op 5 oktober 2024 tussen 20.30 uur en 20.45 uur een ontploffing heeft plaatsgevonden bij de voordeur van de woning aan de [adres 1] te Rotterdam. De bewuste woning is gelegen op de dertiende verdieping van een flatgebouw dat aan [naam woningcorporatie] toebehoort. [slachtoffer] (hierna ook: de aangeefster) was de huurster van de woning. Als gevolg van de ontploffing is grote schade aan de voordeur en in de hal van de woning ontstaan.
Wél ter discussie staat de vraag of de verdachte degene is die de ontploffing teweeg heeft gebracht.
Het hof gaat bij de beantwoording van die vraag uit van de volgende aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden.
Op 29 september 2024 heeft de aangeefster via WhatsApp contact gehad met de verdachte, haar ex-vriend, over de vraag wanneer hij zijn tv zou komen ophalen. Na wat berichten over en weer te hebben verzonden, heeft de verdachte gereageerd met de mededeling: “Ik brand je hok af”.
Op 5 oktober 2024 omstreeks 19.30 uur is de aangeefster naar de woning van de verdachte gegaan om spullen bij zijn vriendin af te geven. Vervolgens heeft zij hem via WhatsApp laten weten dat er een pakketje in de tuin bij zijn deur lag. Ongeveer een kwartier later heeft de verdachte haar een bericht teruggestuurd, inhoudende: “Je hebt lef waar ben jij mee bezig. Ik heb je gewaarschuwd, weet je nog”.
Op camerabeelden van de portiek van de [adres 2] op 5 oktober 2024 tussen 20.00 uur en 21.00 uur is het volgende te zien. Een man stapt in de lift en drukt op het liftknopje met daaronder de getallen [getallen] . De man heeft een klein donkerkleurig voorwerp in zijn rechterhand. Hij stopt het voorwerp in zijn rechterbroekzak. De jaszakken van de man lijken te zijn gevuld met meerdere voorwerpen. Eenmaal op de dertiende verdieping stapt de man uit en slaat hij linksaf. Hierna is de man de eerste persoon die weer gebruik maakt van de lift. De lift geeft het getal ‘ [getal] ’ weer. De man lijkt te hijgen. Hij pakt een voorwerp gelijkend op een mobiele telefoon uit zijn rechterbroekzak, kijkt naar het scherm en stopt het weer terug. Vervolgens grijpt hij naar een van de handschoenen om daarna beide handen (met de handschoenen nog om) in zijn broekzak te stoppen. Eenmaal op de begane grond stapt de man uit de lift en loopt hij via de entreehal naar buiten en slaat direct rechtsaf. De man lijkt hierbij zijn pas te versnellen. De huidskleur van de man op de camerabeelden is licht getint. De man draagt een blauwe pet met witte opdruk. Aan de voorzijde van de pet staat een tekst eindigend op ‘Abu Dhabi’ en aan de achterzijde staat de tekst: ‘Student Affairs’. Hij draagt een bril met lichtgekleurde glazen. Het einde van de brilpootjes is doorzichtig. De man draagt een zwarte jas met ritssluiting, waaraan een zwart label hangt. De achterzijde van de jas heeft een horizontale naad. Vanaf het midden van die horizontale naad loopt een verticale naad naar beneden. De man draagt blauwe schoenen met dikke bruine zolen die bij de hak dikker zijn.
Op 21 oktober 2024 is de verdachte buiten heterdaad aangehouden op verdenking van brandstichting, bedreiging en vernieling. Een verbalisant heeft gerelateerd dat de jas, bril, pet en schoenen in de fouillering van de verdachte overeenkomen met de jas, bril, pet en schoenen van de man op de bewuste camerabeelden.
Op 22 oktober 2024 is de verdachte door twee verbalisanten verhoord. Zij hebben hem, ieder afzonderlijk, herkend als de man op de camerabeelden. Zij hebben de verdachte herkend aan zijn huidskleur, zijn lengte, de puntige vorm (bij de bovenzijde) van zijn linkeroor en zijn baardgroei, kaaklijn en lippen.
De verdachte heeft in zijn eerste politieverhoor op 21 oktober 2024 verklaard dat hij gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Ook heeft de verdachte verklaard dat hij zich heeft bekeerd tot de Islam en dat hij [bijnaam verdachte] wil worden genoemd, niet [naam verdachte] .
