ECLI:NL:GHDHA:2026:2169
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- P.C. van den Brink
- R.A. Bosman
- M.J.M. van der Weijden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag wegens regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij verkapte dividenduitkering
Belanghebbende, enig bestuurder en aandeelhouder van Holding BV, ontving in 2019 een bedrag van €116.324 via een uitkering van Uitzendbureau BV, een werkmaatschappij van Holding BV. Deze uitkering werd door het hof aangemerkt als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, omdat sprake was van een vermogensverschuiving met bevoordelingsbedoeling.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de uitkering niet onbelast kon zijn omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 4.13 Wet IB 2001, waaronder een voorafgaand besluit van de algemene vergadering en een statutenwijziging. Latere herstelacties in 2023, waaronder statutenwijzigingen en terugbetalingen, konden het fiscale gevolg van de uitkering in 2019 niet ongedaan maken. Het beroep op dwaling werd verworpen omdat fiscale terugwerkende kracht van civielrechtelijke vernietiging ontbreekt.
Het hof bevestigde dat Holding BV en belanghebbende zich bewust waren van de vermogensverschuiving en bevoordelingsbedoeling. De navorderingsaanslag en de daarbij berekende belastingrente zijn terecht opgelegd. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 wegens regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van €116.324.