Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1768

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
200.349.096/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 4 Brussel I bis-VerordeningArt. 24 Brussel I bis-VerordeningArt. 25 Brussel I bis-VerordeningArt. 4 lid 2 Rome I-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over garantstelling en schadevergoeding bij niet-nakoming optieovereenkomst Surinaamse grond

In deze civiele zaak vorderen [geïntimeerden] betaling van een schadevergoeding van USD 150.000 van [appellant], wegens het niet verkrijgen van vergunningen om een stuk grond in Suriname bouwrijp te maken en te verkavelen, zoals overeengekomen in een optieovereenkomst uit 2015.

De rechtbank had de vorderingen toegewezen en het hof bekrachtigt dit vonnis. Het hof oordeelt dat de garantstelling van [appellant] een resultaatsverbintenis betreft, waarbij hij persoonlijk aansprakelijk is voor het niet tijdig nakomen van de verplichtingen. De verlengde termijn tot 31 juli 2021 en het latere uitstel tot 31 maart 2024 veranderen hier niets aan.

Het beroep van [appellant] op klachtplicht en overmacht faalt, omdat het niet nakomen van de resultaatsverbintenis voor zijn risico komt en art. 6:89 BW Pro niet van toepassing is op het niet verrichten van een prestatie. De schadevergoeding is een gefixeerde boete die niet afhankelijk is van aantoonbare schade. Het hof veroordeelt [appellant] tevens in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat [appellant] veroordeelt tot betaling van USD 150.000 schadevergoeding wegens niet-nakoming van de optieovereenkomst.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.349.096/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/664487 / HA ZA 24-325
Arrest van 2 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in Wassenaar,
appellant,
advocaat: mr. M.D. Winter, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonend in Vosselaar (België),
2.
[geïntimeerde 2],
wonend in Sint Willibrordus (Curaçao),
3.
[geïntimeerde 3],
wonend in Willemstad (Curaçao),
geïntimeerden,
advocaat: mr. P.P.G. Bissessur, kantoorhoudend in Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerden]

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaardingen van 6 november 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2024 (hierna: het tussenvonnis) en 23 oktober 2024 (hierna: het eindvonnis);
  • de memorie van grieven van [appellant] ;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerden]