Het hof acht op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan. Daartoe is in het bijzonder redengevend de aanwezigheid van de verdachte op de verdieping waar de aangeefster woont omstreeks het tijdstip van de ontploffing, in samenhang bezien met het dreigement met brandstichting dat hij haar ongeveer een week daarvoor heeft gestuurd en het dreigende bericht dat hij haar de avond van de ontploffing heeft gestuurd. Dit oordeel brengt mee dat het hof de verweren van de verdediging verwerpt, op na te melden gronden.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht het hof de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar, nu die steun vinden in andere bewijsmiddelen, waaronder de inhoud van de op 29 september 2024 en 5 oktober 2024 door de verdachte verzonden WhatsApp-berichten. Dat de aangeefster die berichten heeft vervalst, zoals de verdediging heeft gesuggereerd, acht het hof niet aannemelijk geworden. Weliswaar heeft de aangeefster die berichten niet in WhatsApp kunnen tonen aan de politie omdat zij die reeds had verwijderd, maar wel heeft zij screenshots van die berichten overgelegd. Uit onderzoek is gebleken dat die screenshots op 30 september 2024 en 5 oktober 2024 zijn gemaakt. Die data liggen op of zeer kort na de data waarop de berichten volgens de aangeefster zijn verstuurd, waarbij bovendien geldt dat in ieder geval ten tijde van het maken van het eerste screenshot (waarop het bericht “Ik brand je hok af” is te zien) de ontploffing nog niet had plaatsgevonden.
De omstandigheid dat de aangeefster kennelijk ná de behandeling van de zaak in eerste aanleg screenshots van WhatsApp-berichten uit maart 2024 heeft ingebracht, die volgens haar van de verdachte afkomstig zijn en waarop – anders dan op de hiervoor genoemde berichten – niet de naam [naam verdachte] maar de naam [bijnaam verdachte] is te zien, noopt niet tot een ander oordeel. Het hof heeft aan de hand van de inhoud van die berichten vastgesteld dat die geen direct verband houden met de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Bovendien heeft de aangeefster verklaard dat de naam van haar ex-vriend [naam verdachte] is en dat hij zichzelf [bijnaam verdachte] noemt. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij zich tot de Islam heeft bekeerd en dat hij [bijnaam verdachte] genoemd wil worden. Dat de verdachte op enig moment in de telefoon van de aangeefster heeft gestaan als [naam verdachte] en op een ander moment als [bijnaam verdachte] , is daarmee niet onverenigbaar.
Ten aanzien van hetgeen de verdediging omtrent de camerabeelden naar voren heeft gebracht, overweegt het hof als volgt.
Uit het voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaal nummer 1] blijkt dat de politie de camerabeelden van het portiek [adres 2] van 5 oktober 2024 tussen 20.00 uur en 21.00 uur heeft gevorderd, zodat kan worden aangenomen dat de uitgekeken beelden betrekking hebben op die periode. Ook de bestandsnaam (waarin is opgenomen “ [bestandsnaam] ”) duidt daarop. De omstandigheid dat op de camerabeelden zelf niet een datum en/of tijdstip is vermeld, maakt dat niet anders.
Het hof acht de (screenshots van) de camerabeelden van voldoende kwaliteit om daarop een herkenning te kunnen baseren. De bij het verhoor van de verdachte betrokken verbalisanten hebben, ieder afzonderlijk, de verdachte herkend als de man op de camerabeelden. Daarbij komt dat de in de fouillering van de verdachte aangetroffen kledingstukken en bril overeenkomen met de kledingstukken en bril van de man op de camerabeelden. Het hof heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning.
Tot slot overweegt het hof dat – anders dan de raadsvrouw heeft betoogd – de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte zijn aanwezigheid bij de woning van de aangeefster ten tijde van de ontploffing niet uitsluiten. Uit onderzoek is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 5 oktober 2024 om 19.46 uur verbinding maakte met een zendmast aan de [locatie] in Rotterdam. Dit betrof een ingekomen sms-bericht en dus een eenmalige verbinding met de telefoon op het specifieke moment van ontvangst. Daaraan verbindt het hof de conclusie dat de verdachte omstreeks 19.46 uur in de buurt van de [locatie] in Rotterdam was, hetgeen zijn aanwezigheid bij de woning van de aangeefster op het tijdstip van de ontploffing niet uitsluit. Uit de historische verkeersgegevens blijkt ook dat de telefoon van de verdachte om 20.39 uur een dataverbinding had met een telefoonmast in Den Haag gedurende 10.006 seconden. Blijkens het proces-verbaal met nummer [proces-verbaal nummer 2] betekent dit dat deze telefoonmast betrokken was bij het tot stand laten komen, tot stand laten houden of het beëindigen van de dataverbinding, maar kan niet worden gezegd dat dit per definitie de beginmast of eindmast is geweest. Dat wil dus zeggen dat de verdachte op enig moment gedurende de om 20.39 uur begonnen en 10.006 seconden durende dataverbinding contact had met de telefoonmast in Den Haag, maar niet per definitie dat hij zich fysiek in die omgeving om 20.39 uur bevond. Ook dit sluit zijn aanwezigheid bij de woning van de aangeefster ten tijde van de ontploffing dus niet uit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks5 oktober 2024 te Rotterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
een vuurwerkbrandstofcombinatie, althanseen of meerdere stukken zwaar vuurwerk en/of explosieven, aan te steken en
/of(vervolgens) door de brievenbus, althans in de dichte nabijheid, van de woning gelegen aan de [adres 1] te gooien/te leggen/te plaatsen, waardoor die stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning aan de [adres 1]
en/of belendende woningenen
/ofde inboedel/huisraad van de woning aan de [adres 1]
en/of de inboedel/huisraad van die belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen,te duchten was;
2.
