ECLI:NL:GHDHA:2026:2286

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/654
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:110 Wet IB 2001Art. 3:111 Wet IB 2001Art. 3:119a Wet IB 2001Art. 8:56 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag IB/PVV 2020 zonder recht op aftrek volledige eigenwoningrente

Belanghebbende was in 2020 voor 50% eigenaar van de voormalige echtelijke woning en stelde dat hij economisch eigenaar was van de volledige woning, waardoor hij recht zou hebben op aftrek van de volledige eigenwoningrente. De Inspecteur legde een aanslag IB/PVV 2020 op met een belastbaar inkomen van €69.527, waarbij slechts 50% van de eigenwoningrente werd erkend.

De Rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet had bewezen dat hij economisch eigenaar was van de volledige woning. De waardeverandering van het deel van de woning dat eigendom was van de ex-partner kwam niet aan belanghebbende toe, waardoor de rente op de bijbehorende schuld niet aftrekbaar was. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de Inspecteur de aangiften over 2019 en 2021 niet inhoudelijk had gevolgd.

In hoger beroep bevestigde het Hof deze conclusies. Het Hof stelde dat het ontbreken van een weloverwogen standpunt van de Inspecteur over de jaren 2019 en 2021 het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kon dragen. Belanghebbende had geen nieuwe feiten aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2020 wordt bevestigd zonder recht op aftrek van volledige eigenwoningrente.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/654