2.Feitelijke achtergrond

2.1
[geïntimeerden] hebben in 2015 een bedrag van USD 75.000 geïnvesteerd in een project van [appellant] in Suriname.
2.2
Partijen hebben op 4 april 2015 een stuk genaamd
“Bindende verkoopbelofte met optie tot aankoop”(hierna: de optieovereenkomst) ondertekend, waarin zij het volgende zijn overeengekomen:
De ondergetekende, [appellant] , wonende in (…) Den Haag, [..], optredende in eigen naam en in naam en voor rekening van [bedrijf 1] , [..] te Paramaribo (Suriname) en in naam en voor rekening van de
[bedrijf 2] , [..] te Paramaribo (Suriname), hierna te noemen partij 1
[..]
Partij 1 verklaart hierbij de enige rechtmatige eigenaar te zijn van een stuk ontwikkelingsgrond [..] te Paramaribo (Suriname) [..]
Partij 1 verklaart hierbij tevens dat hij garant staat om alle toestemmingen te verkrijgen om dit perceel grond grond bouwrijp te maken en te verkavelen in ongeveer 240 kavels zodat ze als bouwpercelen kunnen worden verkocht. Deze vergunningen moeten uiterlijk tegen 1/1/2018 verleend zijn.
3. Partij 1 verklaart hierbij eveneens dat hij garant staat voor de eigendomsomschrijving en eigendomsrechten op hoger beschreven onroerend goed. [..]
4. Partij 1 verbindt er zich toe krachtens onderhavige belofte om 75 % van de gezegde eigendom te zullen verkopen aan partij 2 (hof: [geïntimeerden] ) voor een bedrag van 675.000 US $. Aldus worden partijen mede-eigenaars.
5. Partij 2 verkrijgt aldus krachtens onderhavige bindende verkoopbelofte een optie tot aankoop onder hieronder genoemde voorwaarden.
6. Partij 2 zal deze optie kunnen lichten, tot uiterlijk zes maanden na 1/1/2018, en op voorwaarde dat partij 1 alle verbintenissen uit de artikelen 1,2 en 3 zal zijn nagekomen. De lichting van de optie blijft alleszins nog steeds vrijblijvend. Indien partij 2 de optie niet licht zullen partijen tegenover elkaar tot niets meer verplicht zijn.
7. Mocht partij 1 het hierboven omschrevene voor 1/1/2018 niet nakomen zal partij 1 aan partij 2 een binnen 30 dagen schadevergoeding betalen van 150.000 US $.
8. Vanaf het moment dat partij 1 in het bezit is van alle nodige vergunningen en de bedoelde ontwikkelingsgrond definitief eigendoms-grond is geworden en dit heeft overgemaakt aan partij 2 dan heeft partij 2 vanaf dat moment nog 6 maanden de tijd om de optie te lichten en tot aankoop van het perceel over te gaan.
9. De Heer [appellant] blijft in persoonlijke naam verantwoordelijk voor het nakomen van alle verbintenissen in hoofde van partij 1, wat betekend dat hij persoonlijk borg blijft staan voor de NV en de Stichting hierboven vermeld.”
Onderaan het stuk is vermeld: “
In geval van artikel zeven goed voor honderdvijftigduizend US dollar”, met daaronder handgeschreven met handtekening van [appellant] de tekst “
goed voor één honderd en vijftig duizend US Dollars”.
2.3
Partijen hebben in 2019 afgesproken om de in de optieovereenkomst afgesproken termijn onder 2. en 7. te verlengen tot uiterlijk 31 juli 2021.
2.4
Bij e-mail van 3 juli 2023 hebben [geïntimeerden] aanspraak gemaakt op de schadevergoeding vermeld onder 7. van de optieovereenkomst. Zij hebben [appellant] verzocht deze schadevergoeding binnen 30 dagen te betalen.
2.5
Bij e-mail van 11 september 2023 heeft [appellant] het volgende meegedeeld aan
[geïntimeerden] :
“Inderdaad duurt het allemaal lang, maar mijn inspanningen om dat realiseren is nog steeds in volle gang. Ik heb vandaag de laatste updates gehad en zal niet lang meer duren dat de grond in eigendom wordt. De wetgeving zal binnenkort bekrachtigd worden om van grondhuur tot eigendom te maken. Derhalve mijn verzoek om voor de laatste maal een uitstel te geven tot uiterlijk 31 maart 2024. Mocht op die datum niet lukken dan zal de schadevergoeding conform de overeenkomst aan jullie uitgekeerd worden.”
2.6
Bij brief van 11 oktober 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerden] [appellant] gesommeerd om de schadevergoeding te betalen. Tevens is aangezegd dat aanspraak zal worden gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente als [appellant] niet voldoet aan deze sommatie.
2.7
Op 8 november 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerden] een bespreking gehad met [appellant] . Tijdens deze bespreking heeft [appellant] nogmaals uitstel van betaling gevraagd tot 31 maart 2024.
2.8
Bij e-mail van 16 november 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan [appellant] meegedeeld dat [geïntimeerden] bereid zijn om uitstel te verlenen voor betaling, maar uitsluitend onder de voorwaarde dat de betalingsafspraken worden vastgelegd in een notariële akte van schuldbekentenis. [appellant] heeft niet op deze e-mail gereageerd.
2.9
Bij e-mail van 10 februari 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerden] [appellant] nogmaals in de gelegenheid gesteld om het bedrag van USD 150.000,-- te betalen. [appellant] heeft op 18 februari 2024 telefonisch contact opgenomen met deze advocaat en voorgesteld om het bedrag te voldoen in drie termijnen. De advocaat heeft de inhoud van dit telefoongesprek bij e-mail van 19 februari 2024 aan [appellant] bevestigd en heeft daarbij meegedeeld dat hij het voorstel van [appellant] met zijn cliënten zal bespreken. Bij e-mail van 22 februari 2024 heeft deze advocaat aan [appellant] bericht dat [geïntimeerden] onder voorwaarden akkoord gaan met het betalingsvoorstel van [appellant] .
2.1
[appellant] heeft ondanks een verzoek tot bevestiging niet meer gereageerd op deze e-mail en heeft niets aan [geïntimeerden] betaald.

