ECLI:NL:GHDHA:2026:1932

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
200.360.993/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorschot op schadevergoeding wegens onrechtmatige btw-heffing lachgaspatronen

NVIG Supplies B.V. vordert in kort geding een voorschot van €100.000,- op de schadevergoeding die zij stelt te hebben geleden door onrechtmatig handelen van de Belastingdienst omtrent het btw-tarief op lachgaspatronen. De voorzieningenrechter wees deze vordering af en het hof bekrachtigt dit oordeel.

De zaak betreft een langdurig geschil over het toepasselijke btw-tarief op N₂0-patronen, waarbij het hof in een eerdere bodemprocedure heeft vastgesteld dat de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld door het standpunt te handhaven dat N₂0 niet gedeeltelijk opgaat in slagroom. Hoewel de aansprakelijkheid van de Staat vaststaat, is de omvang van de schade en het causaal verband nog onderwerp van beoordeling in de bodemprocedure.

Het hof oordeelt dat NVIG onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het voorschot, mede omdat zij al een bodemprocedure is gestart waarin de schadevergoeding kan worden vastgesteld. NVIG heeft haar financiële nood onvoldoende onderbouwd en de voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat niet alle schadeposten aannemelijk zijn gemaakt. Ook de stellingen over toepassing van Unierecht en EVRM falen.

Het hoger beroep wordt afgewezen, NVIG wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om een voorschot op schadevergoeding af en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.360.993/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/690159 / KG ZA 25-822
Arrest van 23 juni 2026 in kort geding
in de zaak van
NVIG Supplies B.V.,
gevestigd in Apeldoorn,
appellante,
advocaat: mr. C.G. Mensink, kantoorhoudend in Almelo,
tegen
de Staat der Nederlanden, ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst,
waarvan de zetel is gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E. Boele van Hensbroek, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna NVIG en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
De Staat is jegens NVIG aansprakelijk voor schade die NVIG heeft geleden in verband met de toepassing van een onjuist btw-tarief voor stikstofpatronen (lachgaspartronen). In dit kort geding vordert NVIG een voorschot van € 100.000,- op de schadevergoeding.
1.2
De voorzieningenrechter heeft de vordering van NVIG afgewezen. Het hof komt tot dezelfde conclusie.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 20 oktober 2025, met producties, waarmee NVIG in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2025. In de dagvaarding zijn de grieven tegen dit vonnis opgenomen;
  • de memorie van antwoord van de Staat;
  • de akte van NVIG, met de producties 5 t/m 8;
  • de antwoordakte van de Staat.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
NVIG exploiteert verschillende webshops. Zij verkoopt onder meer consumentenartikelen en voedings- en genotsmiddelen. De bestuurder van NVIG is de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
3.2
Sinds 2008 verkoopt NVIG (online) N₂0-patronen (ook wel stikstof- of lachgaspatronen) en slagroomspuiten.
3.3
Vanaf 2012 zijn NVIG en de Belastingdienst verwikkeld geweest in een geschil over de vraag of op N₂0-patronen het gewone btw-tarief (eerst 19% en later 21%) of het lagere btw-tarief (eerst 6% en later 9%) van toepassing is. Dit verschil hangt (onder meer) af van de vraag of bij het gebruik van een slagroomspuitbus N₂0 al dan niet voor een niet verwaarloosbaar klein deel opgaat in de slagroom. De inspecteur heeft steeds het standpunt ingenomen dat N₂0 niet geheel of gedeeltelijk opgaat in slagroom. NVIG heeft de inspecteur meerdere keren gemotiveerd verzocht dit standpunt te herzien. De inspecteur heeft het standpunt gehandhaafd.
3.4
Vanaf het vierde kwartaal van 2012 heeft NVIG over N₂0-patronen steeds het lagere btw-tarief afgedragen, waarna de inspecteur aan NVIG naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes heef opgelegd. Hiertegen heeft NVIG bezwaar en beroep ingesteld.
