Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[gevoegde partij 1] ,
[gevoegde partij 2],
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 30 mei 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 9 november 2022 (hierna: het tussenvonnis) en 3 mei 2023 (hierna: het eindvonnis);
- het arrest van dit hof van 25 juli 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [naam] , met bijlagen;
- de incidentele conclusie tot voeging (ex art. 217 Rv Pro) van [de gevoegde partijen] ;
- de incidentele antwoordconclusie tot voeging van [naam] ;
- de incidentele antwoordconclusie tot voeging van [appellant] ;
- het arrest in het incident van 23 juli 2024, waarbij het hof [de gevoegde partijen] heeft toegestaan zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [naam] ;
- de memorie van antwoord van [de gevoegde partijen] ;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellant] ,
- de akte wijziging procespartij van [naam] ;
- de producties 3-5 die [geïntimeerde] op 16 oktober 2025 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
“(…) voor en namens hem, in zijn gemelde hoedanigheid, te verkopen en te leveren, tegen de de gevolmachtigde goeddunkende verkoopprijs: DE BOERDERIJWONING (...)”.
Met name wil zij de hoogst merkwaardige situatie bij de heer [gevoegde partij 1] aankaarten dat er nu kennelijk een potentiële koper is die een bedrag van (slechts) € 300.000,-- voor de woning zou willen betalen, terwijl cliënte de heer [gevoegde partij 1] enkele maanden geleden heeft voorgesteld de woning zelf te kopen voor een aanzienlijk hoger bedrag dan € 300.000,--”. [gevoegde partij 1] heeft op 4 maart 2014 aan de advocaat van [partner erflater] geschreven dat eventuele schade als gevolg van een te lage koopprijs voor rekening van de erfgename komt omdat die, bij een verkoop tegen een te lage waarde, die schade zelf zou hebben veroorzaakt. [gevoegde partij 1] heeft er in zijn e-mail ook op gewezen dat de gevolmachtigden van de erfgename graag hun eigen boontjes willen doppen. Ook heeft hij geschreven dat hij de koopsom niet kan beoordelen omdat de woning kennelijk veel gebreken vertoont en dat toestemming van de kantonrechter niet nodig is, omdat hij als vereffenaar zelf verkoopt.
€ 415.000,-. Bij onderhandse verkoop onder beperking van de termijn van verkoop tot drie maanden, staat in het taxatierapport een verkoopopbrengst van de woning tussen
€ 550.000,- en € 580.000.-, uitgaande van onverhuurde staat. In verhuurde staat is de marktwaarde van de woning € 425.000,- en de executiewaarde tussen € 295.000,- en € 310.000,-.
€ 6.000,-. [appellant] heeft de koopsom ontvangen en verrekend met een uitstaande declaratie.
4.Procedure bij de rechtbank
€ 15.000,- en de auto is verkocht voor € 6.000,-. De schade bedraagt € 9.000,- (r.o. 2.35 van het eindvonnis).
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
€ 300.000,- en de koopovereenkomst is op 19 april 2014 voor dat bedrag gesloten.
€ 300.000,- te (laten) verkopen en (ii) dat [moeder erfgename] enkel handelde op advies van [appellant] als haar advocaat.
[appellant] Namens deze, [werknemer advocatenkantoor]”). Zoals in 6.15.2 overwogen, was [appellant] bij de belangrijke handelingen en transacties zelf betrokken. Dit vormt een aanwijzing dat de werkzaamheden die [werknemer advocatenkantoor] verrichtte en de rol van [werknemer advocatenkantoor] (veel) beperkter zijn dan [appellant] wil doen voorkomen. Daarbij komt ook nog dat [appellant] in een e-mail aan [werknemer advocatenkantoor] van 19 maart 2019, naar aanleiding van deze procedure, heeft geschreven: “
Je hebt onder mijn verantwoordelijkheid gewerkt.”.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 november 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2023, voor zover [appellant] in 3.4 van het dictum hoofdelijk is veroordeeld tot betaling aan [naam] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de erflater, van
- veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de erflater, van € 250.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 30 mei 2014 tot de dag van volledige betaling;
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] c.s. begroot op € 18.067,-;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [de gevoegde partijen] begroot op € 10.853,-;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.