3.Procedure bij de rechtbank

3.1
[geïntimeerden] hebben gevorderd:
I. [appellant] te veroordelen tot betaling van USD 150.0000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 augustus 2023;
II. [appellant] te veroordelen tot betaling van € 2.159,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 oktober 2023;
III. [appellant] te veroordelen in de proceskosten.
3.2
De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerden] bij eindvonnis toegewezen [1] .

4.Vorderingen in hoger beroep

4.1
[appellant] vordert vernietiging van de bestreden vonnissen, de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten ven beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
De grieven zijn niet juist genummerd. Zo zijn er twee grieven 4. Het hof zal voor de beoordeling de grieven na de eerste grief 4, dus als 5 tot en met 8, doornummeren.
Rechtsmacht
5.2
Het gaat in deze zaak om de vordering van [geïntimeerden] tot schadevergoeding door [appellant] op grond van de artt. 2, 7 en 9 van de optieovereenkomst. De rechtbank heeft zich bevoegd verklaard over deze vordering te oordelen. Dit oordeel is gegeven in r.o. 2.4 tot en met 2.7 van het tussenvonnis, als volgt.
 De zaak valt onder het toepassingsbereik van de Brussel I bis-Verordening. Uit art. 4 van Pro de verordening volgt het uitgangspunt dat partijen worden opgeroepen voor de rechter van het land waar zij woonplaats hebben. [appellant] woont in Nederland, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is.
 De uitzonderingen op dit uitgangspunt, die van de artt. 24 en 25 of de afdelingen 3 tot en met 5 van de Brussel I bis-Verordening zijn in deze zaak niet van toepassing. De vorderingen van [geïntimeerden] zijn immers gebaseerd op een persoonlijk recht en niet op een zakelijk recht. Er is ook geen rechtsgeldige forumkeuze gemaakt. Verder is geen sprake van een verzekerings-, consumenten- of arbeidszaak.
 Omdat [appellant] in Wassenaar woont, in het arrondissement van de rechtbank Den Haag, is de rechtbank Den Haag bevoegd.
5.3
Dit oordeel van de rechtbank is juist. Het hof verenigt zich met dit oordeel. Wat [appellant] daartegen inbrengt met de
grieven 1 tot en met 3leidt niet tot een ander oordeel. De redenen daarvoor zijn de volgende.
 Het gaat hier niet om een zakelijk recht, dat wil zeggen: een recht op een onroerende zaak dat werking heeft jegens iedereen [2] . Evenmin gaat de optieovereenkomst over de huur van een onroerende zaak. Maar ook als wel van dergelijke rechten sprake is doet de uitzondering van art. 24 van Pro de Brussel I bis- Verordening zich niet voor omdat de onroerende zaak zich niet in de EU (maar in Suriname) bevindt.
 De vorderingen van [geïntimeerden] richten zich tegen uitsluitend [appellant] , die volgens de Considerans van de optieovereenkomst ook namens zichzelf partij is (
“optredende in eigen naam”). De vorderingen richten zich niet tegen de rechtspersonen waarvoor [appellant] volgens de Considerans ook optreedt. De rechter hoeft niet meer te beoordelen dan de vraag of deze vordering op [appellant] persoonlijk toewijsbaar is.
 Welk recht op de optieovereenkomst van toepassing is, is niet relevant voor het antwoord op de vraag of de rechtbank bevoegd is.
Toepasselijk recht
5.4
De rechtbank heeft in r.o. 5.2 van het eindvonnis geoordeeld dat op de optieovereenkomst Nederlands recht van toepassing is, als volgt.
 Deze kwestie valt onder het toepassingsgebied van de Rome I-Verordening. Partijen hebben geen rechtskeuze gedaan en de door partijen gesloten optieovereenkomst heeft evenmin een zakelijk recht op een onroerend goed (het gaat immers om een persoonlijk recht) of de huur van een onroerend goed tot onderwerp.
