Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
In deze jeugdzaak stond de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij centraal, die haar schadevergoeding pas na het requisitoir aan de rechter had opgegeven. Het hof had geoordeeld dat deze voeging toch ontvankelijk was, wat de Hoge Raad onjuist achtte op grond van art. 51g, derde lid, in verbinding met art. 421 Sv Pro.
Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg diende de benadeelde partij haar schadevergoedingsvordering in na het requisitoir, waarop de politierechter het onderzoek heropende en de vordering in behandeling nam. In hoger beroep handhaafde de benadeelde partij haar vordering, ondanks het standpunt van de verdediging dat deze te laat was ingediend.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door de voeging na het requisitoir toch toe te laten. Desondanks werd het cassatieberoep verworpen omdat de verdachte geen voldoende belang had bij de klacht, aangezien de betalingsverplichting aan de Staat onverminderd bleef bestaan.
De uitspraak verduidelijkt de strikte toepassing van de termijnen voor voeging van de benadeelde partij in strafzaken en bevestigt dat late voeging na het requisitoir niet is toegestaan, maar dat dit niet altijd leidt tot vernietiging van de betalingsverplichting aan de Staat.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat late voeging van de benadeelde partij na het requisitoir niet ontvankelijk is, maar de betalingsverplichting aan de Staat blijft bestaan.