Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam als pilote bij een buitenlandse luchtvaartmaatschappij, deed aangifte IB/PVV 2018 met een belastbaar inkomen van €91.455, inclusief buitenlandse inkomsten. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op omdat hij oordeelde dat de vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting onterecht was toegekend, gebaseerd op het feit dat het heffingsrecht volgens het belastingverdrag aan Nederland toekomt.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat de inspecteur niet tot nader onderzoek gehouden was omdat de mogelijkheid dat de aangifte juist was niet onwaarschijnlijk was. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de inspecteur een ambtelijk verzuim had begaan door de uitworpredenen te negeren en geen nader onderzoek te doen.
Het hof oordeelde dat het negeren van uitworpredenen op zichzelf geen ambtelijk verzuim is en dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de aangiftegegevens juist konden zijn, mede omdat het niet ongebruikelijk is dat iemand in Nederland woont en in het buitenland werkt. De navorderingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Belanghebbende voerde geen gegronde bezwaren tegen de belastingrente aan. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.