 Op grond van het bepaalde in art. 4 lid 2 van Pro de Rome I-Verordening wordt de overeenkomst daarom beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. [appellant] is in dit geval als garantsteller de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten.
 Omdat [appellant] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zal de rechtbank de vorderingen beoordelen aan de hand van het Nederlandse recht.
5.5
Met de
grieven 1 en 2wordt betoogd dat de kenmerkende prestatie van de optieovereenkomst de belofte is om 75% van de eigendom van een aantal onroerende zaken in Suriname te verkopen. Daartoe dienen allerlei zaken in Suriname plaats te vinden. Op alle ter zake gerichte rechtshandelingen is Surinaams recht van toepassing. Het is onjuist om de garantstelling van [appellant] daar uit te lichten en daarop Nederlands recht van toepassing te verklaren. In de Considerans van de overeenkomst staan namelijk meer kenmerkende prestaties, ook die van twee rechtspersonen. Die prestaties kunnen niet los worden gezien van die van [appellant] . De Rome I-Verordening mist daarom toepassing, aldus nog steeds [appellant] .
5.6
Deze grieven falen. Het hof is het eens met de rechtbank en komt op dezelfde gronden tot hetzelfde oordeel. Wat [appellant] daartegen inbrengt gaat niet op. De vordering van [geïntimeerden] ziet uitsluitend op de garantstelling door [appellant] . Niet goed is onderbouwd waarom deze niet los kan worden gezien van de verplichtingen van bedoelde (Surinaamse) rechtspersonen. Het gaat om andersoortige verplichtingen. Het kenmerkende van de garantstelling is dat deze door [appellant] moeten worden nagekomen.
Resultaatsverbintenis
5.7
De rechtbank heeft aan de hand van de Haviltex-maatstaf [3] de optieovereenkomst uitgelegd en geoordeeld dat sprake is van een resultaatsverbintenis van [appellant] . Voor de uitleg volgens de Haviltex-maatstaf dient niet enkel te worden gekeken naar de taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Het gaat er uiteindelijk om welke verwachtingen partijen op grond van de omstandigheden van het geval over en weer mochten hebben.
5.8
Het oordeel dat sprake is van een resultaatsverbintenis is in r.o. 5.4 tot en met 5.6 van het eindvonnis verwoord, als volgt.
 Partijen zijn ervaren zakenlieden. Zij hebben zich bij het opstellen van de optieovereenkomst weliswaar niet laten bijstaan door juridisch adviseurs, maar van partijen mocht desalniettemin de nodige nauwkeurigheid worden verwacht bij het maken van de afspraken. De andere partij moet er immers op kunnen vertrouwen dat gemaakte afspraken komen vast te staan zodra deze zijn neergelegd in een door partijen ondertekende schriftelijke overeenkomst.
 Voor deze zaak is niet doorslaggevend dat [appellant] niet juridisch geschoold is, omdat de optieovereenkomst slechts anderhalve pagina behelst en geen ingewikkelde juridische constructies of formuleringen bevat. Daarom komt bij de uitleg van de optieovereenkomst veel gewicht toe aan de bewoordingen daarvan.
 Onder 2. van de optieovereenkomst verklaart [appellant] dat hij garant staat om alle toestemmingen te verkrijgen om het perceel grond bouwrijp te maken en te verkavelen in circa 240 kavels zodat ze als bouwpercelen kunnen worden verkocht.
 Vervolgens staat (ook) onder 2. vermeld dat de vergunningen uiterlijk op 1 januari 2018 moeten zijn verleend.