Uitspraak van 9 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 augustus 2025, nummer SGR 24/8395.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.527 (de aanslag IB/PVV 2020). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is
€ 116 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2020 en de beschikking belastingrente afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 9 maart 2026.
1.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 maart 2026. De Inspecteur is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen en er is geen bericht van verhindering bij het Hof binnengekomen. Belanghebbende is door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens de bij dit bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 29 januari 2026, 14.18 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mailbericht verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Gelet hierop, is belanghebbende naar het oordeel van het Hof overeenkomstig artikel 8:56 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitgenodigd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is op [datum] 2017 gescheiden.
2.2.
Volgens het Kadaster was belanghebbende in 2020 voor 50% eigenaar van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] (de woning), waarin hij woonachtig was. Belanghebbendes ex-partner, die vanaf 2018 niet meer in de woning woont, was tot 12 december 2022 ook voor 50% eigenaar van de woning. Volgens de inschrijving in het Kadaster is belanghebbende op 12 december 2022 voor 100% eigenaar van de woning geworden.
2.3.
Aan belanghebbende is bij voorlopige aanslag IB/PVV 2020 van 15 januari 2020 een teruggaaf verleend van € 4.262. Bij de tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2020 van 16 januari 2020 is de teruggaaf verminderd tot € 3.958.
2.4.
Belanghebbende heeft op 20 april 2021 de aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.578. De aangifte vermeldt eigenwoningschulden met als omschrijvingen [naam 1] en [naam 2] , waarvan de stand en de rente bedragen:
Omschrijving
Rente van geldlening
Schuld ultimo
[naam 1]
5.032
222
[naam 2]
2.355
51.991
Totaal
7.378
273.991
2.5.
Op 18 oktober 2022 heeft de Inspecteur belanghebbende telefonisch verzocht om een nadere onderbouwing van de in aftrek gebrachte rente ter zake van de schuld aan [naam 2] en heeft hij gevraagd om informatie ten aanzien van de eigendom van de woning.
2.6.
Nadat de gevraagde informatie is uitgebleven, heeft de Inspecteur bij brief van
30 november 2022 zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt ter zake van de aangegeven inkomsten uit eigen woning van de ingediende aangifte IB/PVV 2020 af te wijken met een bedrag van € 3.949.
2.7.
De Inspecteur heeft met dagtekening van 20 januari 2023 de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd overeenkomstig zijn voornemen. De inkomsten uit eigen woning zijn gesteld op € 2.268 negatief, hetgeen resulteert in een verzamelinkomen van € 69.527.
2.8.
Belanghebbende heeft op 30 september 2020 zijn aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Deze aangifte is niet uitgeworpen en niet behandeld door de Inspecteur. De aanslag IB/PVV 2019 is conform de ingediende aangifte IB/PVV 2019 opgelegd.
2.9.
Belanghebbende heeft op 31 maart 2022 zijn aangifte IB/PVV 2021 ingediend. De Inspecteur heeft met dagtekening 4 september 2023 zijn voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV 2021 verzonden. Belanghebbende heeft per e-mailbericht van 13 september 2023 hierop gereageerd. De Inspecteur heeft met dagtekening 14 oktober 2024 nogmaals een voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV 2021 verzonden. Belanghebbende heeft hierop per brief van 21 oktober 2024 gereageerd met het verzoek om de onderhavige procedure af te wachten. De Inspecteur heeft met dagtekening 4 februari 2025 de aanslag IB/PVV 2021 conform de ingediende aangifte IB/PVV 2021 vastgesteld.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“11. Op grond van artikel 3.110 van de Wet IB 2001 zijn belastbare inkomsten uit eigen woning de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten.
Onder een eigen woning wordt op grond van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 verstaan een eigen gebouw voor zover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat.
Op grond van artikel 3.119a Wet IB 2001 wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van de eigen woning.
Economische eigendom eigen woning
12. Vaststaat dat eiser in het onderhavige jaar 50% van de eigendom van de woning heeft. Hij stelt dat hij voor de andere helft economisch eigenaar was geworden, wat wil zeggen dat hij in een zodanige obligatoire relatie tot zijn ex-partner stond dat alle voor- en nadelen van haar 50% eigendom van de woning hem volledig aangingen als ware hij daarvan de eigenaar. Van die stelling draagt eiser de bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet in het van hem verlangde bewijs is geslaagd. Zij overweegt daartoe als volgt.
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser verwezen naar door hem en zijn ex-partner ondertekende stukken van 4 april 2017 en 22 mei 2019 met betrekking tot de verdeling van onder andere de woning en de daarop drukkende schulden. In het overzicht van 2017 wordt als waarde van de woning het bedrag van € 200.000 genoemd, in het overzicht van 2019 is dat € 201.176. Bij zijn beroepschrift heeft eiser één pagina overlegd van een nadien tot stand gekomen echtscheidingsconvenant. Blijkens die pagina hebben partijen bij de uiteindelijke verdeling als waarde van de woning het bedrag van € 273.000 gehanteerd. Dat bij de uiteindelijke verdeling een andere – hogere – waarde van de woning is gehanteerd dan in het stuk van 22 mei 2019, betekent dat de waardeverandering van de woning niet alleen eiser aanging. Al daaruit volgt dat eiser met de afspraken uit 2019 niet de economische eigendom van de woning had verkregen.