3.5
Bij vonnis van 9 januari 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, een vordering tot ambtshalve teruggave van de te veel betaalde btw over 2009 afgewezen. Bij arrest van 11 oktober 2020 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voormeld vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. NVIG is in beide instanties veroordeeld in de proceskosten van de Staat.
3.6
Bij uitspraak van 13 mei 2019 heeft de belastingkamer van de rechtbank Gelderland naheffingsaanslagen over de omzet die verkregen was met de verkoop van N₂0-patronen in stand gelaten en de vergrijpboetes die betrekking hadden op deze patronen vernietigd.
3.7
Bij uitspraak van 1 juni 2021 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden geoordeeld dat NVIG voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een niet verwaarloosbaar klein deel van de N₂0 opgaat in de slagroom en dat daarmee is voldaan aan het criterium voor het lagere btw-tarief. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 mei 2019 vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard. Het hof heeft twee naheffingsaanslagen verminderd en de door de inspecteur opgelegde boete vernietigd.
3.8
Na deze uitspraak heeft de Belastingdienst contact gezocht met NVIG en vervolgens zijn partijen in overleg getreden over vergoeding van de schade die NVIG stelt te hebben geleden. Hierbij heeft (de toenmalige gemachtigde van) NVIG de geleden schade voorlopig begroot op (afgerond) € 2,5 miljoen en verzocht om betaling van een voorschot. Bij brief van 30 juni 2023 heeft de Belastingdienst onder meer de omvang van de schade, de causaliteit en de relativiteit betwist. Verder heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat NVIG de voor de fiscale procedure gemaakte kosten (juridische bijstand) niet (opnieuw) kan vorderen in een civiele procedure.
3.9
In oktober 2023 heeft NVIG bij de rechtbank Den Haag een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen de Staat (hierna: de bodemprocedure). Bij vonnis van 17 juli 2024 (hierna: het Vonnis) heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de Belastingdienst in de periode van 6 februari 2013 tot juni 2021 onrechtmatig heeft gehandeld jegens NVIG door bij het voorbereiden van zijn beslissingen tot het opleggen van naheffingsaanslagen en boetes het standpunt te handhaven dat N₂0 niet gedeeltelijk opgaat in opgeklopte slagroom en dat de Belastingdienst aan NVIG de schade moet vergoeden die zij als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden.
3.1
Bij brief van 28 augustus 2024 heeft NVIG aan de Staat meegedeeld dat de door haar geleden en nog te lijden schade, bestaande uit betaalde kosten en gederfde opbrengsten, ligt tussen € 15.985.665,11 en € 27.600.900,21.
3.11
Bij brief van 10 september 2024 heeft de landsadvocaat aan NVIG meegedeeld dat de Staat in beginsel aansprakelijk is voor de schade die NVIG door de onrechtmatige besluiten heeft geleden, maar dat de vergoeding van schade pas aan de orde kan zijn als zowel de schade zelf als het causaal verband tussen die schade en de vernietigde besluiten voldoende zijn onderbouwd. Hierbij heeft de advocaat opgemerkt dat de kosten voor fiscale en juridische bijstand ten behoeve van de procedures die tussen de Belastingdienst en NVIG zijn gevoerd niet voor vergoeding in aanmerking komen. Verder heeft de landsadvocaat in deze brief meegedeeld dat de Staat zich nog beraadt op een eventueel hoger beroep tegen het Vonnis.
3.12
Op 15 oktober 2024 heeft de Staat tegen het Vonnis hoger beroep ingesteld. De mondelinge behandeling van het hoger beroep staat gepland op 10 september 2026.
3.13
In dit hoger beroep heeft de Staat zich onder meer op het standpunt gesteld dat de standpuntbepaling van de inspecteur niet onrechtmatig was en dat er in principe geen grond bestaat voor de zelfstandige beoordeling van de rechtmatigheid van een standpunt.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
NVIG heeft de Staat gedagvaard en gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om aan NVIG te betalen een bedrag van € 100.000,-, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, als voorschot op de door de Staat aan NVIG te betalen schadevergoeding, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.