 Vervolgens hebben partijen onder 7. opgenomen dat [appellant] een schadevergoeding moet betalen aan [geïntimeerden] als hij zijn verplichtingen niet nakomt voor 1 januari 2018.
 Door het verbinden van een uiterste datum aan de nakoming van zijn garantieverplichting en vervolgens het verbinden van een schadevergoedings-verplichting aan het niet tijdig nakomen, komt het verkrijgen van de benodigde vergunningen vóór 1 januari 2018 voor risico en rekening van [appellant] . De garantieverbintenis moet daarom worden gekwalificeerd als een resultaatsverbintenis.
 Dat [appellant] dit zelf ook zo heeft begrepen, volgt uit zijn e-mail van 11 september 2023 waarin hij nogmaals om uitstel van de deadline vraagt en aangeeft dat hij de schadevergoeding zal betalen als ook na verloop van die datum de benodigde vergunningen niet zijn verleend.
 [appellant] heeft nog naar voren gebracht dat [geïntimeerden] de optieovereenkomst hebben opgesteld en dat hij – gelet op de omstandigheid dat partijen op vriendschappelijke voet met elkaar omgingen – erop vertrouwde dat [geïntimeerden] niet (snel) tot het vorderen van de schadevergoeding zouden overgaan. Dit bevestigt juist dat [appellant] zich terdege ervan bewust was waarvoor hij had getekend en dat hij op grond van de overeenkomst een schadevergoeding zou moeten betalen als hij zijn toezeggingen niet tijdig zou nakomen.
 Het door hem in [geïntimeerden] gestelde vertrouwen is in die zin ook niet beschaamd omdat [geïntimeerden] [appellant] in 2019 uitstel hebben verleend tot 31 juli 2021 en hem vervolgens nog twee jaar respijt hebben gegeven alvorens zij in 2023 aanspraak hebben gemaakt op de overeengekomen schadevergoeding. Dit alles maakt echter niet dat de garantieverbintenis kan worden gekwalificeerd als een inspanningsverbintenis.
5.9
Met de
grieven 4 en 5komt [appellant] op tegen deze oordelen. Deze grieven zijn een herhaling van zetten en falen. Het hof is het eens met de rechtbank en komt op dezelfde gronden tot hetzelfde oordeel. Het is buiten twijfel dat [appellant] in de optieovereenkomst is overeengekomen dat bij niet-nakoming van de overeenkomst door hem en/of de overige omschreven partijen
“als Partij 1”een schadevergoeding wordt betaald van USD 150.000,-- (art. 7), en bovendien dat [appellant] persoonlijk garant staat voor de nakoming van deze verbintenis (immers, art. 9 spreekt Pro van
alleverbintenissen). [appellant] heeft bovendien onder de optieovereenkomst een handgeschreven goedschrift geplaatst met een verwijzing naar de contractuele boete van art. 7 (zie r.o. 2.2 hiervoor).
Klachtplicht
5.1
[appellant] heeft in eerste aanleg een beroep gedaan op schending van de klachtplicht (art. 6:89 BW Pro). Volgens [appellant] hebben [geïntimeerden] na afloop van de verlengde termijn voor nakoming (31 juli 2021) bijna twee jaar stilgezeten voordat zij bij hem aanspraak hebben gemaakt op de onder 7. van de optieovereenkomst overeengekomen schadevergoeding. Volgens [appellant] is er daarmee geen sprake van een protest binnen bekwame tijd, zodat de vorderingen van [geïntimeerden] moeten worden afgewezen.
5.11
De rechtbank heeft het beroep van [appellant] op de klachtplicht in r.o. 5.12 van het eindvonnis afgewezen, als volgt.
Art. 6:89 BW Pro is niet van toepassing in deze situatie. Er is geen sprake van een gebrekkige prestatie, maar van het niet verrichten van de prestatie. Het gaat om de in de optieovereenkomst neergelegde resultaatsverbintenis.