hij op
of omstreeks de periode van29 september 2024
tot en met 5 oktober 2024te Rotterdam [slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/ofmet brandstichting, door die [slachtoffer] dreigend
(via WhatsApp
)de woorden toe te voegen "Ik brand je hok af"
, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een of meerdere stukken zwaar vuurwerk en/of explosieven, aan te steken en/of (vervolgens) door de brievenbus, althans in de dichte nabijheid, van de woning gelegen aan de [adres 1] te gooien/te leggen/te plaatsen, waardoor die stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht;
3.
hij op
of omstreeks5 oktober 2024 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw
, te weten een pand,gelegen aan de [adres 1] ,
geheel of ten deletoebehorende aan [slachtoffer] en/of [naam woningcorporatie]
, althans aan een ander of anderen dan aan verdachte,heeft
vernield en/ofbeschadigd
en/of onbruikbaar gemaakt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert op:
eendaadse samenloop van
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met brandstichting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

De oplegging van straf en maatregel

De straf
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zijn ex-vriendin, met wie hij ruzie had, per WhatsApp-bericht bedreigd met brandstichting. Ongeveer een week later heeft hij uitvoering aan dat dreigement gegeven door vlakbij de woning van zijn ex-vriendin een ontploffing teweeg te brengen. De ontploffing heeft grote schade aan de voordeur en in de hal van de bewuste woning veroorzaakt.
Door zo te handelen heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s genomen. Het is slechts een gelukkig toeval dat er ten tijde van de ontploffing niemand in de woning of op de galerij aanwezig was. Dat het slechts bij schade aan de woning is gebleven, laat onverlet dat dit een zeer beangstigende en intimiderende ervaring moet zin geweest voor het slachtoffer, juist omdat de ontploffing plaatsvond bij haar woning, bij uitstek een plek waar zij zich veilig moet kunnen voelen. Dit blijkt ook uit hetgeen het slachtoffer terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Tot op de dag van vandaag heeft zij te kampen met herbelevingen van deze voor haar zeer traumatische gebeurtenis. Zij kan vanwege concentratieproblemen niet werken. Inmiddels staat zij op een wachtlijst voor een behandeling bij de GGZ.
Het hof heeft bij de beraadslaging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 29 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte laatstelijk bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2012 onherroepelijk is veroordeeld voor huiselijk geweld.
Verder heeft het hof bij de beraadslaging acht geslagen op een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van 8 januari 2025. Geadviseerd wordt om bij een eventuele veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat na de hartoperatie van zijn jongste dochter allerlei complicaties zijn opgetreden met als gevolg dat zij 24 uur per dag zorg nodig heeft. Zijn dochter woont bij zijn partner. De verdachte verblijft daar met enige regelmaat om zijn partner te kunnen helpen met de zorg voor hun dochter.
Het opnieuw ondergaan van detentie zou betekenen dat zijn partner alleen voor de zorg voor hun dochter moet opdraaien en dat de verdachte niet kan beginnen met het starten van zijn onderneming.
Het voorgaande brengt het hof tot de volgende conclusies met betrekking tot de strafoplegging.
Gezien de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstaf. In beginsel acht het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf passend. Oplegging van die straf brengt mee dat de verdachte wederom enige tijd gedetineerd zal raken, aangezien hij 424 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof dat niet wenselijk. Het hof zal daarom een aanzienlijk deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen. Daarmee beoogt het hof ook te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, waarvan het onvoorwaardelijke deel in duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, een passende en geboden reactie vormt.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof niet daarnaast een taakstraf opleggen, nu het bepaalde in artikel 9, vierde lid, Sr daaraan in de weg staat.
De maatregel
Met het oog op de beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal het hof – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr voor de duur van drie jaren opleggen.