13. Doordat de waardeverandering van de 50% van de woning die in eigendom was van de ex-partner niet eiser aangingen, is de woning voor dat deel niet eigen woning van eiser in de zin van artikel 3:111, eerste lid, van de Wet IB 2001. Dat brengt mee dat de op de woning drukken schulden voor dat deel niet als eigenwoningschuld gelden, in de zin van artikel 3:119a van de wet IB 2001, zodat de verschuldigde rente in zoverre niet aftrekbaar is.
14. Gelet op het voorgaande behoeft het subsidiaire standpunt van verweerder geen behandeling.
Lening [naam 2]
15. Tussen partijen is niet in geschil dat de lening bij [naam 2] is aangewend om de leningen bij [naam 3] en de [naam 4] -lening af te lossen. Eiser stelt dat de lening bij [naam 3] als eigenwoningschuld kwalificeerde. Daarvan draagt hij de bewijslast.
Nu eiser geen gegevens naar voren heeft gebracht waaraan kan worden ontleend dat de lening bij [naam 3] was aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van de woning, is hij in die bewijslast niet geslaagd. Het oordeel van de rechtbank op dit punt is daarmee niet anders dan dat van het Gerechtshof Den Haag in de procedure van eiser over de jaren 2014 tot en 2017 en van deze rechtbank in de procedure van eiser over het jaar 2018.[1]
16. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de lening van [naam 2] voor zover deze is terug te voeren op de lening van [naam 3] terecht niet als eigenwoningschuld heeft aangemerkt en de op die lening verschuldigde rente in zoverre terecht niet in aftrek heeft gelaten.
Vertrouwensbeginsel
17. Eiser ontleent zijn beroep op het vertrouwensbeginsel aan het feit dat verweerder zijn aangifte IB/PVV 2019 zonder correctie heeft gevolgd.
Voor het ontstaan van een rechtens te beschermen vertrouwen is vereist dat de gedragingen van de inspecteur bij de belastingplichtige de indruk van een weloverwogen standpuntbepaling hebben kunnen wekken. Nu verreweg de meeste aangiften worden afgedaan zonder dat zij inhoudelijk worden beoordeeld, is voor de vestiging van rechtens te beschermen vertrouwen meer vereist dan het enkele gegeven dat de aangifte over een eerder jaar is gevolgd.[2] Eiser heeft niet bijkomende omstandigheden gesteld waaruit volgt bij hem de indruk kan zijn ontstaan dat aan het volgen van de aangifte 2019 een standpunt van de inspecteur ten grondslag ligt. Daarom faalt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel.
Slotsom
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, moet het beroep ongegrond worden verklaard.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Hof Den Haag 13 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:54 en Rechtbank Den Haag 29 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10902.
[2] Zie o.a. Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de aanslag IB/PVV 2020 naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel en of belanghebbende (daardoor) recht heeft op een hogere aftrek eigenwoningrente dan reeds in aftrek is toegestaan.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2020 conform de aangifte en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vertrouwensbeginsel
5.1.
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de opgelegde aanslag IB/PVV 2020, die afwijkt van de aangifte IB/PVV 2020. Hij voert daartoe aan dat aan het volgen van zijn aangiften voor de jaren 2019 en 2021 op het punt van de in aftrek gebrachte eigenwoningrente het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat de Inspecteur dit ook voor het onderhavige jaar zal doen.
5.2.
Het Hof stelt voorop dat de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen afhangt van de waardering van – in onderlinge samenhang te beoordelen – omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de Inspecteur gedurende een aantal jaren gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd of verminderd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende. Voorts is, afgezien van het geval dat een gedragslijn van de inspecteur berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het desbetreffende jaar zou gelden, voor in rechte te beschermen vertrouwen meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd (HR 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996, en HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26).
5.3.
Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de Inspecteur gedurende een aantal jaren gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling op het punt van de aftrek van eigenwoningrente. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 niet door het systeem is uitgeworpen voor handmatige behandeling en dat de aangifte niet door hem is gecontroleerd. Met betrekking tot de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 blijkt uit de gedingstukken dat de Inspecteur tweemaal een voornemen tot afwijking van de aangifte heeft verzonden vanwege de aftrek van de eigenwoningrente en dat belanghebbende in reactie daarop heeft verzocht om de uitkomst van de onderhavige procedure af te wachten. Het standpunt van de Inspecteur is nogmaals bevestigd in diens verweerschrift voor de Rechtbank in de onderhavige procedure. Dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 vervolgens vanwege een – naar de Inspecteur onweersproken heeft verklaard – administratieve fout conform de aangifte is opgelegd, maakt het voorgaande, hoewel onzorgvuldig van de Inspecteur, niet anders. Belanghebbende kon gelet op de expliciete en niet ingetrokken voornemens van de Inspecteur tot afwijking van de aangifte op dit punt redelijkerwijs niet aannemen dat de Inspecteur met betrekking tot de aftrek van de eigenwoningrente weloverwogen een tegengesteld standpunt had ingenomen. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
Aftrek eigenwoningrente
5.4.
Voor zover belanghebbende stelt dat hij in het onderhavige jaar de volledige (economische) eigendom van de woning bezat, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank in haar overwegingen 12 en 13 op goede gronden heeft geoordeeld dat belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daardoor is uitsluitend de rente aftrekbaar die betrekking heeft op het deel van de eigen woning waarvan belanghebbende eigenaar is (50%). Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.
Slotsom
5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.