4.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en NVIG in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat tussen partijen niet in discussie is dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die NVIG heeft geleden als gevolg van de vernietigde besluiten (naheffingsaanslagen en boetebesluiten). Op grond van het Vonnis geldt verder dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die NVIG heeft geleden doordat de Staat in de periode van 6 februari 2013 tot juni 2021 bij het voorbereiden van zijn beslissingen tot het opleggen van naheffingsaanslagen en boetes het standpunt heeft gehandhaafd dat N₂O niet gedeeltelijk opgaat in opgeklopte slagroom. Deze aansprakelijkheid is ruimer dan de door de Staat erkende aansprakelijkheid. Het ligt echter op de weg van NVIG om te stellen en (zo nodig te bewijzen) dat er causaal verband is tussen haar schade en de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de Staat berust. NVIG heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar gevorderde schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens ten aanzien van de gevorderde juridische kosten en betalingen aan IT Management Limited overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de kosten die verband houden met de uitval van de bestuurder van NVIG heeft de voorzieningenrechter overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat het bedrijfsresultaat van NVIG € 100.000,- hoger was uitgevallen indien het onrechtmatig handelen van de Staat wordt weggedacht.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
NVIG vordert hetzelfde als bij de voorzieningenrechter. Haar bezwaren tegen het vonnis zullen hierna worden besproken.

6.Beoordeling in hoger beroep

Inleiding

6.1
Het gaat in deze zaak om een geldvordering in kort geding. Het is vaste jurisprudentie dat bij een dergelijke vordering terughoudendheid op zijn plaats is. De voorzieningenrechter (en het hof in hoger beroep) moet daarom niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter (en het hof in hoger beroep) mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. [1]
6.2
In dit kort geding wordt niet de rechtsverhouding tussen partijen dwingend vastgesteld. Dat gebeurt in de bodemprocedure. Ten aanzien van de verhouding tussen dit kort geding en de bodemprocedure geldt de zogenaamde afstemmingsregel. Die regel houdt in dat de rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een uitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan, zijn uitspraak in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenuitspraak of in een einduitspraak, in de overwegingen of in het dictum van de uitspraak, en ongeacht of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit uitgangspunt. Dit zal het geval kunnen zijn indien de uitspraak van de civiele bodemrechter op een evidente misslag berust, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. [2] Dat zich een dergelijke uitzondering voordoet, is door geen van beide partijen gesteld, zodat het Vonnis in dit kort geding het vertrekpunt is.
6.3
De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat bij het slagen van een of meer grieven het hof de in eerste aanleg verworpen of onbesproken gebleven verweren van de Staat moet behandelen. Daartoe behoort in dit geval het verweer dat NVIG geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De vraag of bij een (geld)vordering in kort geding spoedeisend belang bestaat, moet het hof overigens ook ambtshalve onderzoeken. Het hof ziet mede daarom aanleiding om eerst te beoordelen of dit spoedeisend belang in hoger beroep kan worden aangenomen.
6.4
Vooraf zij het volgende opgemerkt: tussen partijen staat vast dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. In de bodemprocedure is nog geen beslissing genomen over de schade, anders dan dat NVIG de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan NVIG en haar advocaat lijken aan te nemen, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen het onrechtmatig handelen enerzijds en de schade anderzijds. Het enkele feit dat er onrechtmatig is gehandeld, betekent immers niet dat alle door NVIG naar voren gebrachte schadeposten voor toewijzing in aanmerking komen. Het staat de Staat in deze procedure vrij om zich tegen (het bestaan van) iedere individuele schadepost te verweren en vraagtekens te zetten bij het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade.
