ECLI:NL:GHDHA:2026:2169

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/842
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.12 Wet IB 2001Art. 4.13 Wet IB 2001Art. 6:228 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging navorderingsaanslag wegens regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij verkapte dividenduitkering

Belanghebbende, enig bestuurder en aandeelhouder van Holding BV, ontving in 2019 een bedrag van €116.324 via een uitkering van Uitzendbureau BV, een werkmaatschappij van Holding BV. Deze uitkering werd door het hof aangemerkt als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, omdat sprake was van een vermogensverschuiving met bevoordelingsbedoeling.

De rechtbank had eerder geoordeeld dat de uitkering niet onbelast kon zijn omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 4.13 Wet IB 2001, waaronder een voorafgaand besluit van de algemene vergadering en een statutenwijziging. Latere herstelacties in 2023, waaronder statutenwijzigingen en terugbetalingen, konden het fiscale gevolg van de uitkering in 2019 niet ongedaan maken. Het beroep op dwaling werd verworpen omdat fiscale terugwerkende kracht van civielrechtelijke vernietiging ontbreekt.

Het hof bevestigde dat Holding BV en belanghebbende zich bewust waren van de vermogensverschuiving en bevoordelingsbedoeling. De navorderingsaanslag en de daarbij berekende belastingrente zijn terecht opgelegd. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 wegens regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van €116.324.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/842

Uitspraak van 30 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: T. Ramdajal)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 november 2025, nummer SGR 24/8848.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 198.153. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 2.159 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de navorderingsaanslag gemaakte bezwaar afgewezen en de navorderingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 29 mei 2026 een nader stuk ingediend en op 8 juni 2026 een pleitnota ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is enig bestuurder en aandeelhouder van [A B.V.] (Holding BV). Holding BV is enig bestuurder en aandeelhouder van [B B.V.] (Uitzendbureau BV). Beide vennootschappen zijn opgericht op [datum] 2009. Bij de oprichting van Holding BV heeft belanghebbende de onderneming ingebracht die voordien door hem als eenmanszaak werd gedreven. De waarde van die onderneming is daarbij voor een deel als agio geboekt volgens de akte van inbreng. Vervolgens heeft Holding BV de onderneming ingebracht in Uitzendbureau BV. De waarde van die onderneming is daarbij voor een deel als agio geboekt volgens de akte van inbreng.
2.2.
Op 14 oktober 2019 heeft een buitengewone vergadering van aandeelhouders van Holding BV plaatsgevonden. De notulen van deze vergadering vermelden, voor zover hier relevant:
“De voorzitter stelt aan de orde het voorstel om dividend uit te keren goed uit agio reserve van de werkmaatschappij [Uitzendbureau BV], waarvan [Holding BV] alle aandelen in bezit heeft, ten bedrage van € 116.324 per 14 oktober 2019.
Deze voorstellen worden (na zorgvuldige beraadslaging) met algemene stemmen aangenomen en de vergadering verleent de directie last en volmacht om al hetgeen voor uitvoering daarvan nodig is te verrichten.”
2.3.
Op dezelfde dag, 14 oktober 2019, heeft Uitzendbureau BV aangifte dividendbelasting gedaan. In de aangifte is vermeld dat zij dividend heeft uitgekeerd uit de agioreserve ten bedrage van € 116.324. De vraag in het aangifteformulier “Keert de vennootschap dividend uit waarop geen dividendbelasting hoeft te worden ingehouden?” heeft zij beantwoord door het vakje “ja” aan te kruisen.
2.4.
Uitzendbureau BV heeft het bedrag van € 116.324 rechtstreeks aan belanghebbende overgemaakt.
2.5.
Belanghebbende heeft op 25 maart 2020 aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan naar een verzamelinkomen van € 81.829, opgebouwd uit inkomen werk en woning van € 69.426 en inkomen uit sparen en beleggen van € 12.403.
2.6.
De Inspecteur heeft met dagtekening van 12 maart 2021 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 conform de aangifte van belanghebbende opgelegd.
2.7.
Belanghebbende heeft op 16 mei 2022 een herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan, naar een verzamelinkomen van € 198.153. In de herziene aangifte heeft belanghebbende ook € 116.324 als inkomsten uit aanmerkelijk belang verantwoord.
2.8.
De Inspecteur heeft met dagtekening 21 januari 2023 de navorderingsaanslag conform de herziene aangifte opgelegd.
2.9.
Belanghebbende heeft op 13 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. De motivering luidt, voor zover hier relevant:
“1. In de aangifte is aangegeven een bedrag ter hoogte van € 116.324,- als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Deze inkomsten hebben betrekking op een terugbetaling van kapitaal, afkomstig van de eerdere omzetting van eenmanszaak naar B.V. (Agio reserve). Alvorens de uitkering heeft plaats gevonden is het bedrag ten eerste omgezet van agioreserve naar kapitaal middels notariële akte, waarvan akte 1.
2. Hiernaast is er schriftelijk vastgesteld de nominale waarde van de aandelen te verlagen, dit is aangehouden na goedkeuring algemene vergadering van aandeelhouders. Zie notulen aandeelhoudersvergadering, waarvan akte 2.
3. Wij hebben op 14 oktober 2019 dividendbelasting aangifte gedaan waar ook op te maken is dat, dividend is uitgekeerd uit de agioreserve, waarvan akte 3.”
De aktes 1 en 2 waarnaar wordt verwezen zijn niet bijgevoegd.
2.10.
Uitzendbureau BV heeft op 8 mei 2023 een herziene aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2019 ingediend. De aangifte vermeldt een vordering van € 116.324. Het fiscaal ondernemingsvermogen bestaat volgens de aangifte per einde boekjaar uit gestort en opgevraagd kapitaal (€ 18.000), agio (€ 116.325) en winstreserves
(€ 111.215).
2.11.
Belanghebbende heeft op dezelfde datum, 8 mei 2023, opnieuw een herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 ingediend. De aangifte vermeldt geen voordeel uit aanmerkelijk belang, maar een schuld met als omschrijving “Lening [B B.V.] ” van € 116.324.
2.12.
Op 12 juni 2023 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders van Uitzendbureau BV plaatsgevonden. De notulen van deze vergadering vermelden:

“ Statutenwijziging I. Omzetten agio in kapitaal

(…)
Teneinde een bedrag aan agio ten bedrage van één honderd zestien duizend drie honderd vier en twintig euro (€ 116.324,00) om te zetten in aandelenkapitaal en vervolgens te kunnen uitkeren aan de aandeelhouder zal de nominale waarde van de één honderd tachtig (180) geplaatste en volgestorte aandelen, genummerd 1 tot en met 180, elk aandeel thans nominaal groot één honderd euro (€ 100,00) worden verhoogd tot zeven honderd zes en veertig euro en twintig cent (€ 746,20) per aandeel. Ten gevolge van de verhoging van de nominale waarde per aandeel ontstaat er een bijstortingsverplichting ten bedrage van één honderd zestien duizend drie honderd vier en twintig euro (€ 116.324,00). Aan deze bijstortingsverplichting zal worden voldaan door voormeld bedrag te verrekenen (om te zetten) met casu quo ten laste worden gebracht van de agioreserve.
De voorzitter brengt het voorstel in stemming en constateert dat het voorstel met algemene stemmen is aangenomen.
De voorzitter stelt aan de orde het agendapunt:

Statutenwijziging II. Kapitaalvermindering middels wijziging nominale waarde.

(…)
De voorzitter deelt mede, dat het voorstel tot statutenwijziging mede inhoudt de vermindering van het geplaatste kapitaal van de vennootschap met een bedrag groot één honderd zestien duizend drie honderd vier en twintig euro (€ 116.324,00) door evenredige terugbetaling op het nominale bedrag van alle aandelen en vermindering van de nominale waarde per aandeel naar één honderd euro (€ 100,00).
De voorzitter brengt het voorstel in stemming en constateert dat het voorstel met algemene stemmen is aangenomen.
(…)

