Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:198

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.358.459/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668a lid 2 BWHR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens werkweigering niet rechtsgeldig verklaard

De werkgever, Eterij en Tapperij Rover B.V., heeft de werkneemster op staande voet ontslagen wegens weigering een bestelling uit te voeren. De werkneemster had zich direct ziekgemeld na het weigeren van de opdracht. De centrale vraag was of er een dringende reden bestond voor het ontslag en of Rover als opvolgend werkgever kon worden beschouwd.

Het hof stelde vast dat de verstoorde relatie tussen de werkneemster en de eigenaar leidde tot afspraken over communicatie, maar dat de weigering van de werkneemster om de bestelling uit te voeren niet gerechtvaardigd was. Desondanks oordeelde het hof dat de omstandigheden onvoldoende waren voor een ontslag op staande voet, mede omdat de werkgever geen minder ingrijpende maatregelen had genomen en de werksfeer verziekt was.

Verder werd geoordeeld dat Rover niet als opvolgend werkgever in de zin van art. 7:668a lid 2 BW kon worden aangemerkt, omdat er geen relevante band tussen de oude en nieuwe werkgever bestond. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de kantonrechter, waarbij de werkgever werd veroordeeld tot betaling van diverse vergoedingen aan de werkneemster en de kostenveroordelingen werden bevestigd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens werkweigering is onterecht verklaard en de eerdere beschikking tot betaling van vergoedingen aan de werkneemster is bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.358.459/01
Zaaknummer rechtbank : 11567284 VZ VERZ 25-1190
Beschikking van 24 februari 2026
in de zaak van
Eterij en Tapperij Rover B.V.,
gevestigd in Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.C.V. Dornstedt, kantoorhoudende in Hellevoetsluis,
tegen:
[verweerster],
wonend in [woonplaats],
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D. van den Bergh-Beck, kantoorhoudende in Den Haag.
Het hof zal partijen hierna Rover en [verweerster] noemen.

1.De zaak in het kort

De werkgever heeft werkneemster op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Centraal staat de beantwoording van de vraag of dit ontslag rechtsgeldig is of dat een dringende reden voor ontslag ontbreekt. Verder is aan de orde of de werkgever kan worden beschouwd als een opvolgend werkgever in de zin van art. 7:668a lid 2 BW.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift in hoger beroep, ingekomen op de griffie van het hof op 25 augustus 2025, waarmee Rover in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2025, met bijlagen;
  • het verweerschrift in hoger beroep van [verweerster], tevens verzoekschrift in incidenteel hoger beroep, met bijlagen;
  • het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van Rover, met bijlagen.
2.2
Op 6 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten (mr. Dornstedt voor Rover en mrs. Van den Bergh-Beck en P.C.M. Leermakers voor [verweerster]) hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feiten

