Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3]
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 23 februari 2023, waarmee [appellanten] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 1 december 2022;
- de memorie van grieven van [appellanten] , met producties A t/m K;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel van Hydromaster , met producties 16 t/m 38;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellanten] ;
- de producties L t/m O van [appellanten]
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep
5.Beoordeling in hoger beroep
Cessie
niethun vorderingen op [appellant 3] . Dat is een nieuwe grief die [appellanten] , in strijd met de tweeconclusieregel, niet al in de memorie van grieven naar voren heeft gebracht zodat dit te laat is. Het hof laat de grief daarom onbesproken. Het hof volgt [appellanten] niet in zijn betoog dat hij deze grief wel al bij memorie van grieven naar voren heeft gebracht. Uit de enkele betwisting (in par. 2.2 en 4.1 van de memorie van grieven waarnaar hij heeft verwezen tijdens de mondelinge behandeling na vragen van het hof daarover) dat de ingestelde vorderingen, vorderingen van Hydromaster zijn, blijkt onvoldoende duidelijk dat [appellanten] (daarmee ook) de cessie van de vorderingen op [appellant 3] ter discussie heeft willen stellen. [appellanten] heeft ook geen aanvullende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit valt af te leiden dat Hydromaster dat wel op die wijze heeft opgevat dan wel had moeten opvatten. Als [appellanten] dat wel beoogde, dan had hij dit tot uitdrukking moeten brengen. Daarnaast is overigens onbegrijpelijk waarom hij die betwisting niet expliciet heeft gemaakt in par. 5.8 van zijn memorie van grieven. In die paragraaf bespreekt hij namelijk de cessie van de vorderingen van Sykes Marine en Sykes Marine Limited .
ten minste€ 767.683,93 bedraagt. Het hof baseert dat oordeel op stellingen die [appellanten] in eerste aanleg heeft ingenomen. In zijn conclusie van antwoord (par. 22) schreef hij:
mondelingzouden zijn overeengekomen dat [appellant 1] al per 1 juni 2022 uit dienst zou treden, is dat niet relevant. Een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, is slechts geldig als deze
schriftelijkwordt aangegaan (artikel 7:670b lid 1 BW). Aan bewijslevering ter zake het bestaan van een mondelinge overeenkomst komt het hof, bij gebrek aan belang, dus niet toe. Zijn stelling dat partijen schriftelijk zijn overeengekomen dat [appellant 1] per 1 juni 2022 uit dienst zou treden, heeft [appellant 1] onvoldoende gemotiveerd. Volgens hem zijn de afspraken over zijn eerdere vertrek ‘hoogst vermoedelijk’ in e-mails vastgelegd, maar kennelijk is hij daar niet zeker van. Zijn vordering ex artikel 843a Rv kan dan ook niet worden toegewezen. Dat artikel biedt namelijk niet de mogelijkheid voor het opvragen van bescheiden waarvan slechts het bestaan wordt vermoed.
.
6.Beslissing
- veroordeelt [appellant 1] om aan Hydromaster te betalen € 619.401,51 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 18 mei 2022 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk om aan Hydromaster te betalen € 55.514,87 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 18 mei 2022 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [appellant 1] en [appellant 3] hoofdelijk om aan Hydromaster te betalen € 211.842,25 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 18 mei 2022 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan Hydromaster te betalen € 14.977,82 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na 1 december 2022, de datum van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, tot de dag van volledige betaling;
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 1 december 2022 voor het overige;
- veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Hydromaster begroot op € 17.116,00, en in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Hydromaster begroot op € 912,00, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,00, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.