De Heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning vast op €776.000 voor 2023, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de Rechtbank. De Rechtbank stelde de waarde bij op €500.000 en kende proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende. De Heffingsambtenaar ging in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, stellende dat artikel 30a Wet WOZ van toepassing is en de vergoeding dus lager moet zijn.
Het Hof oordeelt dat de Rechtbank niet heeft beoordeeld of artikel 30a Wet WOZ van toepassing is. Dit artikel beperkt de proceskostenvergoeding in WOZ-procedures, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Het Hof onderzoekt het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende, die beweert niet meer op no cure no pay-basis te werken. Uit de stukken blijkt echter onvoldoende bewijs dat het bedrijfsmodel niet voldoet aan de kenmerken van een niet-bijzonder geval.
Daarom is artikel 30a Wet WOZ van toepassing en moet de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase worden verminderd tot €437,50. De totale vergoeding voor bezwaar en beroep wordt vastgesteld op €1.813,76. Het Hof vernietigt het deel van de uitspraak van de Rechtbank over de proceskostenvergoeding en bevestigt de rest van de uitspraak.