Uitkering en cessie

De voorzitter meldt dat de vennootschap een vordering heeft op [belanghebbende] uit hoofde van een geldlening, per 31 december 2022 een hoofdsom groot één honderd zestien duizend drie honderd vier en twintig euro (€ 116.324,00), hierna te noemen: de “Vordering”.
De voorzitter licht het voorstel toe tot het doen van een tussentijdse uitkering van de aandeelhouder, te voldoen in natura, door overdracht van de Vordering, met inbegrip van de tot heden nog niet betaalde rente. De aandeelhouder wenst ook de rechtsverhouding met [belanghebbende] over te nemen van de vennootschap.
De voorzitter brengt het voorstel in stemming en constateert dat het voorstel met algemene stemmen is aangenomen.”
2.13.
Op 12 juni 2023 heeft ook een algemene vergadering van aandeelhouders van Holding BV plaatsgevonden. De notulen van deze vergadering vermelden:
“De vennootschap heeft een vordering op [belanghebbende] één honderd zestien duizend drie honderd vier en twintig euro (€ 116.324,00) uit hoofde van een rekening-courant verhouding, hierna te noemen: “De RC Vordering”.
Het voorstel houdt in een uitkering van een dividend van één honderd zestien duizend drie honderd vier en twintig euro (€ 116.324,00), hierna te noemen: “de Dividenduitkering”.
[Belanghebbende] heeft dientengevolge een vordering op de vennootschap van één honderd zestien duizend drie honderd vier en twintig euro (€ 116.324,00) uit hoofde van een niet uitgekeerde dividenduitkering, hierna te noemen: “de Vordering [belanghebbende]”.
Het voorstel is dat de RC Vordering zal worden verrekend met de Vordering [belanghebbende], zodat beide vorderingen tot hun gezamenlijke beloop teniet gaan.
De Dividenduitkering zal plaatsvinden nadat deze door het bestuur is goedgekeurd.
De voorzitter brengt het voorstel in stemming en constateert dat het voorstel met algemene stemmen is aangenomen.”
2.14.
Op 15 juni 2023 zijn notariële akten gepasseerd waarbij, onder andere, de statuten van Uitzendbureau BV conform de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van 12 juni 2023 zijn gewijzigd.
2.15.
In augustus 2023 heeft belanghebbende € 116.324 overgemaakt naar de bankrekening van Uitzendbureau BV.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Ten gronde
17. Krachtens artikel 4.12, onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden als reguliere voordelen tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend:
“de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen.”
Op grond van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 behoort mede tot de reguliere voordelen:
“de teruggaaf van wat op aandelen in gestort, waarbij een teruggaaf geen regulier voordeel vormt voorzover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen en tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd.”
18. Eiser stelt zich op het standpunt dat het door hem van Uitzendbureau ontvangen bedrag van € 116.324 als teruggaaf van nominaal aandelenkapitaal niet tot de reguliere voordelen behoort. Hij stelt daartoe dat het in 2019 de bedoeling was dat € 116.324 aan kapitaal zou worden teruggegeven zonder dat over dat bedrag belasting verschuldigd zou zijn, maar dat toen over het hoofd is gezien dat daarvoor nodig was om eerst agio om te zetten in nominaal kapitaal. Toen dit besef was doorgedrongen, is de uitdeling teruggedraaid door tot het bedrag van € 116.324 een rekening-courantschuld van eiser aan Uitzendbureau in aanmerking te nemen. Vervolgens is op 12 en 15 juni 2023 alsnog gedaan wat nodig is om tot een onbelaste terugbetaling van kapitaal te geraken. Eiser beroept zich in dit verband op dwaling in de zin van artikel 6:228 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
19. Het standpunt van verweerder is dat het beroep op dwaling niet opgaat, al niet omdat artikel 6:228 BW Pro alleen geldt ten aanzien van overeenkomsten, en voorts omdat de terugwerkende kracht die vernietiging uit hoofde van dwaling civielrechtelijk heeft fiscaalrechtelijk niet wordt gevolgd. Verder kunnen de handelingen van juni 2023 naar zijn mening sowieso al niet tot het door eiser bepleitte resultaat voeren, namelijk omdat daarmee een kapitaalteruggave tot stand is gebracht door Uitzendbureau aan haar aandeelhoudster (Holding), maar niet door Holding aan háár aandeelhouder (eiser): zij heeft blijkens de notulen van 12 juni 2023 besloten tot een dividenduitkering aan eiser.