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
Rover exploiteert sinds 2023 een cafetaria, bestaande uit een snackbar en een café. [eigenaar] is enig aandeelhouder en bestuurder van Rover. Hij wordt bijgestaan door zijn vader, [vader eigenaar].
[verweerster] is op 1 mei 2023 bij Rover in dienst getreden als horecamedewerkster voor de snackbar. Zij werkte 15 uur per week tegen een salaris van € 1.454,32 bruto per maand.
De samenwerking tussen [verweerster] en [eigenaar] verliep moeizaam. Er is daarom op enig moment mondeling afgesproken dat [verweerster] alleen nog met [vader eigenaar] zou communiceren en niet meer met [eigenaar]. [eigenaar] zou geen contact opnemen met [verweerster].
Op vrijdag 17 januari 2025 is er door [eigenaar] namens de onderneming van [vader eigenaar] telefonisch een bestelling (10 patat, 10 frikadellen en 10 broodjes kroket) bij de snackbar geplaatst, die is aangenomen door een collega van [verweerster]. De bestelling zou eind van de middag worden opgehaald door [eigenaar]. De collega heeft de bestelling doorgegeven aan [verweerster].
[verweerster] heeft geweigerd de bestelling te verwerken. [vader eigenaar] heeft hierop telefonisch contact opgenomen en heeft haar laten weten dat zij de bestelling moest uitvoeren. Direct daarop, om 16.39 uur, heeft [verweerster] zich via WhatsApp ziekgemeld bij [vader eigenaar].
[vader eigenaar] heeft om 16.43 uur via WhatsApp geantwoord:
“[verweerster] je krijgt een bestelling van [eigenaar] voor een vergadering bij mij op kantoor. Jij besluit is om deze niet uit te voeren wat betekent dat je werk weigert. Ik heb jou ook gevraagd deze bestelling uitbrengen voeren wat jij niet wil. Bij deze geef ik je de mogelijkheid om dit werk weer op te pakken, en niet ziek te melden zoals jij doet. Ben jij niet binnen 30 minuten aan het werk dan is dit de aanzegging voor ontslag op staande voet wegens werk weigering.”
Om 17.06 uur heeft [verweerster] als volgt gereageerd:
“Ik heb me eerder ziek gemeld dan dat jij met dit bericht komt dus dat geldt dan niet. Maandag ga ik contact opnemen met de arbo die hier vanaf weet en ik neem contact op met mijn rechtsbijstand.”
Diezelfde dag om 17.07 uur heeft [vader eigenaar] [verweerster] per e-mail op staande voet ontslagen. De e-mail luidt als volgt:
“Afgelopen middag, 17 januari 2025 omstreeks 16.45 uur, heeft u een bestelling ontvangen voor ca 10 patat, 10 frikandellen en 10 broodjes kroket. Deze bestelling is geplaatst door de eigenaar van Eterij Tapperij Rover waarop u heeft aangegeven deze bestelling niet te willen uitvoeren. Sterker nog, uw collega [collega] liet weten dat u deze bestelling niet ging bakken en dat het beter was deze bij de Plaza te regelen.
Ik heb nog per telefoon getracht dit met u te regelen en u op andere gedachte te brengen, echter u bent per direct van het werk vertrokken. Dit is werkweigering! Gezien het bovenstaande rest ons niet anders dan u ontslag op staande voet aan te zeggen vanwege het niet uitvoeren van opdrachten.”
3.2
In deze procedure heeft [verweerster] zich erop beroepen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat een dringende reden voor dat ontslag ontbreekt. Zij heeft zich bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst neergelegd. [verweerster] verzoekt om Rover te veroordelen tot (voor zover van belang):
  • betaling van € 18.848,- bruto aan billijke vergoeding;
  • betaling van € 7.067,88 bruto aan gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.
  • betaling van € 1.092,18 bruto aan transitievergoeding;
  • betaling van vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen.
3.3
Rover heeft de verzoeken van [verweerster] bestreden. Zij is van mening dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat dit ontslag onterecht is, heeft Rover verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning aan [verweerster] van een transitievergoeding van € 961,29 bruto.
3.4
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven. Rover is veroordeeld tot betaling van € 3.926,66 bruto aan billijke vergoeding, € 961,29 bruto aan transitievergoeding, € 2.330,67 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, € 908,32 bruto aan vakantietoeslag en € 2.266,24 aan openstaande vakantiedagen, met veroordeling van Rover in de proceskosten. Het meer of anders verzochte heeft de kantonrechter afgewezen.