Spoedeisend belang
6.5
Het bestaan van een spoedeisend belang kan worden aangenomen indien er een zekere urgentie bestaat bij het treffen van de gevorderde voorziening. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. [3] De beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Een van de factoren die hierbij dient te worden gewogen is of een uitspraak in de bodemprocedure kan worden afgewacht. [4]
6.6
Het hof stelt vast dat NVIG al in oktober 2023 een bodemprocedure tegen de Staat is gestart die heeft geleid tot het vonnis van 2 oktober 2025. In die procedure heeft NVIG geen concrete schadevergoeding gevorderd, maar een verklaring voor recht. Die keuze is moeilijk te begrijpen als het water NVIG daadwerkelijk aan de lippen staat. Indien zij in de bodemprocedure een concrete schadevergoeding had gevorderd, zou daarover immers inmiddels een oordeel van de bodemrechter voorhanden zijn. Het hof vindt dit een duidelijke contra-indicatie voor het bestaan van een spoedeisend belang.
6.7
NVIG heeft ten aanzien van het spoedeisend belang in hoger beroep wel aangevoerd dat de voorzieningenrechter dit niet, althans niet juist, heeft getoetst, maar zij heeft niet onderbouwd aangevoerd waarom er een spoedeisend belang bij haar vordering bestaat. In haar appeldagvaarding stelt NVIG dat zij kampt met “structurele liquiditeitskrapte en oplopende juridische kosten” en zij stelt dat het “voortbestaan van de onderneming” wordt bedreigd (paragraaf 66 en 68 van de appeldagvaarding). Een cijfermatige onderbouwing ontbreekt echter. Die had, zeker tegenover het verweer van de Staat en in het licht van de zojuist onder 6.6 vermelde feiten, wel verwacht mogen worden.
6.8
In eerste aanleg heeft NVIG een verklaring van administratieconsulent [naam 2] overgelegd. De Staat heeft er terecht op gewezen dat diens verklaring – die in feite gelijkluidend is aan de stellingen in de dagvaarding – ook niet van enige onderbouwing is voorzien. Waarop zijn verklaring is gebaseerd, is dus onduidelijk. Dat er leningen zijn aangegaan door NVIG is als zodanig niet voldoende om een spoedeisend belang aan te nemen.
6.9
Tegenover het verweer van de Staat op dit punt en tegenover het gegeven dat NVIG in de bodemprocedure geen schadevergoeding heeft gevorderd, is het hof van oordeel dat in hoger beroep niet is gebleken dat er een spoedeisend belang bestaat bij de vordering. Het hoger beroep stuit hierop reeds af. Ten overvloede zal het hof hierna de grieven bespreken.
Toepassing Unierecht
6.1
De stellingen van NVIG in hoger beroep zijn er in belangrijke mate op gebaseerd dat in deze procedure Unierecht moet worden toegepast, dat de nationale rechter de effectieve werking van het Unierecht moet garanderen en dat daarom (zo begrijpt het hof de stellingen) de nationale procesregels die gelden voor een geldvordering in kort geding, niet mogen worden toegepast.
6.11
Het hof kan in het midden laten of in dit geding Unierecht moet worden toegepast. Ook als daarvan veronderstellenderwijs wordt uitgegaan heeft dat namelijk geen gevolgen voor de vordering van NVIG. Bij de verzekering van de rechten die uit het Unierecht voortvloeien is de nationale rechter namelijk aangewezen op zijn eigen procesrechtelijke voorschriften. Het Unierecht geeft geen algemeen geldende regels van procesrecht om binnen de nationale rechtsorde rechten, gebaseerd op het Unierecht, af te dwingen. [5] De nationale procesrechtelijke autonomie wordt slechts beperkt door de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit. Het beginsel van gelijkwaardigheid brengt mee dat het nationale recht het Unierecht niet ongunstiger mag behandelen dan vergelijkbare vorderingen of rechten uit het nationale recht. Dat dit beginsel wordt geschonden is uit de stellingen van NVIG niet af te leiden. Het effectiviteitsbeginsel houdt in dat het nationale recht de uitoefening van rechten uit het Unierecht niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken. Voor zover de stellingen van NVIG zo moeten worden begrepen dat dit beginsel wordt geschonden omdat aan de geldvordering in kort geding hoge eisen worden gesteld falen zij. Die eisen maken de uitoefening van de rechten die uit het Unierecht voortvloeien immers niet onmogelijk of uiterst moeilijk. Afgezien van de eis dat er een spoedeisend belang moet zijn, zijn die eisen zelfs minder streng dan de eisen die in de bodemprocedure worden gesteld aan een schadevordering, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat die eisen in strijd zijn met het effectiviteitsbeginsel. Dat de Staat gehouden is de schade te vergoeden die NVIG als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat heeft geleden, staat op zichzelf vast. Dat betekent echter niet dat in kort geding geen eisen aan de onderbouwing van die schade en het causaal verband met de onrechtmatige daad mogen worden gesteld. Uit het Unierecht volgt voor een zaak als deze ook niet dat de nationale regels omtrent bewijslastverdeling moeten worden losgelaten.