De maatregel houdt in:
  • dat de verdachte gedurende drie jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] ;
  • dat de verdachte zich gedurende drie jaren niet zal bevinden binnen een straal van 250 meter van het adres [adres 1] .
Het hof zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
Het hof zal – net als de rechtbank– bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer
[slachtoffer] .
De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest onderworpen is geweest aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel zal bij de uitvoering van de thans op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel in mindering worden gebracht.
Vordering tot schadevergoeding
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd. Op 28 oktober 2024 heeft de benadeelde partij een vordering ingediend tot vergoeding van materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van € 2.652,49. Op 24 januari 2025 heeft de benadeelde partij een nieuwe vordering ingediend waarin zij de eerder ingediende vordering verhoogt met een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade tot een bedrag van in totaal € 12.652,49.
In hoger beroep heeft de benadeelde partij haar vordering gehandhaafd tot het bedrag van € 12.652,49.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.000,00, met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen.
Het hof overweegt als volgt.
In artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald de wijze waarop de voeging als benadeelde partij kan plaatsvinden in het voorbereidend onderzoek en tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.m. ECLI:NL:HR:2018:896) kan de voeging op de terechtzitting in eerste aanleg plaatsvinden uiterlijk tot het moment waarop de officier van justitie aan zijn requisitoir begint.
In artikel 421, derde lid, Sv is bepaald dat, voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep kan voegen.
Het hof stelt aan de hand van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 januari 2025 vast dat de benadeelde partij op die terechtzitting gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid haar op 28 oktober 2024 ingediende vordering tot vergoeding van materiële schade nader toe te lichten. De officier van justitie heeft bij requisitoir geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële schade. Op een vraag van de raadsvrouw is van de zijde van de rechtbank meegedeeld dat bij de rechtbank geen andere vordering bekend was dan die van 28 oktober 2024.
Na de behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft de benadeelde partij op 24 januari 2025 de vordering tot schadevergoeding verhoogd met een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade tot een bedrag van in totaal € 12.652,49. De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar vordering gehandhaafd tot het bedrag van € 12.652,49.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade te laat, namelijk na het requisitoir van de officier van justitie, is ingediend. Ingevolge het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv mag de benadeelde partij in hoger beroep geen schadeposten opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en mag zij evenmin het bedrag van de in eerste aanleg opgevoerde schadeposten verhogen.
Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat in hoger beroep slechts aan de orde is de vordering tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2.652,49.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij toegelicht dat de schade inmiddels is hersteld en dat [naam woningcorporatie] de kosten daarvan voor haar rekening heeft genomen. De benadeelde partij heeft tot op heden geen bericht ontvangen waaruit blijkt dat [naam woningcorporatie] voornemens is om de kosten op haar te verhalen.
Gelet op de toelichting van de benadeelde partij, bezien in het licht van de betwisting van de vordering door de verdediging, is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij de door haar gestelde materiële schade zelf heeft geleden. Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.
Gelet op de beslissing die ter zake van de vordering van de benadeelde partij zal worden gegeven zal het hof bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen kosten dragen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

In zijn arrest van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel kan opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Artikel 36f Sr betreft een sanctie die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd.
Over de vraag of de verdachte jegens [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade haar door het strafbare feit is toegebracht, overweegt het hof als volgt.
Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
In zijn arrest van 2 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:822) heeft de Hoge Raad uiteengezet dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, kunnen meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte, na het slachtoffer te hebben bedreigd, een ontploffing bij haar woning teweeg heeft gebracht waardoor schade aan de woning is ontstaan. Het betreft hier een normschending die naar aard en ernst ingrijpend is. De nadelige gevolgen voor het slachtoffer zijn aanzienlijk. Uit de door het slachtoffer overgelegde ‘Rapportage Psychische diagnose’ blijkt dat het slachtoffer als gevolg van deze traumatische ervaring te kampen heeft met herbelevingen en concentratieproblemen.
Daarnaast kent zij periodes met wisselende stemmingen. In haar contacten met derden is zij voorzichtig en alert. Het slachtoffer heeft als advies gekregen een behandeling bij de GGZ te volgen. Zij staat op een wachtlijst voor behandeling. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer mee dat sprake is van aantasting van de persoon ‘op andere wijze’.
Dat betekent dat het slachtoffer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Het hof acht een vergoeding van € 2.000,00 billijk. Nu vaststaat dat de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die haar door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen een bedrag van € 2.000,00 aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Beslag

Het hof zal – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
(twee) 2 jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
306 (driehonderdzes) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Heft ophet door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid.
Legt op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende:
  • dat de verdachte voor de duur van
  • dat de verdachte zich gedurende
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Gelast de teruggave van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. E.C. van Veen, leden, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 juli 2026.