4.Beoordeling in hoger beroep

4.1
Rover heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat het ontslag op staande voet terecht en rechtsgeldig is verleend, met veroordeling van [verweerster] tot terugbetaling aan Rover van de bedragen die Rover op grond van de bestreden beschikking aan [verweerster] heeft voldaan. Verder heeft Rover verzocht om [verweerster] te veroordelen tot betaling van € 29.000,- aan juridische kosten die Rover heeft moeten maken. Tot slot – naar het hof begrijpt: subsidiair – heeft Rover verzocht om [verweerster] te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 439,53 bruto voor te veel uitbetaalde vakantie-uren.
4.2
[verweerster] heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. In incidenteel appel heeft zij verzocht om de bestreden beschikking deels te vernietigen, voor zover daarbij een bedrag van € 2.330,67 bruto aan gefixeerde schadevergoeding en een bedrag van € 961,29 aan transitievergoeding is toegekend. In plaats daarvan heeft [verweerster] het hof verzocht om een bedrag van € 7.068,02 bruto aan gefixeerde schadevergoeding toe te wijzen en een bedrag van € 1.092,18 bruto aan transitievergoeding.
Principaal appel
4.3
Met de grieven 1 en 2 in principaal appel betoogt Rover dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Ten eerste is Rover van mening dat [verweerster] zich ten onrechte ziek heeft gemeld. Er was sprake van werkweigering en toen [verweerster] hierop werd aangesproken is zij gevlucht in een ziekmelding. Ten tweede is Rover van mening dat [verweerster] niet had mogen weigeren om de bestelling uit te voeren. Van noemenswaardig contact met [eigenaar] hoefde geen sprake te zijn; [eigenaar] kwam de bestelling slechts ophalen. Er bestond weliswaar een afspraak dat [verweerster] en [eigenaar] geen contact zouden onderhouden, maar daaronder viel niet het afgeven van een bestelling, aldus Rover.
4.4
Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling of zich een dringende reden heeft voorgedaan, moeten volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle omstandigheden van het individuele geval in onderling verband en samenhang worden betrokken, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, voor zover door partijen gesteld (bijvoorbeeld. HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849). In deze zaak acht het hof de volgende omstandigheden van belang.
4.5
Duidelijk is dat de contacten tussen [verweerster] en [eigenaar] ernstig verstoord waren en dat om die reden is afgesproken dat [verweerster] alleen nog met [vader eigenaar] zou communiceren en niet meer met [eigenaar]. Het hof acht [verweerster] weigering om, zonder enig overleg, de bestelling te verwerken niet goed te begrijpen, ook niet tegen de achtergrond van deze afspraak. Voor het bereiden en klaarzetten van de bestelling hoefde zij immers geen bemoeienis met [eigenaar] te hebben. [verweerster] had ervoor kunnen kiezen om de bestelling door iemands anders aan [eigenaar] te laten afgeven zodat zij geen contact met [eigenaar] hoefde te hebben. Dit heeft zij nagelaten en dat valt haar te verwijten.
4.6
Het hof is tegelijkertijd van oordeel dat de handelwijze van [verweerster] onvoldoende is om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.7
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [vader eigenaar] uiteengezet dat hij op 17 januari 2025 in vergadering zat en de vergadering heeft verlaten om [verweerster] telefonisch te woord te staan. Hij heeft toegelicht dat hij op vrij luide toon (vanwege achtergrondgeluid) heeft gesproken en [verweerster] in duidelijke bewoordingen te kennen heeft gegeven dat hij van haar verwachtte dat zij de bestelling zou afronden. Niet gesteld of gebleken is dat [vader eigenaar] aan [verweerster] heeft gevraagd waarom zij de bestelling geweigerd had, met haar over een mogelijke oplossing heeft willen spreken dan wel dat hij haar expliciet gewaarschuwd heeft voor de consequenties van het weigeren van de bestelling. [verweerster] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat haar verstandhouding met [vader eigenaar] vóór het telefoongesprek van 17 januari 2025 normaal was, maar dat hij tijdens dat telefoongesprek tegen haar heeft geschreeuwd en geen begrip heeft getoond voor haar situatie. Dit is volgens haar de reden geweest om zich per direct ziek te melden.
4.8
Het hof stelt vast dat de weigerachtige opstelling van [verweerster] voortkwam uit de ernstig verstoorde verhouding tussen haar en [eigenaar]. Dit heeft zelfs tot de afspraak geleid om alle communicatie uitsluitend via [vader eigenaar] te laten plaatsvinden, hoewel [eigenaar] (via zijn vennootschap) de werkgever van [verweerster] was. Een dergelijke afspraak duidt op een verziekte werksfeer tussen werkgever en werkneemster waarin er maar weinig hoeft te gebeuren om tot een uitbarsting te komen. De afspraak is niet schriftelijk vastgelegd en het is niet gebleken dat tussen partijen duidelijk is besproken wat de wederzijdse verwachtingen waren bijvoorbeeld in de situatie dat [eigenaar] aan [verweerster] – in zijn hoedanigheid van haar werkgever en leidinggevende – een zekere instructie zou willen geven. Het telefoontje van [vader eigenaar] heeft er uiteindelijk toe geleid dat de werksfeer nog verder verslechterde. Onder die omstandigheden kan aan [verweerster] geen ernstig verwijt worden gemaakt dat zij haar werkzaamheden heeft neergelegd, zelfs als zou moeten worden aangenomen dat haar ziekmelding onterecht was
4.9
In de gegeven omstandigheden had het op de weg van Rover gelegen om voor een minder vergaande maatregel te kiezen dan een ontslag op staande voet. Zo had Rover er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om [verweerster] een waarschuwing te geven voor het weigeren van een (in haar ogen) redelijke instructie. Ook had Rover de bedrijfsarts kunnen laten controleren of [verweerster] zich, zoals Rover vermoedde, onterecht had ziekgemeld. Aldus is geen sprake van een geldige dringende reden voor ontslag op staande voet. De grieven 1 en 2 in principaal appel zijn dus ongegrond.