 Volgens vaste rechtspraak is art. 6:89 BW Pro op een dergelijk nalaten om een overeengekomen prestatie te verrichten niet van toepassing. Deze bepaling strekt immers ertoe de schuldenaar die een prestatie heeft verricht te beschermen omdat hij erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat de schuldeiser, als dit niet het geval blijkt te zijn, dit eveneens met spoed aan de schuldenaar meedeelt.
5.12
Met
grief 6betoogt [appellant] dat het beroep op de klachtplicht ten onrechte is verworpen. Volgens [appellant] heeft hij wel degelijk stappen gezet om afgifte van de toestemmingen en vergunningen te verkrijgen. Dat het niet is gekomen tot de gewenste afgifte kan hooguit als een gebrekkige prestatie worden gekenmerkt.
5.13
Deze grief faalt. [appellant] miskent dat zijn verbintenis een duidelijk afgebakende resultaatsverbintenis is die niet is nagekomen. Het gaat niet om een gebrekkige prestatie – in de zin: het resultaat is gedeeltelijk behaald - maar om het volledig niet presteren. Het hof is het eens met de rechtbank en komt op dezelfde gronden tot hetzelfde oordeel.
Schadeplicht, overmacht en schadevergoeding
5.14
Met
grief 7betoogt [appellant] dat hij niet schadeplichtig is omdat hij niet meer dan een inspanningsverbintenis heeft. Verder betwist [appellant] dat [geïntimeerden] schade hebben geleden. [appellant] stelt dat hij zijn beroep op overmacht handhaaft.
5.15
Ook deze grief faalt, om de volgende redenen.
 Er is sprake van een resultaatsverbintenis die niet is nagekomen. De optieovereenkomst verbindt daaraan de verplichting om een gefixeerde schadevergoeding te betalen. De aard van deze gefixeerde schadeplicht vergt niet dat er aantoonbare schade is geleden.
 Verder is aannemelijk dat [geïntimeerden] schade hebben geleden omdat hun investering van USD 75.000,-- tot niets heeft geleid.
 Het beroep op overmacht is door de rechtbank in r.o. 5.9 van het eindvonnis afgewezen, omdat de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat [appellant] niet kon nakomen, bij zijn resultaatsverbintenis voor zijn risico komen. Het hof is het daarmee eens. Het beroep op overmacht is in hoger beroep door [appellant] niet nader onderbouwd.
Veeggrief
5.16
Met
grief 8betoogt [appellant] dat hij ten onrechte is veroordeeld tot betaling van een bedrag van USD 150.000,--, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Dit is een veeggrief zonder zelfstandige betekenis. Deze is niet nader onderbouwd zodat het hof daar niet verder op in zal gaan.
Bewijsaanbod
5.17
Het hof gaat voorbij aan het in algemene termen geformuleerde bewijsaanbod. Er zijn geen concrete en ter zake dienende feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden.
Conclusie en proceskosten
5.18
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] faalt. Daarom zal het hof het eindvonnis bekrachtigen. Het tussenvonnis zal niet worden bekrachtigd omdat daarin geen voor uitvoerbaarheid geschikte beslissing is genomen.
5.19
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
5.2
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] op:
griffierecht € 2.053,--
salaris advocaat € 3.797,-- (1 punt × tarief V)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.039,--

6.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 6.039,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
  • verklaart de proceskostenveroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.J. van Cleef- Metsaars en
A.F.J.A.Leijten en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

2.HvJ EU 17 december 2015, C-605/14, ECLI:EU:C:2015:833, r.o. 29.
3.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).