20. De rechtbank begint haar beoordeling van het geschil met de constatering dat vanuit vennootschapsrechtelijk perspectief niet een rechtsgeldig besluit ten grondslag ligt aan de betaling door Uitzendbureau aan eiser in 2019. Blijkens de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van 14 oktober 2019 van Holding heeft dit orgaan willen besluiten tot uitkering van dividend door Uitzendbureau uit haar agioreserve. Daar kan dat orgaan niet toe besluiten: dat is aan de vergadering van aandeelhouders van Uitzendbureau. Het beroep van eiser op dwaling treft dan ook al geen doel om de reden dat het besluit van 14 oktober 2019 niet rechtsgeldig is en er derhalve geen rechtshandeling is die uit hoofde van dwaling te vernietigen zou zijn.
21. Of voor de toepassing van het belastingrecht sprake is van een voordeel uit aandelen, hangt niet ervan af of vennootschapsrechtelijk bezien een dividenduitkering tot stand is gekomen. Van een voordeel getrokken uit aandelen, in de zin van 4.12, onderdeel a, van de Wet IB 2001, is namelijk steeds sprake ingeval een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen.[4] Blijkens het aandeelhoudersbesluit van Holding van 19 oktober 2019 waren zowel Holding als eiser zich bewust van een vermogensverschuiving naar eiser met die strekking. De betaling door Uitzendbureau in 2019 moet daarmee worden geduid als een uitdeling door Holding aan eiser.
22. Het belastbare feit dat zich met die uitdeling in 2019 heeft voorgedaan, kan niet ongedaan worden gemaakt door haar in een later jaar terug te draaien. Dat heeft zijn fiscale consequenties in dat latere jaar (negatieve inkomsten ingeval een verplichting tot terugbetaling bestaat[5] en informele kapitaalstorting buiten dat geval). Dit is niet anders bij terugdraaien ten vervolge op een beroep op dwaling.[6]
23. Bovendien is de uitdeling niet teruggedraaid. Eiser heeft het bedrag van de uitdeling niet terugbetaald en de rechtbank acht ook niet aannemelijk dat op enig moment de bedoeling bestond dat hij dat zou doen. Weliswaar is het bedrag van de uitdeling op enig moment als schuld van eiser aan Uitzendbureau geboekt, maar dat was niet meer dan een van de stappen die zijn gezet om een vennootschapsrechtelijk correcte besluitvorming aan de betaling ten grondslag te leggen. De schuldigerkenning door eiser en de besluitvorming van 12 juni 2023 zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook zonder fiscale consequenties.
24. De rechtbank beoordeelt, kortom, de betaling door Uitzendbureau in 2019 van € 116.324 aan eiser als opbrengst uit zijn aandelen in Holding en is van oordeel dat de handelingen die daarop zijn gevolgd dat niet anders kunnen maken. Het gelijk is daarmee aan verweerder.
(…)
[4] HR 18 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0777, BNB 1959/124, en HR 13 januari 2023, ECLI:HR:NL:2023:26.
[5] HR 20 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:BH7123.
[6] HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:1.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is de vraag of de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende in 2019 een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 116.324 heeft genoten.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag, en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Vooraf
5.1.
Op 20 april 2026 heeft de Inspecteur het Hof bericht dat hij wegens conflicterende agenda-afspraken verhinderd is op de zittingsdatum van 9 juni 2026 te verschijnen. Hij heeft het Hof daarom verzocht een andere, latere, zittingsdatum te bepalen. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen omdat de Inspecteur geen gewichtige redenen voor uitstel van de zitting heeft aangevoerd en hij bovendien in staat moet worden geacht op een dergelijke termijn vervanging te kunnen organiseren.
Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang
5.2.
Artikel 4.12, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) luidt:
“Inkomen uit aanmerkelijk belang is het gezamenlijke bedrag van:
a. de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten (…).”
