De Heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning vast en legde aanslagen op, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, verlaagde de waarde en kende proceskostenvergoeding toe zonder toepassing van artikel 30a Wet WOZ.
De Heffingsambtenaar ging in hoger beroep tegen de proceskostenvergoeding, stellende dat artikel 30a Wet WOZ van toepassing is en dat belanghebbende geen bijzonder geval is. Belanghebbende voerde aan dat hij niet meer op no cure no pay-basis werkt en dat het bedrijfsmodel niet aan de criteria van het arrest van 17 januari 2025 voldoet.
Het Hof oordeelde dat de rechtbank niet had beoordeeld of artikel 30a Wet WOZ van toepassing is. Uit de stukken bleek onvoldoende dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet voldoet aan de kenmerken van een bijzonder geval. Daarom is artikel 30a Wet WOZ van toepassing en moet de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase worden beperkt tot 25% van het forfaitaire bedrag.
Het Hof vernietigt het deel van de uitspraak over de proceskostenvergoeding, stelt de vergoeding vast op € 1.813,76 en bevestigt de rest van de uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.