6.12
In haar appeldagvaarding suggereert NVIG nog dat er prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU moeten worden gesteld. Er bestaat in dit geding echter geen twijfel over de uitleg van de relevante onderdelen van het Unierecht.
6.13
Alle stellingen van NVIG die gaan over het Unierecht, stuiten op het voorgaande af.
Het EVRM
6.14
NVIG stelt verder dat het vonnis van de voorzieningenrechter in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM omdat er sprake is van een op haar drukkende onevenredige last. Die stelling faalt. Het door NVIG aangehaalde artikel staat er niet aan in de weg dat de rechter de gegrondheid van een geldvordering onderzoekt, ook niet wanneer de aansprakelijkheid vast staat. Voor artikel 13 van Pro het EVRM geldt niet iets anders.
6.15
NVIG betoogt in hoger beroep verder nog dat artikel 6 EVRM Pro is geschonden omdat de voorzieningenrechter “essentiële feiten en bewijsmiddelen” onbesproken heeft gelaten. Dat verwijt is gestoeld op de hiervoor verworpen stellingen en is dus onjuist, maar in hoger beroep heeft bovendien een volledige nieuwe behandeling van de zaak (binnen de door NVIG als appellante getrokken grenzen van de rechtsstrijd) plaatsgevonden.
De vorderingen
6.16
De voorzieningenrechter heeft in de overwegingen 4.5 en 4.6 een inhoudelijk oordeel gegeven over de aannemelijkheid van de door NVIG geformuleerde vorderingen. Anders dan NVIG kennelijk meent, is de voorzieningenrechter daarbij niet uit het oog verloren dat vooralsnog moet worden uitgegaan van de aansprakelijkheid van de Staat. De voorzieningenrechter heeft daarmee vanzelfsprekend niet gezegd dat iedere door NVIG opgevoerde schadepost voor vergoeding in aanmerking komt. Uit de grieven van NVIG is niet af te leiden waarom het inhoudelijke oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van de afzonderlijke schadecomponenten onjuist is. Voor zover haar betoog erop neerkomt dat het Unierecht een volledige vergoeding van de proceskosten vereist, is dat betoog onjuist. [6]
Conclusie en proceskosten
6.17
Alle grieven stuiten op het voorgaande af. Ook voor toewijzing van een deel van het gevorderde bestaat geen aanleiding. Het bewijsaanbod van NVIG wordt gepasseerd, reeds omdat er binnen de kaders van dit kort geding geen ruimte bestaat voor nadere bewijslevering.
6.18
De conclusie is dat het hoger beroep van NVIG niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal NVIG als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.19
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 2.550,-
salaris advocaat € 7.594,- (2 punten × tarief V)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 10.333-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2025;
  • veroordeelt NVIG in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 10.333,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als NVIG deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als NVIG niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, NVIG de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als NVIG deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de kostenveroordeling betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, M.Y. Bonneur en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Vaste jurisprudentie sinds HR 22 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4317,
2.Zie bijvoorbeeld HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:806,
3.Zie bijvoorbeeld HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553,
4.Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/67.
5.Zie al HvJ 16 december 1976, ECLI:EU:C:1976:191
6.Zie HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810.