4.1
Rover heeft verder nog een bedrag van € 29.000,- gevorderd aan juridische kosten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Rover te kennen gegeven dat deze vordering is gebaseerd op misbruik van (proces)recht. Rover heeft deze stelling niet concreet onderbouwd, afgezien van het argument dat [verweerster] het ontslag op staande voet ten onrechte zou hebben aangevochten. Uit het voorafgaande volgt dat dit argument niet opgaat.
4.11
Met grief 3 klaagt Rover dat zij aan [verweerster] 19,16 uur te veel aan vakantiedagen heeft uitbetaald. In haar memorie van grieven stelt Rover dat dit uit het overgelegde overzicht van opgenomen vakantiedagen blijkt. Rover heeft die stelling onvoldoende toegelicht, zeker nu de juistheid van haar stelling niet blijkt uit dat overzicht. Desgevraagd heeft zij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat het zou gaan om bovenwettelijke vakantie-uren die zouden zijn verjaard, maar die (blote) stelling vindt geen grondslag in de stukken. Ook deze grief is dus ongegrond.
Incidenteel appel
4.12
In incidenteel appel heeft [verweerster] aangevoerd dat Rover moet worden beschouwd als opvolgend werkgever in de zin van art. 7:668a lid 2 BW. Dit heeft volgens [verweerster] gevolgen voor de omvang van de gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding.
4.13
Voor de beoordeling van de grief is het volgende van belang.
  • [verweerster] is in 2008 in dienst getreden bij Café Ververs. Dat café was gevestigd op dezelfde locatie als waar de cafetaria van Rover is gevestigd. Ook café Ververs bestond uit een snackbar en een café. [verweerster] verrichtte bij café Ververs, naar eigen zeggen, dezelfde soort werkzaamheden als bij Rover.
  • Rond oktober 2022 is de toenmalige werkgever van [verweerster] plotseling overleden. Café Ververs is kort daarop gesloten. [verweerster] is door de erfgenamen van haar toenmalige werkgever doorbetaald tot en met april 2023 onder vrijstelling van werk. Bij de laatste salarisuitbetaling heeft [verweerster] een transitievergoeding ontvangen.
  • De toenmalige werkgever van [verweerster] huurde het pand waarin café Ververs werd geëxploiteerd. De eigenaren van het pand hebben het pand na het overlijden van de toenmalige werkgever van [verweerster] te koop gezet. Rover heeft het pand op 2 februari 2023 van de eigenaren gekocht, inclusief een deel van de inboedel.
  • Begin februari 2023 heeft Rover contact opgenomen met [verweerster] om te polsen of zij interesse had in een baan als horecamedewerkster bij Rover. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een arbeidsovereenkomst tussen Rover en [verweerster].
4.14
De arbeidsovereenkomst die [verweerster] bij Café Ververs had, telt op grond van art. 7:668a lid 2 BW mee voor de duur van de arbeidsovereenkomst met Rover indien de beide werkgevers (Café Ververs en Rover) ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Daarvan is in dit geval geen sprake. De beide werkgevers hebben/hadden een soortgelijke onderneming en zij exploiteerden hun deze onderneming (achtereenvolgens) in hetzelfde pand. Deze omstandigheden zijn onvoldoende om Rover te beschouwen als opvolger van Café Ververs in de zin van art. 7:668a lid 2 BW. Daarbij acht het hof van belang dat er geen (relevante) band bestaat of heeft bestaan tussen de beide werkgevers.
4.15
[verweerster] heeft aangevoerd dat het sinds de invoering van de WWZ in 2015 niet meer van belang is of tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever (HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603). Dit is op zichzelf juist: art. 7:668a lid 2 BW bepaalt in dit verband dat niet relevant is “of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer”. Hieruit volgt nog niet dat er geen enkele band tussen de oude en de nieuwe werkgever hoeft te bestaan. Uit art. 7:668a lid 2 BW volgt dat moet worden beoordeeld of de beide werkgevers redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn, wat impliceert dat daarvoor mede van belang is dat er enige band tussen beide werkgevers is. De wetswijziging uit 2015 leidt dan ook niet tot een ander oordeel.
4.16
De conclusie is dat ook de incidentele grief ongegrond is.
Slotsom
4.17
Zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep is ongegrond. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. Rover zal worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel. Deze kosten worden in totaal begroot op € 3.131,-, te weten: € 362,- aan griffierechten, € 2.580,- aan salaris advocaat (2 punten, tarief II), en € 189,- aan nakosten. [verweerster] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel. Deze kosten worden in totaal begroot op € 1.479.-,te weten: € 1.290,- aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) en € 189,- aan nakosten.

5.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 27 mei 2025;
  • veroordeelt Rover in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 3.131,-;
  • bepaalt dat als Rover niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de hiervoor genoemde kostenveroordeling heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Rover de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98;
  • veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Rover tot op heden begroot op € 1.479,-;
  • bepaalt dat als [verweerster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de hiervoor genoemde kostenveroordeling heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verweerster] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98;
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, H.J. van Harten en M.B. Kerkhof en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.