5.3.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende in 2019 een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 116.324 genoten. Het Hof legt dat hierna uit.
5.4.
Uit de notulen van de buitengewone vergadering van aandeelhouders van Holding BV van 14 oktober 2019 (zie 2.2) en de aangifte dividendbelasting van Uitzendbureau BV (zie 2.3) blijkt dat Uitzendbureau BV in 2019 een uitkering van € 116.324 aan Holding BV heeft gedaan. Belanghebbende trad in die vergadering op als notulist en voorzitter van de vergadering en hij heeft de aangifte dividendbelasting ondertekend. Uit de directe betaling van € 116.324 aan belanghebbende (zie 2.4) volgt dat Holding BV dit bedrag, waarop zij als enig aandeelhouder van Uitzendbureau BV recht had, heeft laten toekomen aan haar enig aandeelhouder, belanghebbende.
5.5.
Een dergelijke ‘verkapte’ uitdeling door Holding BV aan belanghebbende is onder omstandigheden belast als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang als deze kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst. Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar belanghebbende is geschied met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel Holding BV als belanghebbende zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling (vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.4.4).
5.6.
In onderhavig geval is sprake van een vermogensverschuiving naar belanghebbende met een bevoordelingsbedoeling omdat Holding BV de uitkering van Uitzendbureau BV waarop zij recht had, rechtstreeks aan belanghebbende heeft laten toekomen. Gelet op voornoemde notulen van de buitengewone vergadering van aandeelhouders van Holding BV en de daaropvolgende uitkering aan belanghebbende, waren zowel Holding BV als belanghebbende zich bewust van zowel de vermogensverschuiving als de bevoordelingsbedoeling, dan wel moeten zij zich hiervan bewust geweest zijn. Steun voor dit oordeel kan ook gevonden worden in het feit dat belanghebbende op 16 mei 2022 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 heeft ingediend waarin het bedrag van € 116.324 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang is aangegeven. Tot slot staat tussen partijen niet ter discussie dat Holding BV geen andere activiteiten ontplooide dan het houden van de aandelen in Uitzendbureau BV, dat Uitzendbureau BV winstgevend was en een winstreserve had die per einde boekjaar 2019 was toegenomen van € 33.102 tot € 111.215. Dit betekent dat aan alle voorwaarden voor een belaste uitdeling door Holding BV is voldaan.
5.7.
Hetgeen belanghebbende hier tegenin brengt, doet niet hieraan af. Belanghebbende betoogt allereerst dat het in 2019 de bedoeling was om aan hem een onbelaste uitkering uit de agioreserve te doen toekomen. Artikel 4.13, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 stelt als voorwaarde voor een onbelaste uitkering dat vóór een dergelijke uitkering (i) de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze uitkering heeft besloten en (ii) de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd. Nu niet ter discussie staat dat Holding BV in 2019 geen uitkering uit haar agioreserve heeft gedaan waarbij genoemde voorwaarden (i) en (ii) vóór de uitkering waren vervuld, kan dit betoog belanghebbende niet baten. Voor zover belanghebbende heeft beoogd in 2023 (alsnog) de voorwaarden van artikel 4.13, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 te vervullen, geldt dat dit zowel in het verkeerde jaar (2023 in plaats van 2019) als op het verkeerde niveau (Uitzendbureau BV in plaats van Holding BV) is geschied.
5.8.
Het beroep op dwaling van belanghebbende kan hem evenmin baten, reeds omdat aan de vernietiging van een overeenkomst weliswaar civielrechtelijk terugwerkende kracht toekomt, maar deze terugwerkende kracht niet geldt voor fiscale doeleinden (HR 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3323, en HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:1).
Belastingrente
5.9.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.10.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, R.A. Bosman en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra P.C. van den Brink
De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.